[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
CANANAFATIA - Land van de Lookmeesters
Gerrit Hekstra, Harich
FORUM HADRIANI. Van Romeinse stad tot monument. Redactie Wilco de
Jonge, Jos Bazelmans en Dick de Jager. Uitgeverij Matrijs 2006. 504
p. met kaart. ISBN 90 5345 291 5.
Dit is geen gewone boekbespreking. Van dit rijk geďllustreerde en
schitterend uitgegeven boek, waaraan door veel auteurs is
meegewerkt, bespreek ik voor SEMafoor slechts een deel. Op de
gecompliceerde geschiedenis van de opgravingen en op de vondsten
zelf ga ik niet in. Het is nog een wonder dat in dit dichtbebouwde
stukje Nederland nog zo veel is opgegraven. We beperken ons tot
feitelijke en geloofwaardige bevindingen van de bronstijd/ijzertijd
tot en met de middeleeuwen, waarbij we speculaties van de auteurs
zoveel mogelijk uit de weg gaan. Dan nog blijft er ruimte voor
discussie. De auteurs zijn de discussie met Albert Delahaye uit de
weg gegaan.
Bronstijd (2000-800) en ijzertijd (800-begin jaartelling) (Robert
van Heeringen)
Op de oostflank van de strandwal waarop Forum Hadriani is
gelegen lagen diverse nederzettingen van omstreeks 1700-1400 v.Chr.
met aardewerk en ontwateringsgreppels aan de rand van het veen. Ook
een bronzen speerpunt werd er gevonden. Ten zuidwesten van de Oude
Duinen bleef een open laagvlakte (de Voorden) waarop bij
overstromingen (Duinkerke-0) vanuit de oer-Gantel jonge zeeklei werd
aangevoerd en geërodeerde veenlagen werden afgedekt met klei (fig.
p. 23). In de geul van de Gantel was 20 km van zee blijkens de
afzettingen van grof zand en grind de getijdestroom sterker dan 1 m/sec.
Sterk genoeg om gaten in het veen te slaan, getuige (ooit drijvende)
afgeronde plakken veen. Er zijn geen sporen van bewoning.
Nieuwe fenomenen in de ijzertijd zijn zoutwinning en steken van turf
en gebruik van de keerploeg.
Pas tussen 700-400 v.Chr. blijkt er veen (en zout?) te worden
gewonnen in de zijgeul van Poeldijk richting Monster, maar die is
later weer overdekt geraakt vanuit de oer-Gantel. Op die kleilaag,
die het stroomgebied van de oer-Gantel aanmerkelijk heeft verkleind,
ontstaan nu nederzettingen uit de late ijzertijd. Er zijn zelfs
houten beschoeiingen gevonden langs een kreek gedateerd op resp
350-173 en 171-52 v.Chr. Waren het uitgangspunten voor het graven
van de Corbulo-gracht? Waren de toenmalige bewoners Cananefaten?
Beide vragen betreffen de komst van de Romeinen.
West-Nederland in de vroeg-Romeinse tijd (Jos Bazelmans en Wilco
de Jonge)
Het langs de rivieren en Oude Rijn en Maas en het langs de kust
goed bereikbaar kwelderland met het erachter gelegen gedraineerd
veen en de hoger gelegen strand- en oeverwallen, zal omstreeks een
eeuw voor de jaartelling door niet meer dan 5000 mensen zijn bewoond
geweest; dus bijna leeg. De Duinkerke-I-transgressie (hoogtepunt 100
jaar voor de jaartelling) wordt vaak als oorzaak gezien voor het
vrijwel verdwijnen van de bevolking. Het schaarse
streepband-aardewerk suggereert relaties met het kustgebied van
Noord-Hollandse tot het Friese terpen. Maar er is ook als 'Keltisch'
aangeduid aardewerk uit het zuiden (Vlaanderen) met kamversieringen,
die tot in Noord-Holland zijn te vinden. Zogenaamde 'Keltische'
munten uit de derde eeuw v.Chr. ontbreken geheel in het Hollandse
kustgebied. Ook de zo typische glazen armbanden uit het stroomgebied
van Maas en Neder-Rijn ontbreken geheel in het gebied tussen
Maasmond en Oude Rijn. De schaarse bevolking had haar verbindingen
mogelijk vooral over zee, zo menen Jos Bazelmans en Wilco de Jonge.
Kunnen die hoogstens 5000 bewoners een vuist hebben gemaakt tegen
binnendringende Romeinen of hebben ze juist militaire hulptroepen
geleverd? Genoemde auteurs brengen dan Romeinse teksten over
Cananefaten en Bataven met dit gebied in verband: heldhaftige
strijders in dienst van de Romeinen, die niet onderdeden voor de
veel prominentere Ubii en Treveri. Maar hoe kan dat? Het gebied werd
immers nooit door Julius Caesar bezocht (De Bello Gallico, 51 v.Chr.).
Renée Proos probeert dan de veldheer Drusus (12 v.Chr.), die forten
bouwde bij Nijmegen, Xanten en in het dal van de Lippe, ook even te
laten opdraven om manschappen bij de Cananefaten te ronselen: een
ala en een cohors, zo'n duizend man in totaal (en dat op 5000
bewoners? haast onbegrijpelijk). De Keltisch-Romeins aandoende naam
Cananefates zou volgens Lauran Toorians zoveel betekenen als
prei-heren of lookmeesters.
Wat dichter in de buurt dan de Bataven komt de opstand van de
Friezen tegen Romeinse afpersing. Vermoedelijk belegerden zij in 28
n.Chr. een Romeinse versterking bij Velsen, waarbij meer dan 3000
soldaten zouden zijn omgekomen. Onder keizer Caligula wordt dan in
39 een nieuw verdrag met de Friezen gesloten. Zijn bevelhebber
Gnaius Domitius Corbulo hernieuwde het fort bij Velsen, bouwde een
fort bij Valkenburg (het Praetorium Agrippinae, genoemd naar
Caligula's moeder) en versterkingen langs de zuidoever van de Oude
Rijn. Vandaar liet hij een 30 km lange waterweg graven naar het
Helinium (de Maasmonding), de zogenaamde Corbulo-gracht, ongeveer de
huidige Vliet. Daarbij is waarschijnlijk gebruikgemaakt van een geul
aan de bovenloop van de oer-Gantel (fig. p. 23). Bij Valkenburg is
een kluitje koperen Romeinse munten gevonden, geslagen tussen 10 en
23 n.Chr. Keizer Caligula kwam zelf op bezoek in 40 n.Chr. Onder
zijn opvolger Claudius wordt in 42-43 de Romeinse grens of limes op
de zuidelijke Rijnoever uitgebouwd. Dat het door Ptolemeus en op de
Peutinger-kaart genoemde Lugdunum aan de Rijnmonding zou hebben
gelegen (Katwijk, Leiden?) is de algemene Nederlandse speculatie en
zo ook van Tom Buijtendorp.
Beter onderbouwt Tom Buijtendorp de nederzettingen langs de Vliet
bij Voorburg. Vondstmateriaal bestaat in hoofdzaak uit inheems
aardewerk en enige importgoederen: amforen (Romeinse wijnvaten), een
kapfibula en glaswerk. Bij de Corbulo-gracht, gegraven in 47, zijn
vlootstempels en vloertegels (van een badhuis?) met stempel van het
zestiende legioen gevonden. Buitendorp neemt verder aan dat de
Bataafse opstand (69-70) tussen Beneden-Rijn en Maas (Betuwe) ook
invloed heeft gehad op de limes aan de Oude Rijn, met name door de
komst van buitenlandse troepen en vervanging van het inheems
bestuur. Daarbij lijkt Voorburg zich tot gezagscentrum met
marktplaats en badhuis te ontwikkelen, met baksteenstempels van het
tiende legioen (jaren 70-104).
Onder keizer Domitianus (81-96) werd het militaire district Germania
vervangen door twee provincies onder burgerlijk bestuur: Germania
Inferior en Superior. Voorburg lag in Germania Inferior met
hoofdstad Keulen. Tussen 90 en 95 komen in Voorburg plotseling veel
munten in omloop. De Domitiaanse nederzetting krijgt een hoofdweg
over de strandwal en deze, later “heerweg” genoemde weg, gaat over
sporen van oudere nederzettingen heen. Er was waarschijnlijk een
haven aan de gracht.
De ontwikkeling tot Forum Hadriani volgt in 121. Keizer Hadrianus
(117-138) zou van Marseille langs Lyon en Mainz en de Rijn-limes
zijn gereisd, om in 122 in Brittannia aan te komen. Hij kan Voorburg
hebben aangedaan maar dat is niet zeker. Bezoek van de keizer en
zijn grote gevolg moet een geweldige bedrijvigheid op gang hebben
gebracht en een impuls zijn geweest voor de hele regio.
Importaardewerk neemt in de hele regio na 120 sterk toe. In de
periode 124-126 werd de limes-weg grootscheeps gerenoveerd, o.a. bij
Valkenburg en de Meern, en werden de forten in Zwammerdam, Utrecht
en Vechten verbouwd. In Voorburg verschenen toen planmatig
aangelegde woonhuizen en een met muurschilderingen versierd badhuis.
Aan de bouwactiviteiten heeft, getuige stempels, mogelijk het Zesde
Legioen uit Xanten deelgenomen, meegetrokken met de keizer. (Ook aan
de 100 km lange muur van Hadrianus in Brittannia hadden meegetrokken
legioenen deelgenomen).
De naam Forum Hadriani kan tijdens of vlak na het bezoek van
Hadrianus zijn verleend en wijst op marktrecht, maar waarschijnlijk
werd er lang daarvoor ook al markt gehouden. Marktrecht is wel een
opstap naar stadsrecht (municipium). Op een mijlpaal van het
Wateringse Veld blijkt Voorburg onder keizer Antoninus Pius in 151
“Municipium Aelium Cananefatium” te zijn. Aelia is de familienaam
van Hadrianus en Antoninus Pius (138-161) was zijn adoptiezoon. In
die tijd kreeg Voorburg verdedigingswerken en een uitgebreider
stratenplan. Het verleggen van de stadsgrens werd als het ware met
verheffing tot municipium gesanctioneerd. De mijlpaal op het
Wateringse Veld is niet dóór (2e naamval), maar ter ere van (derde
naamval) Antonius Pius in 151 opgericht, aldus Ab Waasdorp.
Op een sarcofaag, gevonden in Környe in Hongarije, vermeldt het
grafschrift, gedateerd tussen 170 en 250, dat deze inscriptie is
geplaatst door een arts bij het eerste legioen ter gedachtenis aan
zijn vrouw, afkomstig uit Forum Hadrianensis in de provincie
Germania Inferior. Ab Waasdorp twijfelt niet dat dit slaat op
Voorburg. Dan is er ook nog de mijlpaal van Rijswijk, die door de
civitas van de Cananefaten is opgericht voor keizer Gaius Messius
Quintus. Een derde belangrijke inscriptie is een fragment met DEC
MUN en daaronder ANI. Sommigen lezen hierin Decurio Municipi (gemeente-raad)
van Forum Hadriani, maar dat wijst Ab Waasdorp af.
Uit de zeer verbrokkelde vondsten (het gebied is momenteel sterk
stedelijk bebouwd) is toch op papier een goede reconstructie van de
Romeinse stad met wallen, poorten, straten en bouwwerken en
landelijke omgeving mogelijk gebleken (Tom Buijtendorp). Ook de
reconstructie van Romeinse wegen, met mijlpalen, en de gracht (van
Corbulo?) doet overtuigend aan (fig. p. 119 onder). Voorzover
leesbaar staat op de mijlpalen steeds dat ze door de Cananafaten
zijn opgericht; die van Monster is van 162. De huidige Vliet volgt
ten dele de oude gracht.
Het landelijke gebied in de wijde omgeving vertoont diverse
woonstal-boerderijen op 300-500 m van elkaar met een stelsel van
sloten daartussen en enkele afvoerkanalen. Dit alles wijst op
individueel eigendom. Het ontbreken van waterputten wijst erop dat
het slootwater ook kon worden gedronken.
De verkaveling wijst op landmeetkundig inzicht met gebruikmaking van
de groma en gulden snede (Heleen van Londen). Een wat grotere
nederzetting met geheel inheemse bouwtraditie was gelegen op een
stroomrug op 600 m afstand van de stad en is nu onder de golfbaan
Leeuwenbergh gelegen (Jasper de Bruin en Hans Koot). Er zijn vijf
bouwperioden te onderscheiden van 40 tot 250, met in de laatste
fasen toenemend Romeinse invloeden (fibulae, munten, militaria). Het
traditionele leven bleef dus lang naast de Romeinse stad bestaan.
Ergens tussen 250 en 275 is Forum Hadriani grotendeels verlaten,
maar er kan een restbevolking zijn overgebleven.
De teloorgang (Wilco de Jonge)
Allereerst kan er een verband bestaan met de zgn.
Duinkerke-II-transgressie in de delta van de beneden-rivieren. Het
is waarschijnlijk geen toeval dat er van de vele bij Colijnsplaat
gevonden Nehalennia-altaren, geen enkele na 227 kan worden
gedateerd. De Lage Landen raakten ontvolkt. Sedert in 235 de keizer
in Rome gewelddadig om het leven kwam werd het rijk ontredderd en
stortte de gemilitariseerde cultuur in. Aan de benedenloop van de
Rijn staan in de jaren na 240 verschillende limes-forten in brand.
Maar er zijn ook tekenen dat die werden hersteld en dat tot
omstreeks 250 de rust was weergekeerd. Als dan in 256-257 Germaanse
stammen tussen Keulen en Trier over de limes binnenvallen, begint
het verval van het rijk. Omstreeks 252 wordt ook Forum Hadriani
getroffen door de zogenaamde epidemie van Cyprianus (die duurde tot
266 en ze leidde in Rome tot ernstige christenvervolgingen). Import
van aardewerk uit het Rijnland is na 260 tot stilstand gekomen. In
260 volgen opnieuw op grote schaal invallen en vermoedelijk worden
forten aan de West-Nederlandse limes opgegeven, maar brandlagen
ontbreken nu. Vooral in Vlaanderen worden veel schatten begraven,
met veel munten uit de westelijke civitates. Drie spreukbekers in FH
wijzen omstreeks 270 op import door Germaanse immigranten vanuit
Trier, maar steen uit de Eifel wordt schaars en hergebruikt.
Intussen ontvolkte het gebied van Denemarken tot Friesland van
halverwege de derde tot in de vierde eeuw.
Steeds meer Germanen worden na 275 het rijk binnengelaten allereerst
met het oog op herstel van de landbouw en verder als huurlingen in
Romeinse dienst. Een aantal munten, fibulae en begravingen
suggereren een herbewoning van FH na 276 door vooral Germanen, maar
zonder stedelijke cultuur. In 297 snoeft Constantius Chlorus: “En
dus is het nu voor mij dat de Chamaaf en de Fries ploegen, en dat de
vagebond en de plunderaar zwoegen op de cultuur van het
verwaarloosde platteland en dat zij mijn markten bezoeken met vee
voor de verkoop en dat de barbaarse boer de prijs verlaagt. Daarbij
komt nog dat hij, als hij wordt opgeroepen voor de legerdienst, hij
komt aanrennen en onder de knoet van de discipline wordt gebracht;
hij onderwerpt zich aan de zweep en feliciteert zichzelf dan met
zijn dienstbaarheid door het soldatenleven te noemen” .
Voorburg in de vroege middeleeuwen tot 1000 (Wilco de Jonge)
In 276 wordt de rijksgrens geheel van troepen ontdaan. De
schaarse vondsten wijzen uit dat er vooral op de Oude Duinen en bij
de grote rivieren wordt gewoond. Alle Hollandse veengebieden waren
te nat voor bewoning geworden. Het ontvolkte westen werd spoedig
bewoond door arme immigranten, met vooral agrarische
zelfvoorziening, zonder Romeinse luxe; een terugval in de
voor-Romeinse ijzertijd. Bij de riviermondingen leven wat schippers
en handelaren. Afgezien van een armetierig dorpje bij Katwijk en
drie grafveldjes bij Monster, Rijnsburg en Katwijk zijn er geen
vondsten van betekenis. Mogelijk ligt er nog wat onder de jonge
duinen. Importaardewerk uit het Rijnland neemt na 300 toe. De
immigranten na 350 (in Vlaanderen na 360) waren waarschijnlijk
Germaanstalig, Saksen of Angelsaksen. Ze ontwikkelden zich langs de
kusten en riviermondingen tot een ware plaag. Dat noopte de Romeinen
tot nieuwe versterkingen, na 400 Litus Saxonicum genoemd, met posten
te Brittenburg, Voorne, Goeree en waarschijnlijk Ockenburg. Een
vroegmiddeleeuwse aardewerkpot met crematiesporen, opgegraven op het
FH-terrein en gedateerd tussen 275 en 450, vertoont overeenkomst met
Angelsaksisch aardewerk uit Noord-Duitsland en Oost-Engeland. Meer
valt er niet van te zeggen.
Over West-Nederland tot circa 500 bestaan geen betrouwbare
schriftelijke bronnen. Pas Procopius (tussen 495 en 562) vertelt
Frankische ambassadeurs ook Angelen in Constantinopel. Van hen komt
het verhaal bij de monding van de Rijn betreffende Radiger, zoon van
koning Hermegisklus van de Varni, die verloofd was met een prinses
van de Angelen. Hij verbrak de verloving om met Theudechildis,
zuster van de Frankenkoning Theudebert te trouwen. Maar de
verstotene neemt wraak en zeilt met 400 schepen de monding van de
Rijn op, waarna Radiger om genade smeekt en alsnog met haar trouwt.
Over de kerstening van het gebied kan slechts worden gespeculeerd.
Na aftocht van de Romeinen kunnen Frankische vorsten (Merovingers en
Karolingers), al dan niet met collaborerende missionarissen, hebben
getracht het gebied bezuiden de limes over te nemen, maar in de
omgeving van FH is daar geen bewijs voor. Op het terrein van FH uit
de vroege middeleeuwen gaan de vondsten slechts om een kogelpot en
een gouden Madelinusmunt uit Dorestad (circa 625-650). Voorts
scherven die erop wijzen dat de gracht tot in de veertiende eeuw
heeft bestaan.
De eerste schriftelijk vermelding van Fore(n)burg staat in het
Cartularium van Radboud en de goederenlijst van de Sint Maartenskerk
te Utrecht van waarschijnlijk 880-896 (kopieën van 1075 en 1170). De
Utrechtse Sint Maartenskerk maakt aanspraak op twee boerderijen te
Voorburg, wat indirect kan wijzen op de stichting van een kerk
tussen 719 en 854. Heeft vóór de oude Romeinse gracht of muur een
burcht gestaan waaraan Voorburg zijn naam ontleent? Onbetrouwbaar is
de geschiedschrijving door Johannes de Beke omstreeks 1350 over
Denen die met de Noormannen in 856 eerst Dorestad, en daarna het
fort van Aurindubius, eens koning bij Voorburg dichtbij Delft,
verwoestten. In andere transscripties van De Beke staat castrum
minutissimum Aurindilii te Vorenburch. In zijn kritiek op een rond
1440 geschreven “Kroniek van Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht”
waarin een koning Eseloor te Voorburg wordt vermeld, verwerpt de
criticus Petrus Scriverius in zijn Goudse Kroniekje van 1663 het
hele verhaal als een op Johannes de Beke terug te voeren fabel. De
lange oren in de fabel kunnen slaan op lauweren in een kroon, als op
de beeldenaar van Romeinse munten. Maar er bestaan wel goudmunten
(gevonden in het Brabantse Escharen) met de omschriften AVDVLFVS
FRISIA (voorzijde) en VICTVRIA AVDVLFO (keerzijde) en ook FRISIA
(voorzijde) en AVDVLFVS (keerzijde). Het zijn goed gedateerde
Byzantijnse munten van 579 die na 587 ook algemeen ingang vonden
onder de Merovingers.
Het verband met de fabel van een Voorburgse vorst Eseloor blijft
rondzingen. Tussen Voorburg en Leidschendam lag op een vroeger duin
de met elzen begroeide heuvel Elsberg, die een rol speelde in de
jaarlijkse processie ter ere van Sint Martinus, patroonheilige van
de parochie. De heuvel lag langs de weg van FH naar Matilo (Leiden)
en er zijn veel Romeinse munten bij gevonden, wat kan duiden op een
religieuze rol al in die tijd. In de fabels eromheen zou Elsberg van
Eseloorsberg komen. Bij de Elsberg, bij de “capelle te Veur”, is ook
een Romeinse zuil met religieuze inscriptie CASTISS DEI HABITACVLO
NON NISI CASTA MENTE TO gevonden (de woning van de allerzuiverste
God mag men slechts met een zuivere geest betreden). Het kan een
later aangebrachte inscriptie zijn in verband met de
Sint-Martinusprocessie tussen Geestbrug, Elsberg en parochiekerk,
genoemd naar de door de Merovingers geďntroduceerde Sint Martinus.
Dan zou de in oorsprong heidense Elsberg een gekerstende heilige
plaats zijn geworden (en dan tussen 1627 en 1667 onder calvinistisch
bewind afgegraven).
Voorburg in de late middeleeuwen, 1000-1500 (Wilco de Jonge)
Verder valt enige eeuwen niets te melden. In 1076 is sprake van
een Evert van den Binckhorst en in 1308 wordt het kasteeltje De
Binckhorst gebouwd. Mogelijk waren de heren ook bezitters van de
percelen van FH. Tussen 1175 en 1250 wordt de Vliet gegraven. De
ambachtsheerlijkheid van Voorburg gaat omstreeks 1300 over naar de
invloedrijke Van Wassenaers. Omstreeks 1348 verschijnt het bezit De
Loo in een grafelijk leenregister. Tussen de strandwallen van
Voorburg en Den Haag zijn nu twee ontginningsperioden aantoonbaar
van 1350 of eerder. In 1344-1345 wordt dwars op de Vliet de
Trekvliet gegraven en waar die de strandwal met daarop de “Herewech”
kruist komt de Geestbrug. Diagonaal over het voormalig FH-terrein
loopt het “Burchpat” of “Kerckpat” vanaf de Oude Tolbrug over de
Vliet naar de Geestbrug, bij de “Heilige Geest” (eerste vermelding,
samen met het Kerckpat, in 1435, in een kopie van een schenking in
1423 van een perceel op het FH-terrein). Uit een kerkelijk
memorieboek tussen 1515 en 1522 zijn ook belendende percelen op het
FH-terrein bekend; allemaal “kleine luyden met miezerig kleine
lapjes grond”. Het FH-terrein werd successievelijk van handzame
bouwmaterialen ontdaan voor hergebruik elders, zoals blijkt uit
opgravingen in de wijde omtrek.
In 1557 brak de pest uit, waardoor 500 dorpelingen omkwamen, bijna
tweederde van de bevolking. In de jaren zestig mislukten de oogsten
en brak er hongersnood uit en direct daarna volgde de Tachtigjarige
Oorlog, de moderne tijd, aldus Wilco de Jonge.
Discussie
In het bovenstaande heb ik summier samengevat wat bij mij uit
het archeologisch materiaal en de interpretaties als redelijk
aannemelijk overkomt. Het betreft een scherpe selectie uit de 200
pagina's tot en met de middeleeuwen. De overige 300 pagina's met
details van de roerige opgravingen en de vondsten laat ik buiten
beschouwing. De archeologen en historici hebben vaak met elkaar
overhoop gelegen en ook daarvan geeft dit boek een goed relaas, met
uiteraard het eigen eindoordeel van de redactie. Wat opvalt bij de
vele beschouwingen is het volstrekt ontbreken van verwijzingen naar
de kritieken van Albert Delahaye. Daar de auteurs bekend zijn met de
werken van Delahaye, kan hier slechts sprake zijn van een bewust
negeren. Al hadden ze maar aangegeven waarom ze het niet met zijn
interpretatie eens zijn. Delahaye geeft aan een aantal namen en
locaties een heel andere interpretatie (De Ware Kijk Op… deel II);
zie ook onderstaande noot.
Verreweg het belangrijkst is Delahayes interpretatie van de bovenste
weg op de Peutinger-kaart.
Voor hem ligt deze geheel in Noord-Frankrijk. Rhenus =
Schelde(complex); Lugdunum = Leulinghen; Praetorium Agrippinae =
Elinghen; Foro Adriani = Hardinghen; Matilone = Le Mat; Albanianis =
Alembon; Nigropullo = Noires-Terres; Lauri = Lumbres; Fletione =
Flechin. En dan zijn we al voorbij Utrecht volgens de gangbare
interpretatie. De naam van Corbulo leeft volgens Delahaye voort in
Corbehem. Het Helinium is de Liane ten zuiden van Boulogne en wordt
nog in de middeleeuwen Helena genoemd. Boulogne wordt hoofdplaats
van Germania Inferior (= Germania Secunda). De kust ten zuiden van
Boulogne is de Litus Saxonicum met de prefectuur voor Britannia,
omdat een deel van de Engelse kust onder zijn commando stond. De
Litus Saxonicum strekte zich uit tot Normandië.
Delahaye ontkent niet dat er veel archeologische vondsten zijn
gedaan langs de Beneden-Rijn en Oude Rijn, maar die wijzen volgens
hem niet op de verdedigingslinie die Drusus in 9 v.Chr. aanlegde en
die in de eerste en derde eeuw Limes Germanicus werd genoemd. De
vondsten voor de kust van Katwijk worden zijns inziens ten onrechte
aan een vermeende Brittenburg toegeschreven. In eerste instantie
betrof de Limes Germanicus slechts de verdedigingslijn
Trier-Straatsburg, die later werd uitgebreid tot
Boulogne-Straatsburg, met 50 forten tussen Boulogne en Feignies.
Keizer Claudius beëindigt de woelingen in Gallia en verbiedt daar in
50 n.Chr. de bloedige onderdrukking van de Germanen. Steeds komen
dezelfde stammen ter sprake die Caesar al eerder had bestreden of
over de Rhenus had gejaagd. In de loop van de vierde eeuw hebben de
Romeinen zich achter de Germanengrens (limes) teruggetrokken en de
Germaanse gebieden van België en Noordoost-Frankrijk verlaten. De
volledig bij het rijk ingelijfde provincies van Gallia en ten zuiden
van Mainz wilden zij behouden. Ook ten tijde van Karel de Grote is
de Limes Germanicus nog steeds de lijn Trier-Straatsburg-Boulogne.
Het gebied vanaf de Schelde naar het noorden beschouwt Delahaye als
het gebied van de Fresones en andere Germaanse stammen. Nooit
behoorde het tot Gallia of Francia. Felison, het vermeende Velsen,
waar Friezen tegen de Romeinen in opstand zouden zijn gekomen, is
Feuvhy, op 7 km zuidoost van Béthune, in de pagus Kinnehim, heden
Cuinchy. In verbinding met de Fresones is al bij Caesar sprake van
Ubii en Treveri. De Ubi plaatst Delahaye in Aubigny-en-Artois, 14 km
noordwest van Atrecht; zij waren medestichters van Colonia Agrippina
= Avesnes-sur-Helpe. De Treveri komen uit Trier en omgeving. De
Caninefaten (let op zijn spelling) en Chamavi beschouwt hij als
bewoners 15 km ten zuidoosten van Rijsel (huidige Genech en
Camphin-en-Pélčve). Constantius Chlorus, die in 297 (of 293?)
snoefde dat de Chamaaf en de Fries nu voor hem ploegen en zijn
markten bezoeken met vee voor de verkoop deed dit in de Batavia =
Béthune, niet de Betuwe.
De Frankenkoning Theudebert (circa 546), broer van Theudechildis,
bedwingt de Thuringi (Doornik) Norsavoren (Nordgau Elzas) en
Wisigothen (noordelijke kust Francia; Gosnay?), maar werd in
Soissons gevangen en verbannen door Sigebert. Ook versloeg hij een
grote vloot van Noormannen, maar dus niet in Nederland. Ten slotte
het zogenaamde Cartularium van Radboud en de zogenaamde claim van de
Sint Maartenskerk te Utrecht: ze hebben in feite betrekking op uit
hun verband gerukte schenkingen in Frans-Vlaanderen.
Conclusies
Welke gegevens uit het boek Forum Hadriani zouden de kritieken
van Delahaye hebben doorstaan? Laat ons voorop stellen dat Delahaye
de opgravingen van na zijn dood in 1987 niet heeft gekend.
Die betreffen allereerst vondsten uit de steentijd, bronstijd,
ijzertijd en zelfs de vroeg-Romeinse tijd; ook Romeinse forten langs
de Oude Rijn. Hij had ze als vondsten zeker aanvaard en erkend, ook
het zogenaamde ‘Keltisch’ aardewerk en de 'Keltische' munten, maar
niet de verbinding met Cananefati, Batavi, Fresones, Ubii en Treveri
uit vroeg-Romeinse teksten. De kritiek begint daar.
Harde gegevens blijven:
* De bij Valkenburg op een kluitje gevonden koperen Romeinse munten
geslagen tussen 10 en 23.
* Romeinse importgoederen (amforen, kapfibula en glaswerk) en
vlootstempels en vloertegels met stempel van het zestiende legioen
en baksteenstempels van het tiende legioen (circa 70-104).
* Tussen 90 en 95 in Voorburg komen plotseling vele munten in
omloop.
* De hoofdweg over de strandwal ('heerweg'), gaat over sporen van
oudere nederzettingen heen.
* Snelle toename van importaardewerk in de hele regio na 120.
* Gerenoveerde weg, o.a. bij Valkenburg en de Meern, en verbouwde
forten Zwammerdam, Utrecht en Vechten in de periode 124-126.
* In Voorburg verschenen toen planmatig aangelegde woonhuizen en een
met muurschilderingen versierd badhuis (met mogelijk stempels van
het zesde legioen uit Xanten).
* De mijlpaal van het Wateringse Veld met opschrift “Municipium
Aelium Cananefatium” ter ere van keizer Antoninus Pius in 151.
* Aanleg van verdedigingswerken en uitgebreider stratenplan van
Voorburg (verheffing tot municipium kan de stadsuitbreiding hebben
gesanctioneerd).
* Import van aardewerk uit het Rijnland is na 260 tot stilstand
gekomen.
* De mijlpaal van Rijswijk, door de civitas van de Cananefaten
opgericht voor keizer Gaius Messius Quintus.
* De mijlpaal van Monster opgericht in 162 door de Cananefaten.
* De reconstructie van Romeinse wegen en het kanaal langs de stad
doet overtuigend aan, maar de naam Corbulo er aan te geven is
speculatie.
* Naast de stad lag een wat grotere nederzetting met geheel inheemse
bouwtraditie en pas in bovenste lagen enige Romeinse invloeden
(fibulae, munten, militaria). Het traditionele leven bleef dus lang
naast de Romeinse stad bestaan die tussen 250 en 275 grotendeels
werd verlaten.
* Na 300 neemt importaardewerk uit het Rijnland toe.
* Ten slotte een kogelpot en een gouden Madelinusmunt uit Dorestad
(circa 625-650).
Nergens is bewezen dat de Romeinse stad bij Voorburg Forum Hadriani
heeft geheten.
De steen met fragmentaire inscriptie DEC MUN en daaronder ANI wordt
door sommigen gelezen als Decurio Municipi (gemeente-raad) van Forum
Hadriani. Anderen bestrijden die interpretatie. Ook de sarcofaag in
Környe in Hongarije met een tussen 170 en 250 gedateerd grafschrift
door een arts bij het eerste legioen ter gedachtenis aan zijn vrouw,
afkomstig uit Forum Hadrianensis in de provincie Germania Inferior,
is geen bewijs. Germania Inferior had als hoofdstad Boulogne en
Forum Hadriani (Foro Adriani) werd door Delahaye als Hardinghen
geďdentificeerd.
Dus blijven over de mijlpalen geplaatst door de Cananefaten.
Zullen we Zuid-Holland tussen Oude Rijn en Maas dan maar Cananafatia,
Land van de Lookmeesters, noemen?