[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
DE DA VINCI CODE
EN DE GESCHIEDENIS VAN DE LAGE LANDEN
Ad Maas, Leende
Het boek De Da Vinci Code van Dan Brown kun je vanuit verschillende
perspectieven bekijken. De roman biedt ook een aantal aandachtspunten
voor onderzoek en studie van de geschiedenis van de Nederlanden. Ik maak
een onderscheid tussen het verhaal met een boodschap en het verhaal als
historische documentatie.De roman
Brown beschrijft een aantal verwikkelingen die plaatsvinden in een tijdsbestek van twee dagen en die best spannende stof bieden, maar tegelijk ook ongeloofwaardig zijn. Als script voor een onderhoudende film is het boek ongetwijfeld geslaagd. Het ophelderen en verklaren van allerlei verborgen boodschappen (in anagrammen en getallenspellen) is een aantrekkelijk aspect van de roman. Je moet daarin meedenken. Een verdienste van het boek is ook dat Brown nogal eens met interessante etymologische invallen (1) voor de dag komt. Ikzelf heb teveel hinder van overdreven en ‘onmogelijke’ toestanden om echt helemaal op te gaan in deze en dergelijke lectuur. Het is mijns inziens geen product met literaire waarde, maar ik besef dat zo’n waardering amper te beargumenteren is. Over de vraag wat Brown duidelijk wil maken valt van alles te zeggen. Het gaat over de zoektocht en de identiteit van de graal. Het uiteindelijke resultaat van die zoektocht is oppervlakkig gezien niet spectaculair. Er wordt geen voorwerp gevonden en ook niet een document dat de graal genoemd kan worden, niets tastbaars dus. Zelfs een mogelijke vindplaats is speculatief. De graal blijkt niet te slaan op voorwerpen of documenten (op dat vlak is alles voorondersteld en niet aantoonbaar) en de einduitslag is dat de graal een geheim en een boodschap is. De Priorij van Sion (zie verderop) heeft volgens deze roman namelijk besloten om niet bekend te maken wat de graal inhoudt (dat is dus het geheim) en Brown zelf komt met een bepaalde interpretatie van het graal-verhaal (de boodschap) en juist die interpretatie is interessant, maar merkwaardig genoeg zelden in de commentaren onder ogen gezien. De graal is volgens Brown om te beginnen de verloren gegane herinnering aan de vrouwelijke goddelijkheid. Het christendom heeft deze herinnering vernietigd; deze religie is een interpretatie en beleving van de werkelijkheid in een mannenheerschappij. De vrouw werd een loot van de man. En nog een zondige ook. Genesis was het begin van het einde voor de godin, lezen we (p. 230). In de tijd van keizer Constantijn de Grote en het concilie van Nicea is deze mannelijke hegemonie georganiseerd, in feite dus met het (on)geldig verklaren van teksten in het kader van de samenstelling van de bijbel. De grote en prachtige tentoonstelling Konstantin der Grosse (2007 in Trier) liet van dit concilie helemaal niets zien, laat staan van de problemen die daar aan de orde zijn geweest. Tentoonstellingen zijn vaak ook veelzeggend door wat niet in beeld gebracht wordt. Toen is, volgens Brown en vele anderen, alles weggelaten wat te maken had met de relatie van Jezus en Maria Magdalena (p. 225). Constantijn en zijn medewerkers lieten de Mithras-verering en het christendom in elkaar overvloeien. Niets in het christendom is origineel, beweert Brown. De pre-christelijke god Mithras – die de zoon van God en het Licht van de Wereld werd genoemd- was geboren op 25 december, stierf (dus ook), werd in een graf in de rotsen gelegd en stond na drie dagen weer op.
Het verhaal van het bloed is in deze roman van groot belang, maar zo dadelijk zal blijken dat de boodschap van Brown toch niet op deze situatie betrekking heeft. De legende van de heilige graal gaat over ‘koninklijk bloed’, schrijft Brown (p. 239). Jezus kwam voort uit het Huis van David (dus Salomo) en Maria Magdalena uit het Huis van Benjamin, en dat betekende dat dit paar werkelijk bedreigend was voor Herodus. Als afstammeling van koning Salomo en Koning David kon Jezus rechtmatig aanspraak maken op de positie van koning van de joden (p. 222). Maar het verhaal van het bloed gaat verder. Bij de kruisiging van Jezus was Maria Magdalena in verwachting. Hun dochter Sara werd geboren in Frankrijk. Daar start dan het verhaal dat nakomelingen zich vermengen met de Gallische machthebbers waardoor in eerste instantie de Merowingers zich konden beroepen op hun goddelijke afstamming. Het verhaal van de afstamming zal ongetwijfeld in het eerste millennium voortgezet zijn. Deze overdracht van een geloof in de afstamming (eventueel: de mythe) werd zo een historisch feit. Aannemelijk is dat het verhaal aan kracht en betekenis won in de tijd van de kruistochten en in de eeuwen erna met de uitbreiding van de macht van de Kerk. Als reactie ontwaakte in kringen van kunstenaars en wetenschappers klaarblijkelijk de idee dat de bijbel een keuze is geweest en dat daarbij belangen een rol hebben gespeeld (2). De Priorij van Sion werd klaarblijkelijk opgericht om het geheim van de graal te bewaren en ooit openbaar te maken (maar in De Da Vinci Code wordt deze laatste ambitie dus opgegeven) en kunstenaars brengen in hun kunstwerken een (‘verborgen’) boodschap aan. Leonardo da Vinci is een van hen. Hij schilderde daarom zijn Laatste Avondmaal op een bepaalde manier. Jezus en Maria Magdalena vormden een paar. En deze verdrongen optie leidt naar de boodschap die Brown in zijn roman naar voren brengt. Wat Brown zegt over dit schilderij is erg discutabel (3), maar dat ook Da Vinci’s Het Laatste Avondmaal man en vrouw tonen, dat lijkt mij te kloppen. En niet alleen bij hem. Zie bijvoorbeeld ook de afbeelding van het schilderij Ultima Cena (= Laatste Avondmaal) (1547) van Jacopo Bassano. Met mijn mobiele telefoon maakte ik in een bepaald klooster in Rome een foto van een schilderij van Het Laatste Avondmaal dat op dit punt ook aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Op de recente tentoonstelling Vroege Hollanders (Boijmans Van Beuningen Rotterdam) hing wellicht het meest onthullende schilderij. De aanwezigheid van Maria Magdalenda sterkt Brown in zijn opvatting dat de graal een soort blijde boodschap is waarin de noodzaak van het evenwicht tussen het mannelijke en vrouwelijke wordt benadrukt. Mensen en hun wereld worden daar gelukkiger van. Symbool voor het mannelijke ? en het vrouwelijke ? komen samen in de davidster: de volmaakte verbinding van het mannelijke en vrouwelijke, en die is – volgens Brown- ook terug te zien in de Piramide van het Louvre en de Pyramide Inversée. En in….het joodse tetragrammaton JHWH – de naam van God in het Hebreeuws- dat staat voor Jahweh of Jehova, een androgyne lichamelijke vereniging van het mannelijk Jah en de pre-Hebreeuwse naam voor Eva, Havak (p. 296). Op deze gedachte kan men velerlei menswetenschappelijke visies, hypotheses en theorieën bouwen.
De historische documentatie
In zijn Woord van dank roept Brown de suggestie op dat aan de roman veel historische studie en onderzoek ten grondslag ligt. Ik durf echter rustig te beweren dat de historische documentatie te vinden is in een klein aantal reeds verschenen boeken en ik denk dat je enkel en alleen met internet-exercities de stof bij elkaar gesurfd krijgt, tenminste als je een voldoende ontwikkeld referentiekader hebt. Succesvol zoeken veronderstelt een bepaald weten. Niets in het boek is naar mijn mening in historisch opzicht nieuw. De verhalen over Maria Magdalena als vrouw van Jezus, de Opus Dei (4), de Priorij van Sion, Het Laatste Avondmaal (van o.m. Leonardo da Vinci en diens De mens van Vitruvius) zijn allemaal bekend. Als in het boek gesproken wordt over belangrijke nieuwe documenten die teruggevonden zijn, krijg je nergens daarover echte controleerbare informatie: het is allemaal geplukt uit indirect materiaal.
Brown beweert (p. 245) het volgende: Talloze geleerden uit die tijd hebben het leven van Maria Magdalena in Frankrijk in hun geschriften vastgelegd, inclusief de geboorte van Sara en de verdere stamboom. ( ) De Sangreal-documenten beslaan tienduizenden bladzijden. In verslagen van ooggetuigen wordt beschreven dat de sangreal in vier enorme kisten werd vervoerd). Onder meer de dagboeken van Maria Magdalena. Dit zijn puur speculatieve beweringen die op geen enkele wijze aantoonbaar zijn. Van archeologische vondsten van teksten, zoals die van Qumran en Nag Hammadi (de Koptische codices), wordt nergens zorgvuldig het belang aangetoond. Het zijn allemaal vage en nogal suggestieve beweringen.
Zoals ik al zei kan het bestaan van een verhaal (mythe) over de bloedverwantschap met Jezus gezien worden als een realistische optie, dus het verhaal dat de familie van Jezus – Maria Magdalena zich uitbreidde en vermengde door een huwelijk met ‘koninklijk bloed’ in Gallië en Francia en het begin zou zijn van de dynastie van de Merovingers (p. 247). Dagobert (Merovingische koning) werd vermoord met medewerking van Pippijn van Herstal die ongetwijfeld de leer van Constantijn/Nicea en van de Romeinse Kerk vertegenwoordigde. Godfried van Bouillon, de man van de eerste kruistocht, zou via Dagoberts (ontsnapte) zoon Sigebert ook van de Merovingers afstammen. En tot in onze tijd zijn er, volgens de ingewijden, nog twee takken Merovingers en die luisteren naar de familienamen: Plantard en Saint-Clair. Interessant is wel dat over Godfried van Bouillon (in 1060 geboren in Boulogne of Boonen) als stichter van de Priorij van Sion wordt gesproken op het moment dat de hoofdpersonen van de roman in Parijs door het Bois de Boulogne rijden, maar dat synchronisme zal Brown wel niet geweten hebben.
PRIORIJ VAN SION – Les Nautoniers
Grootmeesters Jean de Gisors 1188-1220
Marie de Saint-Clair 1220-1266
Guillaune de Gisors 1266-1307
Edouard de Bar 1307-1336
Jeanne de Bar 1336-1351
Blance d’Evreux 1351-1398
Nicolas Flamel 1398-1418
Rene D’Anjou 1418-1480
Iolande de Bar 1480-1483
Sandro Botticeli 1483-1510
Leonardi Da Vinci 1510-1519
Connetable de Bourbon 1519-1527
Ferdinand de Conzaque 1527-1575 Louis de Nevers 1575-1595
Robert Fludd 1595-1637
J. Valentin Andrea 1637-1654
Robert Boyle 1654-1691
Isaac Newton 1691- 1727
Charles Radcliffe 1727-1746
Charles de Lorraine 1746-1780
Maximilian de Lorraine 1780-1801
Charles Nodier 1801-1844
Victor Hugo 1844-1885
Claude Debussy 1885-1918
Jean Cocteau 1918-1963
X
In de roman is er heel veel waar en controleerbaar. Brown heeft het Louvre echt goed bezocht en bestudeerd en ook in Engeland weet hij de weg: het verhaal speelt onder meer in de Westminster Abbey en de Tempelkerk (in Londen) en in de Rosslyn Chapel (nabij Edinburgh); en die kapel wordt door hem in verband gebracht met de Roslyn = Rose ligne = meridiaan die ook door Glastonbury loopt en over het eiland Avalon (van koning Arthur). Van de leiders van de Priorij is ontzettend veel bekend (dus veel daarvan is waar), maar documenten over het feit dat ze grootmeesters waren, ontbreken, want die waren en zijn uiteraard geheim. Zo zien we een overtuigend verhaal ontstaan op basis van waarheden die niet terzake zijn, en dat is waarschijnlijk de belangrijkste competentie om dit soort boeken te kunnen schrijven. Een van de meest opvallende namen in deze rij is Isaac Newton (1691-1727) die in de roman ook een prominente rol heeft, en wel: zijn graf in Westminster Abbey. Een bol op zijn graf zou een appel voorstellen, volgens Brown, en als dat zo is, dan staat dat ongetwijfeld in verband met Newtons zwaartekrachttheorie die voortkwam uit zijn overpeinzing waarom een appel wel op de aarde valt en de maan niet. Dat laatste heeft Brown echter niet in de gaten. Over deze geniale wetenschapper zegt hij: Zijn werk, dat zijn allemaal wetenschappelijke ontdekkingen, die de kerk in toorn deden ontsteken (369). Newton, inderdaad een onvoorstelbare erudiet, publiceerde onder meer: Divinity, Chronology, Opticks, Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. Zijn Chronologie van de oude koninkrijken kan men tegenwoordig via internet raadplegen en zelfs printen (let op de omvang). De genialiteit van Newton wordt slechts door één persoon overtroffen, tenminste als we geloven wat Harry Mulisch schrijft in zijn Compositie van de Wereld, en die persoon treffen we ook aan in de bovenstaande rij van grootmeesters. Een citaat (p. 364): Op creatief terrein was de belangrijkste van deze persoonlijkheden natuurlijk Leonardo da Vinci. Verder dan dit individu heeft de mensheid het nooit gebracht en zal ze het nooit brengen. Da Vinci was een begenadigd kunstenaar en tevens een uniek talent als wetenschapper en uitvinder/ontwerper. De tentoonstelling in Brussel (2007-2008) in de kerk op de Koepelberg is daarvan een indrukwekkende getuigenis, vooral ook wat betreft zijn technische creativiteit. Opmerkelijk is de opvatting van Da Vinci dat eigenlijk alle creativiteit begint met tekenen. Zij manier van werken heeft veel weg van de hedendaagse mogelijkheden om met computers te ontwerpen. Hij deed het met potlood en papier, en misschien is het wel zo dat juist dat eenvoudige materiaalgebruik dwingt tot enorme denkkracht om iets echt te doorgronden en te laten functioneren. Tot die conclusie kwam ik wel: we moeten weer meer uittekenen als we een probleem hebben. Als u dan toch in Brussel bent, dan is het interessant om ook het schilderij van Het Laatste Avondmaal in de Sint Goedele te gaan bekijken en u ziet daar ook weer een baardloos persoon op een doek van Michiel Coxcie (circa 1499-1592). Terug naar Leonardo. Mulisch geeft ook een visie op het ‘schilderij der schilderijen’: De Mona Lisa. Deze visie luidt: De Mona Lisa is daarom geen vrouw, ook geen man in travestie, maar een androgyn wezen.
Franken
Een boek dat wel veel historische stof naar voren brengt maar toch als historische pleidooi speculatief is, kan nog wel de belangstelling voor bepaalde thema’s versterken (5). Bij mij kwamen bijvoorbeeld de Franken opnieuw in beeld. Opnieuw, want ik ben er jaren geleden al intensief mee bezig geweest. Merovingers, hofmeiers en Karolingers zijn Franken. Van Franken kunnen we aannemen dat ze het Romeinse christendom ondersteunden en uitbreiding mogelijk maakten. Dat betekent niet dat er een simpele parallellie en overeenstemming in belangen was tussen Kerk en wereld. Maar hoe kan het gegaan zijn? Wellicht is het ook goed om te beseffen dat de verbreiding van het Rooms-Katholicisme nog niet hetzelfde is als verspreiding van het Christendom. In de ogen van de door Rome aangestuurde missionering zouden heidenen ook wel bepaalde soorten christenen kunnen zijn. Onze regio maakte waarschijnlijk veel eerder kennis met het Christendom dan in de tijd van Amandus, Willibrord en Bonifatius. De Romeinse troepen brachten informatie mee, de handelsroutes (zoals de tinhandel) waren druk bevolkt, vervolgingen leidden tot politieke en godsdienstige vluchtelingen. De Nijmeegse christogrammen zijn uiteraard knullige vervalsingen, maar daarmee is niet gezegd dat het Christendom in de eerste eeuw n. Chr. daar onbekend geweest zal of moet zijn.
In een recent verschenen artikel in Zeitensprünge (2007) werpt Zainab Angelika Müller (Berlijn) een bijzonder verrassend licht op de thematiek van de Franken: Die Franken sind kein ‘Stamm’. Neuerlicher Versuch Ihre Identität zu erhelllen. De betekenis van het woord ‘Frank’ leidt zij af uit studies van Morgan E. Kelley: frank is fir-ankh = Leute des Ankh. Kelley houdt deze mensen voor ‘Skyto-Semiten’. Krijgen we hier nu een ander maar wel een soortgelijk verhaal over de afstamming van de Franken van de Trojanen? Ik denk dat we met een serieuze optie vandoen hebben en krijgen.
Waar Romeinen vertrokken, ontstonden Franken. De neiging om Franken te zien als een bepaalde etnische bevolkingsgroep heeft de studie van en het onderzoek naar Franken gedomineerd. Maar Müller beweert dat het gaat om een politiek en juridisch kenmerk van groepen mensen, namelijk de groepen die vrij geworden zijn. Frank is dus geen stam, en ook geen karaktertrek, maar een politiek-juridisch feit. Franken, dat wil zeggen vrij gewordenen. Gewoonlijk gaat men ervan uit dat de Franken veel invloed van de Romeinse cultuur hebben ondergaan, maar volgens Müller is er ook een heel andere invloed werkzaam geweest. Die komt van de zogenaamde Hebräer (een jonger woord is: joden) die niet alleen de kosmopolitische handel beheersten, maar ook militair goed georganiseerd waren en een hoog beschavingsniveau hadden. Dit zijn volgens Müller e.a. de (primaire) Franken. Ze zwierven rond en onderhielden bijzondere relaties met autochtone bewoners van een regio. Het was kennelijk een nogal weloverwogen en gepland zwerven. Deze Franken hadden macht op het land maar ook op zee. Ze volgden de terugtrekkende Romeinen die in een zwakkere positie kwamen te verkeren. In de derde eeuw was Gallië een geliefd gebied. In 291 n.Chr. ruimden de Romeinen voor de Franken grondgebieden in bij Trier en Kamerijk. Zo maakten ze steeds aanspraak op nieuwe gebieden. Aantrekkelijk wordt deze hypothese vanuit juridisch perspectief. Autochtone bewoners bezaten het ‘Landrecht’ (in feite: bloed en bodem) en de begaafde land-lozen de ‘Herrschaft’. Dit onderscheid opent interessante mogelijkheden. Het belang van een verbond tussen autochtone bewoners en de nieuwkomers (tezamen: de Franken, degenen die vrij waren en werden) is duidelijk. Maar zo wordt ook een duale machtsstructuur helder: de koning en de Major domus. De koning was er voor het heil van het rijk, de Major domus voor de (militaire) macht. De dynastie van de Merovingers werd gewelddadig beëindigd in 620 n.Chr. door Pippijn van Herstal (Major domus) in samenwerking met bisschop Arnulf van Metz. De duale structuur bleek steeds meer ongelukkig en hinderlijk voor de economische ontwikkeling. Daarom moest er bepaalde macht verdwijnen, en ik citeer nu Müller:
Dazu gehörte vor allem das von der merowingischen Sippe gestellte Sakralkönigtum, welches an die traditionelle Göttinnenreligion oder eine christliche Madonnenreligion (Theotokos, Schwarze Diana) gebunden war und der Installierung eines weströmischen ‘gesamtfränkischen’ Herrschertums (und männlicher Götterhoheit) im Wege stand.
De Merovingers moesten verdwijnen omdat hun (‘vrouwelijke’) opvattingen over god, mens en leven, land en wereld niet meer geschikt waren voor de economische groei. Het einde van de Merovingers was klaarblijkelijk het begin van een nieuwe opvatting van de religie van het christendom. En die nieuwe opvatting stond direct in verband met de gewenste economische politiek.
Noten
(1) Bijvoorbeeld Villages: vilain (dorpsbewoner); Venus en venerisch; Les demoiselles d’Avignon = vile meaningless doodles (miserabele betekenisloze krabbels); Mona Lisa = Amon L’Isa = Amon en Isis (man en vrouw); San Greal en Sang Real; Rose Eros: een roos heeft 5 blaadjes die de 5 fasen van het vrouwenleven voorstellen: geboorte, menstruatie, moederschap, menopauze en dood; Claustrum: klooster en claustrofobie.
(2 Voorstellingen van Jezus, zijn leven en lijden roepen onvermijdelijk diepe emoties op bij mensen die zich op enigerlei wijze met het verhaal verbonden voelen: gelovig of niet.
In 1995 verscheen het eerste deel van de trilogie van Ph. Pullmann: The Golden Compass, in 1997 deel 2: The Subtle Knife en in 2000 het derde deel: Amber Spyglass. De trilogie als geheel heette: His dark Materials, naar een zin uit John Miltons Paradise Lost. Samen een hevige aanval op de katholieke kerk en het joods-christelijke godsbeeld. Opmerkelijk waren de hevige controverses ten aanzien van het boek Was Jezus Caesar. Over de Romeinse oorsprong van het christendom. Een onderzoek (ISBN 90-5911-069-2). Zonder het boek gelezen te hebben en de weigering om het te lezen gebruikte de Nijmeegse classicus Anton van Hooff alle mogelijke middelen om dit boek verdacht te maken en te bestempelen als onzin, en dat ging gepaard met emotionele opwellingen die discussie onmogelijk maakten. Vooral mensen als Paul Cliteur, Andreas Kinneging en Jan van Friesland moesten het ontgelden want die toonden zich wel onder de indruk van Francesco Carotta’s betoog. In het boek De zwarte hand (ISBN 905911-448-5) werd met het gedrag van Van Hooff grondig de vloer aangeveegd, maar dat niet alleen: het boek van Carotta is een respectabel onderzoek: Bij nauwkeurige beschouwing blijken de overeenkomsten tussen deze Rijksgod (Caesar) en de Christelijke in het geheel niet triviaal. De gelijkenissen lopen qua aantal in de honderden en vormen een samenhangend, structureel en systematisch geheel. Maar de vraag is natuurlijk wel WAT hiermee bewezen wordt.
(3) Hij zegt bijvoorbeeld: Midden in het schilderij stond zeer opvallend een enorme, perfect gevormde letter M. En die m zou staan voor Matrimonio of Maria Magdalena. Jaloezie en bevreemding van de apostelen, vooral van Petrus. Volgens Brown is er op het schilderij een snijdende beweging te zien voor de hals van Maria Magdalena. Het gaat om een hand die van niemand is. Volgens mij de linkerhand van Petrus.
(4) ODAN: Opus Dei Awareness Network, Inc. P.O. Box 4333 Pittsfield, MA 01202-4333
Telephone: 413-499-7168 Fax: 413-499-7860 Email: odan@odan.org
(5) Thijs Voskuilen bewerkte zijn doctoraalscriptie (gemaakt bij Fr. Ankersmit, Groningen) tot het boek Alias Paulus. De grondlegger van het Christendom als geheim agent van Rome (Amsterdam, Ambo, 2002, 542 blz., ISBN 90-263-1781-6, € 24,90). In een internetrecensie schreef Henk Looijesteijn (hlooijesteijn@zonnet.nl) even uitvoerig als negatief over dit boek. Een citaat waarvan een gedeelte cursief: Zo om de zoveel tijd verschijnt er een boek over een historisch onderwerp met een opzienbarende these die beweert een geheel nieuw licht te kunnen werpen op bijvoorbeeld de Maya’s – dat waren kosmonauten, zoals elke zichzelf respecterende ufologist sinds Von Däniken weet – of op Jezus –die was volgens de Italiaanse auteur Carotta eigenlijk Caesar. Alleen over deze twee onderwerpen zijn al planken vol geschreven; dan heb ik het nog niet eens over de tientallen boeken over de geheime geschiedenis van Albigenzen, Tempeliers, Vrijmetselaars, geheime afstammelingen van Jezus –volgens één wel zeer volhardende revisionist vloeide het Hoogheilig Bloed via de Merovingen en de koningen van Schotland in de aderen van, jawel, de revisionist himself die en passant ook maar een claim legde op de Schotse troon. ( ) Talloze geheime schatten van Joden, Westgoten, Tempeliers en dergelijke liggen nog op ontdekking te wachten en wonderbaarlijk genoeg kenden alle slachtoffers van de Inquisitie tal van esoterische geheimen. Maar er verschijnt nooit eens een boek over de Tempeliers of de Albigenzen waarin de auteur beweert dat het eigenlijk nog grotere rotzakken waren dan de Paus wist, en dat het maar goed is dat al die samenzwerende booswichten op de brandstapel werden gezet. ( ) Elke historicus loopt in zijn vakgebied wel eens tegen een revisionist aan – een vroeg-moderne tijd-specialist wordt soms geconfronteerd met esoterische mystificaties over rozenkruizers en vrijmetselaars, een Tweede Wereldoorlog-specialist mag zich gaan buigen over dagboeken van Hitler en theorieën van Goldhagen, en een mediëvist kan zijn hart ophalen aan de honderden titels over Albigenzen en tempeliers. Opnieuw valt op: niemand schrijft ooit eens een vergelijkbaar boek over - laten we zeggen – de Johannieters of de Hussieten.. Vooral in de Engelstalige wereld zien tal van revisionisten in een of ander onderwerp dat het grote publiek aanspreekt een shortcut naar al dan niet kortstondige faam en rijkdom. Maar ook Nederland kent zo zijn revisionisten. Meestal terecht spelen ze in de historische discipline een uiterst marginale rol: Iman Wilkens, die zijn fifteen minutes of fame verdiende met een nogal gezochte theorie dat de Trojaanse Oorlog zich eigenlijk in Zeeland en Zuid-Engeland zou hebben afgespeeld, en de inmiddels overleden archivaris Albert Delahaye, die op een gegeven moment begon te verkondigen dat de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Nederland een fabricatie was omdat Nederland toen praktisch onbewoonbaar zou zijn geweest. Hoewel hij een kleine schare trouwe volgelingen verwierf, is ook
hij er niet in geslaagd de historische, archeologische, geologische en historisch-geografische goegemeente voor zijn theorie te winnen.
Literatuur
Th. Asbridge, De eerste kruistocht. Het conflict tussen islam en christendom, Amsterdam 2006
H. Armstrong, De opstandig was niet op zondag, Arnhem 1970
K. Berna, Jezus is niet aan het kruis gestorven. Een documentatie-verslag over het Graflinnen van Jezus, Deventer 1966
Th. Cahill, Jezus en de wereld in die dagen, Amsterdam/Leuven 2000
K. Geming en J. Werlitz, Die verbotenen Evangelien. Apokryphe Schriften, Wiesbaden 2004
B. van Ginkel en J. Picard, Het evangelie van Jezus, Amsterdam/Brussel 1980
K. Dietzfeldbinger (red), Apokryphe Evangelien aus Nag Hammadi, Hamburg 2007 (4)
J. Broun e.a., Leonardo da Vinci. The European Genius, Brussel 2007
D. Brown, De Da Vinci Code, Baarn 2005; tevens auteur van Het Juvenalis Dilemma en Het Bertini Mysterie.
F. Carotta, Was Jezus Caesar. Over de Romeinse oorsprong van het christendom. Een onderzoek (ISBN 90-5911-069-2)
A. Demandt en J. Engemann, Konstantin der Grosse. Ausstellungskatalog, Mainz 2007 (met CD)
J. Hosten, De Tempeliers. De tempelorde tijdens de kruistochten en in de lage landen, Amsterdam 2006
R. Kasser e.a., Das Evangelium des Judas, Wiesbaden 2006
H. Looijestein, recensie (internet) van:Thijs Voskuilen, Alias Paulus. De grondlegger van het Christendom als geheim agent van Rome
Z.A. Müller, Die Franken sind kein ‘Stamm”. Neuerlicher Versuch ihre Identität zu erhellen, Zeitensprünge december 2007, p. 657 e.v.
A. Parrot, Golgotha en het Heilig Graf. Bijbel en archeologie, Bijkerk 1956
E. Schillebeeckx, Tussentijds verhaal over twee Jezus-boeken, Bloemendaal 1978
M. Simon, De joodse sekten ten tijde van Jezus, Amsterdam 1965
A. Snijders, ’t Was anders. Een andere kijk op Wilibrord en Bonifatius, Assen 2007
Suetonius, Keizers van Rome, vertaling D. den Hengst, Amsterdam 2005
C.P. Thiede en M. D’ Ancona, Das Jesus-ragment. Kaisering Helena und die Suche nach dem Kreuz, München 2000
C.P. Thiede en M. D’Ancona, Het ware kruis van Jezus Christus, Baarn 2001
Thijs Voskuilen, Alias Paulus. De grondlegger van het Christendom als
geheim agent van Rome (Amsterdam, Ambo, 2002, 542 blz., ISBN
90-263-1781-6, € 24,90)
www.odan.org, Opus Dei, The Da Vinci Code and ODAN
T. Wallace-Murphy, De verborgen boodschap in Christelijke renaissancekunst, Tirion, Baarn 2007
Harvey Wasserman, "The Da Vinci Code," the film, gives the ultimate question
(praise Goddess!) a radical answer, Online Journal Guest Writer
A. Wilson, Jezus. Een biografie, Amsterdam 1992
H. Ziegler en E. Gruber, Das Ur-Evangelium. Was Jesus wirklich sagte, München 2004 (5)