[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Aquis: Aken/Aachen of Asques/Asq ?
Ad Maas, Leende
Inleiding
In SEMafoor van mei 2001 verscheen een artikel van C. Koreman en R.
Boidin over de veldtochten van Karel de Grote, waarin jarenlang
onderzoek van Koreman samengevat werd dat nadien nog apart gepubliceerd
werd (18). Er werden twee duidelijke kaarten bij afgedrukt waarin de
gangbare opvatting van die tochten vergeleken werd met die van Albert
Delahaye. In een artikel in SEMafoor van Augustus 2004 stelde Boidin dat
het Aken van Karel de Grote Asques of Asq (Villeneuve d'Asq) in
Noordwest-Frankrijk was, een kwestie waarop hij in zijn boek De Mythe
(2) terugkwam. Deze hypothese wordt in dit artikel nader bekeken. Eerst
wordt een aantal zaken in verband met Aken/Aachen in het eerste
millennium n.Chr. op een rij gezet. Dat gebeurt aan de hand van twee
actuele conventionele geschiedschrijvingen. Daarna worden vragen gesteld
bij deze geactualiseerde Aken-geschiedenis. Hoe weten we zeker dat wat
allemaal verhaald wordt, ook klopt of in elk geval aannemelijk is? Met
deze bagage in gedachten komt vervolgens de hypothese van Rinus Boidin
aan de orde. Is het aannemelijk dat de veronderstellingen en bevindingen
over Aquis (de gelatiniseerde naam voor de oorspronkelijke naam van
Aken/Aachen in de vroege middeleeuwen) niet op Aken slaan maar
betrekking hebben op Asques of Asq? Ten slotte trekken we enkele
conclusies die uiteraard voorlopig zijn.
Actuele geschiedschrijving Aken
Het is niet moeilijk om enkele tientallen levensbeschrijvingen van
Karel de Grote te vinden, niet zozeer in het Nederlands maar vooral in
het Duits, Frans en Engels. In die publicaties leiden er altijd wegen
naar Aken, een locatie die even na het jaar 800, volgens deze
geschiedschrijvingen, ook Rome Nuova wordt genoemd. Voor dit artikel
koos ik twee relatief nieuwe publicaties. De conventionele opvatting van
de relatie van Karel de Grote en Aken is naar mijn mening uitvoerig en
samenhangend beschreven door de Aken-publicist Axel Hausmann in zijn
boek Aachen. Residenz der Karolinger (10). Wie de geschiedenis van Aken
wil bestuderen, kan niet om deze auteur heen (hoogleraar natuurkunde,
maar ook archeoloog en filosoof). Hij heeft in andere boeken (11) de
optie verdedigt dat Aken het oude Attuatuca is; daarvan maakte Gerard
Feij melding in SEMafoor 9-1. Hausmanns studies zijn vooral interessant
vanuit zijn opvattingen over vroegmiddeleeuwse bouwwerken in Aken. Ook
het Nederlandstalige boek van P.J. Rietbergen Karel de Grote. Vader van
1. Europa? (23) nam ik zorgvuldig door, om mijn geheugen te updaten, de
conventionele visie te herijken en te zien of er historisch nieuws onder
de zon was. Rietbergen schreef een beknopt, prettig leesbaar boek. Wel
twijfelde ik even toen bleek dat Rietbergen niet weet dat Aix en Aken
dezelfde plaats zijn (p. 106 en 107). Op het einde van zijn publicatie
schrijft hij het volgende: "De bronnen die ik citeer – biografieën,
gedichten, kronieken, wetten – heb ik gebruikt mede op basis van de
originele teksten uitgegeven in de Monumenta Germaniae Historica" (p.
142). Mede op basis van, dus….Daar kom ik op terug. Rietbergens
geschiedschrijving komt in hoofdlijnen overeen met die van Hausmann. Hij
pakt wat het Aken van Karel de Grote betreft ook stevig uit, maar toch
minder uitbundig dan Hausmann.
Historische excursie Aken/Aachen
Uit de twee genoemde boeken heb ik 18 aspecten samengevat die in een
zestal invalshoeken zijn geordend: Waarom Aken/Aachen?, Romeins en
Merovingisch, Kerstening van Saksen en Awaren, Aken cultureel centrum,
Aken – Byzantium – Rome en Na Karel de Grote. Soms is er enige overlap
tussen deze 18 samenvattingen, maar daardoor komt het genoemde aspect
beter uit de verf.
Waarom Aken/Aachen?
1. Aken… de eerste vaste residentie van trekkende Frankische
koningen? Waarom Aken? Dat is volgens Hausmann (10) te begrijpen vanuit
de geschiedenis van het Franken-rijk, vooral vanuit de vorming van
christelijke macht en cultuur, maar ook vanuit de geschiedenis van het
Romeinse rijk, ook wat betreft de scheiding tussen het Grieks-orthodoxe
Oosten en het Latijns-katholieke Westen, dus de betekenis van de centra
Rome en Byzantium. Daarbij spelen ook onder meer de volgende
ontwikkelingen een rol: de opkomst van de islam, de verwikkelingen in
Slavische gebieden en de activiteiten van groepen die we later Vikingen
zijn gaan noemen. Tegen deze achtergrond moet het Aken van de vroege
middeleeuwen begrepen worden. Naast Byzantium en Rome was er nog een
andere wereldresidentie nodig. Parijs en andere ex-Romeinse plaatsen
waren klaarblijkelijk niet goed genoeg. Noodzakelijk was een stad met
een niet-Gallisch verleden. Toen het Franken-rijk dat Karel tot een
zekere eenheid had gemaakt, uiteenviel, kwam Aken in het overgangsgebied
tussen het latere Duitsland en Frankrijk te liggen. Het lag gunstig
tussen het Romaanse en het Germaanse Frankenrijk. Aken lag ook familiaal
goed; het was een locatie in een thuisland.
2. Rietbergen start in zijn Karel de Grote. Vader van Europa? (23) met
een signalement van de keizer dat voornamelijk gebaseerd is op Einhards
Vita Karoli (geschreven naar het voorbeeld van de keizerbiografieën van
Seutonius) en de Karel-notities van Notker Balbulus (de stamelaar). Alle
bekende informatie is daarin handig samengevat. Pippijn de Korte zou
volgens de 'overgeleverde tekst van de rijksannalen' in 764 in Aken
kerstmis gevierd hebben. In die periode zou ook de ontwikkeling van de
zogenaamde hofschool begonnen zijn. Evenals zijn voorouders reisde
Karel, met een gevolg, van 300 tot 1000 mensen, jaarlijks rond in zijn
rijk, van palts naar palts, van en naar kloosters – lange en vermoeiende
dagreizen, tijdens welke men per dag te paard, niet meer dan zo'n dertig
kilometer, maximaal kon afleggen (23 p.78-79). Aken werd onder Karel de
Grote uiteindelijk een eerste plaats voor duurzamer verblijf.
Romeins en Merovingisch
3. De voormalige Romeinse legerplaats en het voormalige
Merovingische koningsgoed Aquis waren door schenking een deel van het
grondbezit van de abdij van Stavelot (Stablo) geworden. Aken was het
oude Atuatuca. Vandaaruit werd het gebied van de Atuatuci uitgebreid
naar andere steunpunten, mogelijk nabij Nideggen, en naar het westen
nabij de huidige steden Luik, Maastricht en Tongeren, eventueel Namen en
Dowaai. Een apart thema voor onderzoek en discussie. Das friedliche Volk
der Atuatuker wurde durch Caesar weitgehend ausgerottet (10 p.121). Na
de slag in het Teutoburger Woud (Varus-slag) verloor Aken zijn betekenis
als militaire legerplaats, maar bleef toch van betekenis vanwege de
werkplaatsen (vooral metaalbewerking), bestuurscentrum en de thermen. In
de tweede helft van de derde eeuw vestigden er zich de eerste Frankische
militaire families. Huizen en landerijen moesten voor minstens één derde
deel afgestaan worden door de autochtone bewoners. Bovendien lagen er
allerlei voormalige militaire domeinen. De Frankische feuderaten namen
spoedig deze grondgebieden in bezit. Zo bleef een zekere continuïteit
van Aken op relatief vreedzame manier in stand. Rond 700 hielden
Merovingische koningen zich soms tijdelijk in Aken op. Maar Metz werd
toen geleidelijk aan de plaats van het regeringscentrum.
4. Hausmann noemt straatnamen als Via Hardini, Via Cardinis, Via
Mitularis, Via Cucularis en Via Ganea (10 p. 125), straten die nu nog
herkenbaar zouden zijn. Klaarblijkelijk namen uit de Romeinse tijd. Er
liep een Romeinse weg over Gemmenich naar het zuidwesten naar de Maas
bij Jupille nabij Luik. Vandaaruit zou het ook in de vroege middeleeuwen
gemakkelijk geweest zijn over de Maas en Sambre het dal van de Oise te
bereiken. Plaatsen als Attigny en Ponthion en ook de bovenloop van de
Moezel waren goeddeels over water bereikbaar. Ook was er een weg vanuit
Aken over Valkenburg naar het koningsgoed nabij Meerssen en Maastricht.
Ook hier kon men de Maas benutten voor transport. Kloosters speelden
later ook een rol in de mobiliteit: Saint-Denis, Lobbes, Fosses, Andenne,
Susteren, Aldeneyck en Odiliënberg lagen op een route. Eveneens: Gorze,
Pfalzel, Mettlach, Echternach en Prüm. Vanuit Prüm kon men over Stavelot
Aken weer bereiken. De koningsgoederen waren via deze infrastructuur
uiteraard redelijk goed bereikbaar voor de koning en zijn getrouwen en
al of niet oprechte dienstbaren.
5. De drie Pippiniden die hofmeier waren (Pippijn van Landen, Pippijn
van Herstal en Pippijn de Korte) hebben de macht van de Merovingische
dynastie stap voor stap afgebroken. Veel van wat aan de zoon van Pippijn
de Korte toegeschreven wordt – dus aan Karel de Grote- is door deze
Pippijn in de steigers gezet. Hij moet dan ook de Grote Pippijn de Korte
genoemd worden. Door adoptie was hij maatschappelijk opgeklommen tot de
status van Lombardijnse prins, een prins in de Langobardische dynastie.
Hij wou ook koning van de Franken worden. Om sterk te staan tegenover
allerlei groepen en coalities zou het keizerschap de beste positie
bieden: één God, één keizer, één absoluut heerser die uit praktische
overwegingen best bepaalde delen van het rijk kon laten regeren door
koningen als 'zonen van de keizer'. Maar de Griekssprekende keizer in
Byzantium zag zichzelf werkelijk als de enige keizer van het
christendom. Tussen Oost en West was er het taalverschil (Grieks en
Latijn), twee culturen dus. Tegelijk woedde de strijd voor en tegen
beelden en afbeeldingen (iconoclasme). De gedachten gingen uit naar een
scheiding van het christendom tussen een Oost-kerk en een West-Kerk, en
dat maakte het erkennen van twee keizers meer voor de hand liggend. Een
goede verhouding met de paus was voor Pippijn de Korte van groot belang,
maar niet zodanig dat hij van de paus afhankelijk zou worden, dus
Bonifatius moest ook aan de teugel gehouden worden. Door allerlei vormen
van tegenwerking bleef deze aartsbisschop uiteindelijk weg uit Austrasië.
En Hausmann noteert hierbij opvallend: Schon bald danach suchte er den
Tod als Märtyrer in Friesland (10 p. 110).
Kerstening van de Saksen en Awaren
6. De kerstening van de Saksen was een moeizame onderneming, die
vooral op naam van Karel de Grote gezet mag worden. Aken was daarbij een
van de belangrijke steunpunten, vooral ook in verband met de viering van
kerkelijke feestdagen. Wel 30 jaar lang volgden veroverings- en
rooftochten, bijna steeds succesvol door het militaire overwicht van een
gepantserde en getrainde Frankische cavalerie. Een relatief duur leger,
maar in feite werd dit leger gerealiseerd en bekostigd door de
grondbezitters, wat de kleinere betreft in onderlinge samenwerking.
Karel de Grote kon op deze wijze naar schatting legers van circa 3000
man mobiliseren, waarvan circa 1000 zwaar bepantserd.
Extreem harde strafbepalingen (Capitulatio de partibus Saxoniae) werden
toegepast om de kerstening af te dwingen. Beroving, landonteigening,
deportatie en politieke benoemingen werden nodig geacht om verder te
komen. In Verden vond een 'bloed-gerecht' plaats: 4500 mannen, vrouwen
en kinderen weigerden de doop en werden omgebracht, een zaak die nog
eeuwen nadreunde (Saksen-slachting). In 785 stemde Widukind erin toe
zich in Attigny te laten dopen, met Karel als peter. Vanaf die periode
werd missionering effectiever en groeiden Franken en Saksen meer naar
elkaar toe. Bisdommen werden ingesteld (Bremen, Verden en Minden),
kloosters gesticht (Corbie verhuisde bijvoorbeeld naar Korvey aan de
Weser) en wetgeving in het Latijn geformuleerd. De nieuwe wet- en
regelgeving in de Capitulare Saxonicum was milder en meer in
overeenstemming met die in andere gebieden. De Saksen stonden nu onder
Frankische heerschappij.
7. Ook volgens Rietbergen was het belangrijkste cultusobjekt van de
woeste Saksen de 'Irminsul', volgens hem gelegen op de Eresburg aan de
Diemel. Het beschermen van de Rijn als oostgrens was een Frankisch
belang, maar de expedities tegen de Saksen waren ook roofexpedities. In
782 versloeg een Saksen-coalitie onder leiding van Widukind de
Frankische troepen, maar het was een 'overwinning' van korte duur. De
eerste tekst van de Verordeningen voor de Saksengebieden bevatte heel
wat draconische decreten, die overigens korte tijd later al versoepeld
werden. Het optekenen en laten gelden van de Wetten van de Saksen schiep
toen een milder klimaat. De Avaren werden in 791 onder handen genomen en
dat leverde kennelijk een omvangrijke kostbare buit op. Ook 's konings
grootschalige bouwbeleid, dat juist in de laatste jaren van de achtste
eeuw gestalte kreeg, werd mede uit de buitgemaakte Avarenrijkdommen
gefinancierd (23 p. 42).
Aken cultureel centrum
8. Vanaf 795-796 kreeg Aken, volgens Rietbergen, een
voorkeurspositie. Gebouwd met de Avaren-buit? Reconstructies van de
residentie –die grotendeels verloren is gegaan – laten zien hoe
eenvoudig 's konings voornaamste behuizing eigenlijk was, zowel naar
vroegere, Romeins-imperiale als naar latere middeleeuws en
renaissance-vorstelijke maatstaven (23 p. 81). Het Akense paltscomplex
van 500 bij 500 meter omvatte een koningshal, de Granustoren
(privévertrekken) en een kerk met voorportaal. Het getal 12 speelde in
de maatvoering een hoofdrol. De kern van de kerk was een achthoek (een
octogoon, dus overgangsvorm tussen cirkel en vierkant) en de omtrek
bedroeg 144 voet. Er zijn overeenkomsten geconstateerd met het Lateraan
Baptisterium in Rome, de kerk van San Vitale en het mausoleum van
Theoderik de Grote in Ravenna en de eerste kerk van het Heilig Graf.
Over de troon zegt Rietbergen (23 p. 85): Recent onderzoek naar de kern
zou uitwijzen dat de zetel inderdaad uit Karels tijd stamt, en niet uit
de tiende eeuw. Vanaf die troon overzag Karel het Maria-altaar, het
Petrus-altaar en het altaar van de Verlosser.
9. Ieren brachten antieke literatuur mee naar Aken, onder meer De
Architectura libri Decem waarin de opvattingen van Vitruvius beschreven
stonden. De relatie tussen de gebouwen, elk gebouw op zichzelf en
belangrijke ornamenten en voorwerpen in de gebouwen waren ontworpen
overeenkomstig de leer van de ideale maten, en de spirituele betekenis
der getallen en de grondvormen cirkel, vierkant en octogoon. Het getal 8
speelde als symbool voor verrijzenis en wedergeboorte een belangrijke
rol in de bouw van de kerk. Het octogoon had uiteraard 8 zijden, de
ommegang 16 wanden, 24 figuren waren afgebeeld in het mozaïek van de
koepel en 32 ruimten omgaven het octogoon. Een onderlinge verhouding dus
van 1 : 2 : 3 : 4. De elementaire getallen 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9
hadden alle een bijzondere primaire betekenis, en vervolgens natuurlijk
ook de bewerkingen daarmee, zoals optellingen en vermenigvuldigingen. De
ordening van de schepping was nu eenmaal in bepaalde getallen
georganiseerd (15).
10. Vooral de onderwerping van de Awaren had veel goud, zilver en
edelstenen opgebracht, waarmee in de werkplaatsen van Aken en Stablo tal
van nieuwe, onder meer liturgische voorwerpen werden gemaakt ten behoeve
van de inrichting van een kapel/basiliek, een aula, een thermengebouw,
een mausoleum, een paleis (gelegen tussen de Petrus-Basiliek en de Aula
Regia) en andere gebouwen maar ook als geschenken die zowel eerbewijs
als verplichting inhielden. In Aken ontstond waarschijnlijk ook het
eerste westwerk dat nadien bij alle romaanse kerken gebouwd zou worden.
De genoemde bouwwerken waren waarschijnlijk in 794 grotendeels voltooid.
Het standbeeld van Theoderik (gemaakt overeenkomstig het beeld van
Marcus Aurelius) werd in 800 van Ravenna naar Aken getransporteerd. De
Granustoren als onderdeel van de Aula Regia is nog behouden. Hij staat
momenteel in de steigers.
11. Capellani waren monniken die in de liturgie een bijzondere taak
hadden en die in de kanselarij werkzaam waren: zij stelden de
belangrijke documenten op. Dat gebeurde in de zogenaamde 'hofkapel', die
in de ruimten om het atrium lag en die naar de capellani genoemd werd.
De archicapellanus leidde de werkzaamheden en was ook de geestelijke
adviseur van de koning / keizer. Een meer specifieke taak lag bij de
kanselarij, vooral in verband met de koningsoorkonden. Ze werd geleid
werd door de cancellarius. De documenten die in Aken werden opgesteld
bevatten de woorden Aquis la Capella als plaats van herkomst (naderhand
in het Frans: Aix la Chapelle).
12. Beweerd werd dat Karel Latijn sprak en verstond en Grieks begreep.
Hij zag in dat veel zaken zo op schrift gesteld moesten worden dat ze
door voldoende leden van de bevolking gelezen kon worden. Dus: een
algemene taal (een soort Latijn), duidelijke grammaticale regels en een
eenvoudig schrift. Uit de Karolingische minuskel ontwikkelde zich het
gebruikelijke schrift in de Westerse wereld. Veel richtlijnen werden via
de kloosters geordend in de Capitulare. De ontwikkeling van wetenschap
concentreerde zich rondom Aken-Stavelot. In die organisatie waren
intellectuelen als de monniken Godescalc (ontwerper van een
Evangeliarium), Alcuin (leider van de hofschool en bibliotheek), Paulus
Diaconus (goed bekend met de antieke cultuur, het christendom en de
tradities van Germanen) in Aken actief. Gegenseitig beeinflussten sich
die grössten Geister ihrer Zeit, und nach weniger Jahren erblühte in
Aquis die erste europäische Universität, wenngleich sie noch nicht
diesen Namen trug (10 p. 166).
Aken – Byzantium - Rome
13. In Aken kwam ook het stuk Libri Carolini tot stand waarin stond
dat keizerin Irene van Byzantium vanwege de zwakke kanten van haar sekse
onbekwaam was om de hoogste autoriteit te zijn in kerkelijke
aangelegenheden. Irene liet zich niet intimideren en enkele jaren later
liet ze haar zoon de ogen uitsteken vanwege zijn steun aan de
beeldenstormers en dus tegenwerkers van haar plannen. Voor Karel leek de
tijd gekomen om keizer te worden. Hij wilde dat echter niet in
ondergeschiktheid aan de paus, maar wel in Rome, en verder was er het
probleem dat Irene formeel namens haar zoon regeerde in Byzantium, dus
er zou een situatie ontstaan van twee keizers. Hij wilde ook in een
hoofdstad regeren die gezien kon worden als het nieuwe Rome en dat was
Aken. Maar wanneer moest deze kogel door de kerk? (In dit geval een erg
passende uitdrukking.) In Aken werden kritische stukken opgesteld over
Byzantium en Nicea, en in 794 veroordeelde de synode van Frankfurt (4)
de besluiten van Nicea. Verering van beelden was bijgeloof en afgoderij,
maar beelden konden wel dienen als illustraties en versieringen.
Verering van relieken moest ook voorkomen of uitgeroeid worden. In feite
legde Karel hier zijn wil op aan de paus. Unter Hadrianus Nachfolger Leo
III legt man schon die Datierung der Urkunden nach der Regierungszeit
Karls fest (10 p. 184).
14. In de omgeving van het Vaticaan ontstond de 'profetie' dat op 24
december 800 volgens de toen geldende kalender het jaar 5999 zou
eindigen, daarmee het zesde millennium, dus het begin van het einde van
aarde en mensheid, nou ja, in elk geval een tijdperk van nieuwe
heerschappij. Karel liet deze zaak nauwkeurig voorbereiden, vooral ook
wat zichzelf betreft. Onder meer werden een octogonaal mausoleum en een
graftroon ontworpen. Heute sind die Überreste des marmoren Grabthrones
als sogenannter 'Karlsthron' im Obergeschoss des Sechzehnecks
aufgestellt (10 p.197). Ongetwijfeld vroegen sommige geleerde
hofschool-leden zich af wat er zou gebeuren als het jongste gericht dan
niet plaats zou vinden. De kroning tot keizer werd gepland op 24
december 800, negen maanden na de jaarlijkse herdenking van de schepping
van de wereld en de Boodschap aan Maria, herdenkingen die samenvielen
met het begin van de lente. Bovendien had Constantijn de Grote die nacht
als tijd van de geboorte van Christus vastgesteld en zo de betekenis van
de Sol Invictus (onoverwinnelijke God) overgedragen op Christus.
Gezanten uit Jeruzalem kwamen de sleutel van het graf van Jezus en de
vlag van de stad brengen.
15. Toen het wereldeinde niet terstond plaatsvond, plaatste paus Leo
klaarblijkelijk tamelijk onverhoeds de kroon op Karel zijn hoofd: de
vanwege God gekroonde en vredebrengende keizer luidde zo toch een nieuwe
tijd in. Karel werd meteen gehuldigd als patriarch van de kerk. Met de
gang van zaken was Karel niet gelukkig: wat de paus gaf, kon hij ook
weer afnemen. Pausen en keizers zouden nog lange tijd verschillende
visies hebben op de hoogste heerschappij in deze wereld. Karel was in
elk geval diep teleurgesteld, aldus Einhard (24). Hij nam de gehele stad
Rome in bezit en trok een halfjaar later via Ravenna naar Aken terug. In
Ravenna werd het vergulde standbeeld van Theoderik meegenomen. In de
ogen van Karel was Rome niet meer de hoofdstad van het vernieuwde
Romeinse rijk, maar Aken oftewel Aquis Gran(d)i. Het duurde twaalf jaar
aleer Byzantium Karel als gelijkberechtigd keizer erkende; nu waren er
twee keizerrijken en dat hield een scheiding in tussen een Latijns en
een Grieks christendom.
16. De strijd tussen Aken en Rome was een strijd om de hoogste macht:
die van de keizer of die van de paus. Alcuin zag Aken als het nieuwe
Rome en zelfs als het nieuwe Jeruzalem (23 p. 87). Zo'n positie kostte
wel geld. Karel roofde heel wat kostbaar bezit bij elkaar van Saksen,
Avaren, Longobarden en van machthebbers in Noord-Spanje. Hij kreeg ook
veel ten geschenke (van de paus, van de kalief in Bagdad, de koning van
Mercia) en investeerde waarschijnlijk veel (onder meer in Aken) maar gaf
ook rijkelijk veel weg, behalve kennelijk de meer persoonlijke
schenkingen, zoals de inventaris van de paleiskapel in Aken. Giften
waren ook machtssymbolen en moeten ook gezien worden als het uitdelen
van verplichtingen. Van al dat vele bleef niets bewaard.
Na Karel de Grote
17. Met Karel de Kale (die in 877 overleed) kan men de periode van
de Karolingers laten eindigen. In 881 ruïneerden de Noormannen Aken en
de abdij Inden: de plundering en vernieling was desastreus.
Wahrscheinlich schleppten die Normannen bei ihrem Rückmarsch die
vergoldete Reisterstatue des Theoderichs als Beute mit sich. So ging
auch ausserlich das Kaisertum in Aquis zu Ende. Das Grab des
balsamierten Kaisers im Westjoch der Kirche blieb allerdings unentdeckt
(10 p. 222). En vanaf de tiende eeuw zouden er 30 keizers gekroond
worden.
18. In 1165 regelde Frederik Barbarossa nog een zaligverklaring van
Karel de Grote, vooral ook omdat hij zichzelf graag zag als een opvolger
van een (bijna) heilige. Deze keer werd Karels lijk niet zittend
aangetroffen maar liggend en zonder waardevolle voorwerpen. Diverse
mogelijkheden zijn er om dit verschijnsel te verklaren: mortale
vermoeidheid, een ander stoffelijk overschot dan dat van Karel en
natuurlijk ook een wonder. Interessant aspect is dat de liggende Karel
nu gevonden werd in een sarcofaag uit de Romeinse tijd, voorzien van
niet-christelijke voorstellingen van het dodenrijk. In 1215 liet
Frederiks kleinzoon Karels stoffelijk overschot bijzetten in een nieuwe
gouden schrijn, waarheen dagelijks vele mensen pelgrimeren (14). Mocht
Karel minder heilig zijn (wat ook wel sympathiek is) dan is hij in elk
geval de vader van Europa en uiteraard iemand die alle ellende met de
euro nooit gewild zou hebben. Rietbergen gelooft echt dat zich in deze
schrijn 'de keizerlijke resten' bevinden. In zekere zin gelukkig, want
nu weten Karels honderdduizenden nakomelingen tenminste wat ze niet te
zien krijgen.
Vragen bij deze geschiedschrijving
Het Frankische Aken in de achtste en negende eeuw n.Chr. is hiermee
wel in een bredere context geplaatst. Het geheel ziet er massief en
degelijk uit. Allerlei documenten worden genoemd waarin vele zaken te
lezen zijn. En ook wordt vanzelfsprekend gevonden dat archeologische
bevindingen deze geschiedschrijving onderbouwen. Kortom: aan deze
historie valt niet te twijfelen. Nemen we er voor alle zekerheid een
klassieker als Karl der Grosse van Matthias Becker bij dan wordt
bevestigd dat het verhaal van Aken in hoofdzaak juist is. En dat geldt
ook voor de tamelijk omvangrijke Karel-Aken-bibliotheek.
De geschiedenis van Aken kan in principe geschreven worden op basis van
documenten die we doorgaans 'bronnen' noemen en die ook vaak terug te
vinden zijn in bronnenboeken, verder op basis van archeologische
vondsten en bevindingen, en ten slotte op basis van een eeuwenlange
geschiedschrijving (de conventie, de traditie) die op dit moment dus
uitloopt op de boeken van Hausmann en Rietbergen. Laten we deze drie
mogelijkheden nagaan.
In de geschiedschrijvingen, die dienen om het volk te onderrichten
(vooral 19), komen we meestal geen relevante informatie tegen waarin
uiteengezet wordt welke bronnen gebruikt worden en wat de status ervan
is. Is een bron contemporain of nemen we dat maar aan. Wat is de
materiële datering van de bron? Bekend of niet bekend? Mogelijk te
dateren of niet mogelijk? Bronnen dateren op vormkenmerken is tamelijk
hachelijk. Vorm is nu eenmaal na te bootsen. Als het om latere kopieën
gaat, waarbij het origineel ontbreekt, dan moet zo'n bron genuanceerder
en kritischer beschouwd worden. Enkele voorbeelden ter toelichting. Het
verhaal van het bezoek van Otto III aan Karels lijk in Aken komt,
volgens Hausmann, uit een kroniek van circa 1030 van de
benedictijnerabdij van Novalesa, die veel aan Karel te danken had. Ook
dit verhaal werd in de loop van het tweede millennium alsmaar
fantastischer; u kunt het nu afgebeeld zien op een wand van de
indrukwekkende kroningszaal in het raadhuis van Aken: een
negentiende-eeuwse schildering. Ander voorbeeld: Karels vriend Theodulf
zou een parodie geschreven hebben op het genre van de vorstenvleierijen:
Op Koning Karel. Rietbergen deelt mee dat hij deze interpretatie niet
deelt. Interessant …..maar waarom niet? Het document is ongedateerd,
maar het zou geschreven zijn voor 'medio 800'. Hoezo? We lezen in die
tekst allerlei ceremonieel ten paleize in Aken dat teruggaat op verhalen
over Romeinse en Byzantijnse keizers. (Zie in dit verband ook een
schoolplaat van Cornelis Jetses uit 1941). Iedere keer duikt de vraag
op: Wat weten we nu echt van de genoemde bron?
In historische publicaties wordt meestal wel afstand genomen van meer
literaire bronnen. Die zouden niet of onvoldoende op feiten berusten
maar voornamelijk op verbeelding. Een onderscheid dat achteraf
vastgesteld kan worden, maar minstens twee vragen oproept: hoe ging dat
verhaal rond en wat betekende het ten tijde van de gebeurtenissen, èn:
moeten we er nu van uitgaan dat het predikaat 'literair' samenvalt
met'onbetrouwbaar en geschiedkundig irrelevant', behalve dan vanuit
literair-historisch perspectief? In het Roelantslied (de geschiedenis
van Hruodhaid, het Chanson de Roland), rond 1150 ontstaan, 350 jaren na
dato, is het Roncesvalles-drama beschreven, een literaire maar ook
historische kernzaak: als het verhaal al waar is, dan zijn het
waarschijnlijk Basken (Casconjers) geweest die de achterhoede van het
Frankische leger succesvol aanvielen. Er lijken mogelijkheden te
ontstaan om literaire bronnen te bestuderen op hun historische lading
(22).
Wat betreft de archeologische informatie, valt op dat deze steeds de
historische kennis nodig heeft om een samenhangend referentiekader op te
stellen. Van de paltsen (bijvoorbeeld Herstal, Worms, Frankfurt,
Regensburg en Paderborn), ook niet van de 'magnifieke' (Einhard) in
Ingelheim en Nijmegen, is niets overtuigends teruggevonden dat als
Karolingisch vastgesteld kan worden, althans dat is nergens zodanig
gerapporteerd. Kernpunt daarbij is dan de vraag waarom iets
achtste-eeuws in plaats van tiende-eeuws is. Deze en dergelijke vragen
blijven steeds onbeantwoord. De archeologie van Aken loopt al jaren uit
op een strijd tussen archeologie op basis van conventionele historie en
een meer autonome, van historische informatie relatief onafhankelijke
benadering. We mogen zeker vaststellen dat Aken tussen de na-Romeinse
tijd en de periode circa 1000 in archeologisch opzicht onzeker uit de
verf komt.
Het toekennen van vondsten aan de door historici onderscheiden
Karolingische tijd is vaak vaag. Bepaalde kenmerken gelden bijvoorbeeld
ook voor de negende en de tiende eeuw, dit soort nogal globale
formuleringen. Wat natuurwetenschappelijk dateren betreft wordt soms een
C-14-meting genoemd of een dendrochronologische bepaling. Dan zijn de
uitkomsten concreter. De betrouwbaarheid is niet na te gaan. Opvallend
is hoe weinig literatuur er genoemd wordt en al helemaal geen literatuur
over datering, laat staan meer kritische literatuur. Het is op allerlei
plaatsen ook moeilijk om te onderkennen wat nu uit historische bronnen
komt en wat uit archeologisch onderzoek. Zeer opmerkelijk is sinds kort
dat vooral oud archeologisch onderzoek opnieuw bestudeerd wordt:
Altgrabungen werden neu Ausgewertet. Dat is momenteel de belangrijkste
invalshoek. Er worden nu ook Langobardische ambachtslui opgevoerd als
het om de vroeg te dateren opvallende bouwactiviteiten gaat. Van de
Akense Dom wordt verondersteld dat de bouw plaatsvond in de periode van
Byzantijns bestuur. Dat staat niet ver af van het bekende verhaal van
Ravenna, maar klinkt toch anders. Vooral de mededelingen over Aken dagen
uit om de betreffende onderzoeksverslagen te verwerven en te bestuderen.
Er is geen geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Aken,
onderzoek dat toch even na 1800 begonnen is. Zo vol als Aken staat met
publieksgerichte en vooral toeristische uitgaven, zo leeg zijn de
boekhandels wat betreft publicaties over archeologsch onderzoek. Ik vond
nog wel het rapport Stadtkerngrabung in der Aachener Innenstadt (2009)
van Gjergj Frasheri. Een goed rapport, maar ik had het niet hoeven
lezen: van alles over de Romeinse tijd (uiterst omzichtig gedateerd) en
uit de latere middeleewen, maar de vroege middeleeuwen ontbreken. Aken
is vanwege de Europa-politiek een noodzakelijke Karel-residentie
geworden. Een bezoek aan het Raadhuis is voldoende om daarvan overtuigd
te raken. In 2000 werd uitbundig herdacht dat de Akenaar Karel 1200 jaar
geleden tot keizer werd gekroond, met een omvangrijke en prachtige
tentoonstelling en een boekwerk in 2 delen (samen bijna 1000
bladzijden).
In dit boekwerk is veel aandacht besteed aan archeologische vondsten
maar niet aan onderzoek. Ook in het hoofdstuk Karl der Grossen und
Aachen is wel erg weinig te vinden. We moeten het doen met een dertigtal
bladzijden die vaak niet direct terzake zijn. Voor de teksten tekenen de
archeologen Sven Schütte (uit Keulen) en Harald Müller (Berlijn). De
paltsen in Keulen en Ingelheim worden vergeleken met die in Aachen.
Schütte betoogt dat de Aachener palts gemaakt zou zijn naar het
voorbeeld van Keulen. Verder vinden we zijn verhaal over de Aachener
Thron, waarover al een paar eeuwen is geschreven. De troon komt van
elders.
Lange tijd werd de troon gedateerd in de tiende eeuw (bij voorbeeld in
verband met de kroning van Otto de Grote), maar Schütte noemt die
dateringen (dendrochronologie en C-14) nu 'hinfällig' (ontoereikend);
het absolute meten is dus wat minder absoluut als het slecht uitkomt.
Wetenschappelijk geautoriseerd heronderzoek laat nog op zich wachten.
De tekst van Müller eindigt met een passage Der Mythos 'karolingisches
Aachen' waarin hij het volgende vermeldt: Erst die Ottonen führten
Aachen in Rampenlicht reichsweiter Beachtung zurück. Die Krönung Ottos
1. am 8, August 936 begründete nicht nur eine Folge von
Herrscherserhebungen in Aachen, sie knüpfte auch dezidiert an das
Königtum Karls des Grossen an (19 p. 229). Verder zegt hij dat dat
Widukind van Corvey het Ottoonse koningschap verankerde in de traditie
van de Karolingers, concreet dus in de oude Karel-residentie in Aken.
Müllers samenvatting eindigt met de woorden: Wie in de loop van de
geschiedenis op de traditie van de gemythiseerde Karel de Grote wilde
inhaken, kon dan ook niet aan het Karolingische Aken voorbijgaan.
Bij Hausmann duikt er een bijzonder interessant punt op. Stavelot
verrichtte in Aken vermoedelijk velerlei diensten, zowel architecten en
bouwvakkers als secretarissen en boekhouders. Die brachten uiteraard hun
methoden van werken mee. Die Zahlensymbolik des 'idealschnittes' konnte
besser christliches Gedankengut zum Ausdruck bringen als es die Zahlen
des 'goldenen Schnittes' vermochten, zegt Hausmann (10 p.128). Wie de
spelregels (maten) daarvan kent, was en is beter in staat om
archeologische bevindingen te duiden. Deze Romeinse erfenis moet men dan
ook goed beheersen. Of is het zo dat een meetkundig model de duiding
zodanig bepaalt dat alles in een zekere richting gebogen wordt? Dit is
beslist de kernvraag met betrekking tot de boeken van Axel Hausmann. Het
zou goed zijn als mensen met bouwkundige interesse op dat punt dit boek
bestuderen. De Petrus-Basiliek van Aken (de Dom) is volgens Hausmann
gebouwd in de periode 751-763, tenminste het bouwwerk waar we nu nog
objecten van over zouden hebben, maar we missen in zijn boek een
argumentatie.
De dateringskwestie (16) verdient veel meer kritisch onderzoek omdat ze
van doorslaggevend belang is. Fantoomtijd-aanhangers zullen zeker vragen
of een object waarvan de leeftijd op circa 1200 jaar gedateerd wordt,
Karolingisch zou zijn. Laten we het hier wat eenvoudiger houden. Einhard
zegt van alles over jaren binnen Karels leeftijd, maar noemt slechts 1
jaar in de jarentelling, namelijk het jaar 811 waarin hij zijn testament
opstelt: "In het jaar 811 sinds de vleeswording van onze heer Jezus
Christus, in het drieënveertigste jaar van zijn bewind over het land van
de Franken en het zesendertigste van zijn bewind over Italië, in het
elfde jaar van het keizerschap en in de vierde indictie". (23) Is dit
contemporaine taal? In 312 voerden de Romeinen het tellen in indicties
in, d.w.z. in perioden van 15 jaar. Dat gebeurde in het kader van een
nieuw belastingsysteem. Het jaar 811 is inderdaad het vierde jaar van
zo'n indictie. Einhard gebruikt in deze tekst het anno domini (= sinds
de geboorte van Christus) dat heel geleidelijkaan (naar men zegt sinds
Beda Venerabilis, die volgens conventionele inzichten leefde van circa
672 tot 735) het tellen in indicties verdrong. Een bijzonder
intrigerende vraag is hoe dit overgangsproces verlopen is. Wat is
naderhand herberekend en herteld en omgenummerd bij het kopiëren? Kunnen
in dit proces van enkele eeuwen ook structurele telfouten ingeslopen
zijn of misschien wel aangebracht?
Uit deze overwegingen moeten we mijns inziens concluderen dat juist de
conventionele geschiedschrijving (vooral de negentiende-eeuwse) een
autonome kracht is achter de ontwikkeling van de geschiedschrijving. Het
zou erg interessant zijn om de scharnierpunten op te sporen waarop de
geschiedschrijving vanuit wetenschappelijk oogpunt verandert. Dat
geschiedschrijving wijzigt onder druk van politieke en economische
dominanties is bekend genoeg. In dat opzicht hebben bepaalde historici
en archeologen die het verleden maakbaar vinden wel gelijk.
De hypothese van Boidin
In Duitslands Aken rustte Karel nooit uit, zegt Boidin, en hij
spartelde daar ook niet in aangenaam warm water (daar zou dan St.-Amands-les-Eaux
voor in aanmerking komen)). Zijn alternatief (2 en 3) is de plaats Asq
of Villeneuve d'Asq, met daarbij Herseaux dat hij met Albert Delahaye
aanziet voor Herstal, al is hij in De Mythe daar vager over, en St.-Amands-les-Eaux.
Op grond van welke uitgangspunten komt Boidin tot deze visie? Ik zie
drie 'aanzetten'. Hij heeft een bepaalde kijk op de term 'Francia',
hanteert een strakke denkwijze over mobiliteit, en hij werkt voort in de
lijn van de hypothese van Albert Delahaye. Allerlei toponymische
overwegingen lijken me ook in dit geval niet relevant voor de vraag naar
het Aken van Karel de Grote.
Voor de geschiedschrijving van de vroege middeleeuwen is het van belang
om de termen Francia, Franken-rijk of Rijk van de Franken, Frankrijk,
Franken/Frankenland goed uit elkaar te houden. De term Francia valt bij
Boidin sterk samen met het huidige Frankrijk en Zuidwest-België. Maar
het rijk van de Franken oftewel het Franken-rijk was in een bepaalde
fase in de geschiedenis, vooral in de tijd van Karel Martel, Pippijn de
Korte en Karel de Grote ongetwijfeld oostwaarts uitgebreid. Nemen we dat
niet aan dan wordt de geschiedenis van en vanaf de Ottonen absurd.
Boidin is actief met het bepalen van de gebieden Neustrië en Austrasië
en hij zal ongetwijfeld geconstateerd hebben dat de term Austrasië
gebruikt/misbruikt werd voor een steeds groter oostelijk gebied. Dat
gegeven houdt echter niet in dat het Franken-rijk zich niet oostwaarts
uitbreidde. Dat gebeurde naar alle waarschijnlijkheid juist wel. De
latere geschiedenis van de Franken is niet beperkt tot wat we als het
grondgebied van Francia kunnen beschouwen. De manier waarop Boidin tegen
de Germaanse Gebieden aankijkt is typerend. In het voetspoor van
Delahaye heeft hij het over de Germaanse gebieden die gelegen waren in
Francia. Daar lagen inderdaad gebieden waar een Germaanse taal dominant
was, maar deze optie kan niet inhouden dat er geen ander Germaans gebied
bestond. Ongetwijfeld is strijd geleverd tegen Saksen in Francia, maar
dat wil niet zeggen dat er zo'n strijd elders (oostwaarts) niet geweest
zou zijn. Wie breder aankijkt tegen het rijk
van de Franken in de tijd van de Pippijnen en de Karolingers ziet dat
Aken/Aachen juist een uitstekende plaats was als nieuwe hoofdstad.
Vooral sinds Karel Martel werden Frankische legers bij voorkeur
geformeerd met bepantserde en zwaar- bewapende cavalerie. De
confrontaties vonden plaats in de periode dat er voldoende gras was voor
de paarden; de mobiliteit op zichzelf kostte dan veel minder. Vaak werd
geroofd en veroverd met meer dan één leger. Vaak lezen we ook dat van
koningsgoed naar koningsgoed getrokken werd en dat geeft ook een andere
kijk op de omvang en traagheid van een legertros. Tal van riviertjes
stelden voor goede ruiters
weinig of niets voor.
Vervoermiddel Km/uur Km/dag Ossenkar 10-15 Voetreiziger 3-6 20-40 Leger
10-60 Ruiters 50-60 Hardlopers (afwisselend) 10-12 50-65 Paard in galop
20-25 IJlboden (paarden afwisselend) 130-135 Rivierschip
(stroomafwaarts) 100-150 Zeewaardig zeilschip 120-200 Scandinavisch
langschip 260 Hanzekogge (circa 1400) 220
Ook in die tijd waren er naast natte periodes ook (erg) droge. En er
lagen wel degelijk tamelijk gebaande wegen. De mobiliteit lag
waarschijnlijk veel hoger dan Boidin veronderstelt. Wat betreft de
mobiliteit wijs ik ten slotte op een schema in het boek van Norbert
Ohler (Krieg und Frieden im Mittelalter, 1997) waarin de volgens hem
haalbare afstanden worden samengevat:
| Vervoer | km/uur | km/dag |
| Ossenkar | 10-15 | |
| Voetreiziger | 3-6 | 20-40 |
| Leger | 10-60 | |
| Ruiters | 50-60 | |
| Hardlopers (afwisselend) | 10-12 | 50-65 |
| Paard in galop | 20-25 | |
| IJlboden (paarden en boden afwisselend) | 130-135 | |
| Rivierschip (stroomafwaarts) | 100-150 | |
| Zeewaardig zeilschip | 100-200 | |
| Scandinavisch langschip (circa 800) | 260 | |
| Hanzekogge (circa 1400) | 220 |
Dat Rinus Boidin werkt in de lijn van de Albert Delahaye-hypothese is
duidelijk. Maar er is in dit geval sprake van een merkwaardige kwestie.
Delahaye beschouwde Romeins Keulen als Colonia Agrippina maar vond dat
het Agrippina van de vroege middeleeuwen Avesnes-sur-Helpe was. Herstal
bij Luik verving hij door Herseaux bij Doornik. Maar hij erkende de
geschiedenis (en de geschiedschrijving) van Aken, vooral ook in
controverse met Nijmegen. Hoofdstuk 16 van De Ware Kijk Op 1 (6) is
getiteld: De Karolingische residentie Aken. Een prachtige tekst die nog
steeds actueel is. Wie De Ware Kijk Op deel 1 (6) visie van Delahaye op
Aken wil vervangen door een alternatieve (die dan ook nog bedoeld is om
de algemene hypothese van Delahaye te ondersteunen) moet zich buigen
over de vraag waarom Delahaye vond dat hij niet om Aken/Aachen heen kon.
De opmerking van Boidin over een passage waarin Heristel wordt genoemd
(het zou niet Herstal bij Luik kunnen zijn) is niet overtuigend. Als een
tijdelijke legerplaats Heristel wordt genoemd impliceert dat niet dat er
niet ergens anders een plaats met die naam was. Matthias Becher (1 p.
71)constateert dat deze legerplaats ten zuiden van Höxter lag, en dat is
een aannemelijke locatie voor wie aanneemt dat Karel wel degelijk enkele
honderden kilometers het huidige Duitsland introk, met name langs de
befaamde Helweg via Paderborn, om zich met Saksen te verstaan. Ook de
opmerking van Boidin (3) dat Clovis in Doornik begraven ligt, is
waarschijnlijk niet juist, al is het wel zo dat Doornik in de vijfde
eeuw een belangrijke Frankische locatie was.
Besluit
Alternatieve hypotheses moeten het vaak hebben van mensen die
oorspronkelijk kunnen en durven denken. We zien conventioneel een
massieve en overweldigende geschiedschrijving van Aken. In de loop de
eeuwen is dit verhaal gevormd en verder ontwikkeld. Er was invloed van
wisselende politieke en economische machten. Wetenschappelijk gezien is
onze kennis ongetwijfeld rijker geworden door historisch en
archeologisch onderzoek, maar een belangrijke wetenschappelijke vraag is
in hoeverre de bevindingen daarvan zichzelf aanpassen in een dominantie
richting van geschiedschrijving. In hoeverre is er de mogelijkheid om
kritische kernvragen in te brengen? Het werken met een alternatieve
hypothese is ongetwijfeld een goede methode. Maar deze methode wordt pas
overtuigend als men het gehele referentiekader in ogenschouw neemt en
daar raad mee weet. De alternatieve hypothese van Rinus Boidin heeft
deze status tot nu toe niet bereikt, en dat betekent mijns inziens dat
de geschiedschrijving van de conventie, én in dit geval van Albert
Delahaye, sterker staat. Op Aken valt veel af te dingen maar op Asq nog
meer. Er is dus werk aan de winkel.
___________________________
Literatuur
1. Becker, M. Karl der Grosse, München 1999
2. Boidin, R. De Mythe, Breda 2009
3. Boidin, R.'Aken en Karel de Grote' in: SEMafoor 11-3
4. Catalogus bij de tentoonstelling Die Franken – Wegbereiter Europas,
Mannheim 1996
5. Delahaye, A. Ontspoorde historie, bewerkte en aangevuld door H. ten
Doeschate, Tilburg 1992
6. Delahaye, A. De ware kijk op.deel 1, Zundert 1984
7. Feij, G. 'Atuatuka. Cäsars Legionslager in Aachen', in: SEMafoor 9-1
p. 11-13
8. Frasheri, G. Stadtkerngrabung in der Aachener Innenstadt Rahden/Westfahlen
2009
9. Hartmann (bezorger) Deutsche Geschichte in Quellen und Darstellung,
Band 1, Frühes und hohes Mittelalter 750-1250 Stuttgart 2001 p. 5-146
10. Hausmann, A. Aachen. Residenz der Karolinger, Aken 1999 (2)
11. Hausmann, A. Aachen zur Zeit der Römer Der goldende Schnitt, Aken
2000 (2)
12. Hausmann, A. Aachen im Mittelalter. Königlicher Stuhl und
kaiserliche Stadt, Aken 2001 (2)
13. Heather, P. Invasion der Barbaren – Die Entstehung Europas im ersten
Jahrtausend
nach Christus, Klett-Cotta 2011
14. Grimme, E.G. Der Karlsschrein und der Marienschrein im Aachenar Dom
15. Hodges, A. 1 t/m 9. De anatomie van het getal, Diemen 2007
16. Illig, H. Das Erfundene Mittelalter, Hat Karl der Große je gelebt
mit aktuellem Nachwort zur Taschenbuchausgabe, München 2000
17. Jungen, M. Die Geschichte der Kaiserstadt Achen von den Römern bis
zur Neuzeit und vieles mehr Aken 2001 (2)
18. C. Koreman, C. ' Tochten van Karel de Grote', in: SEMafoor 11-3 p.
22-26
19. Kramp, M. (red), Krönungen. Könige in Aachen – Geschichte und Mythos,
deel 1 en 2, Mainz 2000
20. Maas, A.C. 'Graven naar Karolingers' in: SEMafoor 11-3 p. 30-31
21. G. Minkenberg, G. Gids door de Dom van Aken, Aken 1999
22. Rass, W. Dietrich von Bern und Karl der Grosse, deel 1, Buchen 2000,
deel 2 Buchen 2008
23. Rietbergen, P. Karel de Grote. Vader van Europa?, Amersfoort-Brugge
2009
24. Rynck, P. de Het leven van Karel de Grote, Amsterdam 1999