[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
12e SEM-symposium Frisia en Traiectum
Inhoudelijk sterk en druk bezocht
Op dit symposium stond het thema Frisia en Traiectum centraal en dat
gebeurde op een manier die door 100 deelnemers zeer positief werd
gewaardeerd. Op deze jaarlijkse bijeenkomst werd voor het eerst
geprobeerd om de verschillende visies op het onderwerp met elkaar te
confronteren, een eerste stap om velerlei argumenten te kunnen
wegen, een koers die de komende jaren verder uitgewerkt zal worden.
Rinus Boidin verrichtte met een presentatie naar aanleiding van de
slag bij Warns (1345) de aftrap. Hoewel zijn zoektocht naar Warneton
(Waasten) vanuit de plaatsnaam Warns op de website van Nifterlaca
onder vuur was genomen (de naam Warns was historisch niet relevant),
bleek Rinus zijn opvattingen over de ligging van Neustrië en
Austrasië en het oude woongebied van de Fresonen (Noordwest-Frankrijk)
te handhaven. Rinus ging daarbij niet uit van de gedachte dat
gebieden als Neustrië en Austrasië in de loop van enkele eeuwen
kunnen veranderen, terwijl de termen in gebruik blijven. De Friezen
bleven in zijn ogen van oorspong Belgen.
Kees Nieuwenhuijsen, die zich onder meer gespecialiseerd had in de
Lex Frisionem (gedateerd circa 790, maar we hebben de tekst pas uit
1557) kon daar niet in meegaan. Uit deze wet is van de zeventiende-
eeuw een driedeling van Frisia opgemaakt: westelijk, centraal en
oostelijk Frisia. Kernkwestie is de determinatie van de Lagbeki (=
bosbeek), een naam die inderdaad in diverse regio’s voorkomt, maar
waar volgens Nieuwenhuijsen de Louwers mee bedoeld moet zijn. Tussen
de drie Frisiaregio’s zijn er verschillen in de boetes. De
Frankische onderwerping is logisch: 719 het gebied tot de Flie
(Karel Martel), 734 het gebied tot de Louwers (idem) en in 772-793
het gebied tot de Weser (Karel de Grote). Nieuwenhuijsen besprak ook
de alternatieve opvattingen van Delahaye (IJpelaar) en Kreijns, en
wees die af.
Deze opvattingen werden daarna uiteengezet in een blok over de
interpretaties van de relatie Frisia – Traiectum. Kurt Wayenberg
introduceerde dit programma-onderdeel door de vier hypothesen aan te
geven (Utrecht, Tournehem, Antwerpen en Maastricht) en de vier
onderzoekswegen (geografisch, archeologisch, historisch en
toponymisch) en kondigde een enquête aan. Voor en na de pauze kwamen
de hoofdzaken van deze opvattingen aan de orde: Utrecht, mede op
basis van de verdediging van Ton Spamer in het SEMreeks-boek
Willibrord en Bonifatius (2003), Guido Delahaye (die niet meer
transgressies al argument inzette), Joep Rozemeyer (die
archeologisch een steuntje in de rug lijkt te krijgen, al kun je
daarmee niet bewijzen dat Antwerpen een ‘bisschopsstad’ geweest zou
zijn) en ten slotte Ad Maas die namens Hans Kreijns Maastricht als
kandidaat naar voren schoof: een stad met een vroege bisschoppelijke
historie (Traiectum tot in de tiende eeuw, daarna Utrecht). Kurt
ging nog eens dwars door deze voordrachten heen en beloofde een
uitslag van de enquête voordat het symposium besloten werd.
Voor het eerst probeerden we enig inzicht te krijgen in de
voorkeuren van de bezoekers van onze SEM-symposia. De deelnemers
werd gevraagd om punten toe te kunnen aan de verschillende visies
over de Friezen. Twee derde van de deelnemers deed mee aan de
bevraging. Het merendeel verdeelde netjes zijn punten over de vier
alternatieve visies (en de keuzemogelijkheid dat het geen van de
vier was). Een kwart van de respondenten verdeelde zijn scores
slechts over een beperkter aantal visies.
De traditionele visie haalde 15% van de punten binnen. De visie
Midden-Nederland met Trajectum in Maastricht 14%. Het kernland van
de Friezen nabij Antwerpen deed het uitstekend als '2e' keuze en
haalde 22% binnen. De visie van Delahaye haalde met 43% van de
punten een zeer goede score binnen, terwijl 5% meent dat we nog
elders naar Traiectum moeten gaan zoeken.
Na een korte adempauze volgde een presentatie van Dries Tys en
Pieterjan Deckers (Vrije Universiteit Brussel) over Noordzeecultuur
en identiteit. Dries gaf voorbeelden van historische bevindingen die
archeologisch niet bevestigd kunnen worden. Het toepassen van
etnische termen op materiële cultuur is vaak onverantwoord en het
verhaal van de intensieve en massale volksverhuizingen, zoals Dries
dat uitdrukte, is ‘zever’. Bepaalde groepen machtzoekers trokken
rond om desnoods met harde hand aanspraken te maken op nieuwe
gebieden, en natuurlijk waren familiale verwantschappen ook ‘op
afstand’ erg belangrijk. In die onstabiele na-Romeinse tijd was
plundering een tamelijk normale zaak. Dries gaf vooral aan dat
identiteit ook in deze periode vooral een keuze was van een persoon,
familie of andere groep in de gegeven omstandigheden en geen etnisch
kenmerk. Hij paste zijn ideeën daarna toe op de Franken met onder
meer aandacht voor Frankische driehoeken, mantelspelden en
hutkommen, geen van alle afdoende en overtuigende
identiteitsmarkers. De Frankische elites hadden een Gallo-Romeinse
leefstijl (na 500 met steeds meer Oost-Romeinse invloed): als Frank
waren ze ook Romein. Merkwaardig was wel dat Tys het begraven van
paarden zag als een zeker Frankisch kenmerk, net als Reinhard
Schmoeckel (Sarmaten). De overgang naar een christelijke cultuur is
archeologisch wel goed zichtbaar te maken (Merovingische grafvelden,
onder meer in Broechem, niet ver van Antwerpen), soms ook de
maatschappelijke laag waar iemand toebehoorde.
De Vlaamse kustvlakte in de vroege middeleeuwen werd daarna bekeken
door Pieterjan Deckers. Deze vlakte en dus ook de meer noordelijke
waren in de vroege middeleeuwen eerder bewoond dan tot voor kort
voor mogelijk gehouden werd (vanaf de zevende eeuw), uiteraard op al
of niet kunstmatige verhogingen in het landschap. Dries had al
gewezen op bijvoorbeeld Wijnaldum in Friesland. Abdijen, graven en
lokale families, steden en ridderordes speelden in de loop van een
aantal eeuwen een rol in de exploitatie en beveiliging van deze
gebieden. Pieterjan betoogde, onder meer aan de ontwikkeling van
kenmerken van aardewerk en van talen (in het Ingvaeoons: Oudengels,
Oudfries en Oudsaksisch) dat je tot circa 800 kunt spreken van een
maritieme cultuur die bepaald wordt door mobiliteit en interactie,
en dat daarna de identiteit steeds meer bepaald wordt door het
achterland (de zandcultuur) van een bepaalde kustvlakte. Een aantal
eeuwen domineerde culturele heterogeniteit (de kusten interacteerden)
en in de Karolingische periode gaan de kustgebieden zich meer
richten op het binnenland. De inperkingen van maritieme interactie
nemen toe. De vrijheid van de kustbewonende volksgroepen neemt af.
Een opmerkelijke en wellicht veelzeggende bevinding.
De voordrachten van Tys en Deckers leggen een uitdaging op het bord
van SEM. De neiging om te denken aan etnische groepen die in een
begrensd gebied leven waarvan we dan de materiële cultuur moeten
zien op te graven, is een valkuil die ontstaan is door de wijze
waarop in bronnen over bevolkingsgroepen werd geschreven door een
belanghebbende elite, versterkt door de geschiedschrijving vanaf
1200 tot heden (vooral ook in de negentiende eeuw). Wellicht kun je
van bepaalde wetten (Lex Frisionem en Lex Salica) zeggen dat ze
gerelateerd zijn aan de naam van een bevolkingsgroep in een regio,
maar ook dat ‘je onder die wet schikken’ een keuze is. Door de Lex
Salica te accepteren toonde je tot Franken te willen behoren. Het
gaat dan (na verloop van tijd) meer om bestuurlijke regio’s dan om
regio’s die respectievelijk bewoond werden door etnische groepen. De
dagvoorzitter kondigde aan dat in volgende jaargangen van SEMafoor
zeker ook aan de vroegmiddeleeuwse wetgevingen aandacht besteed zal
worden. Dat kan al op het volgende symposium met de Lex Saxionum,
want op 3 november 2012 staan Saksen op de rol van het 13e
SEM-symposium.
In de diverse presentaties van deze dag speelde ook het thema van
het SEM-reeksboek Zee wind, veen en land een grote rol. Een cruciaal
punt is dat de ontwikkeling en de vroegste bewoning van de
kustvlakte voor het eerst sinds het werk van Adriaan Verhulst niet
meer wordt bekeken vanuit het Duinkerke-transgressiemodel (volgens
hetwelk de kustvlakte tijdens de vroege middeleeuwen volledig
overstroomd was). Het werk van Cecile Baeteman heeft veel
bijgedragen aan gewijzigde geologische inzichten. De resultaten van
het geïntegreerd of integraal onderzoek wijzigen het traditionele
beeld van de landschapsgeschiedenis van de kustvlakte. Los van de
vraag naar de juistheid van de term ‘transgressies’ gaat het om de
vraag in hoeverre een zekere duurzame bewoning in de Vlaamse,
Zeelandse, West- en Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kustvlakte
mogelijk was. De opdracht is eigenlijk om op basis van geologisch en
archeologisch onderzoek demografische feiten en inschattingen te
melden met zo nauwkeurig mogelijke dateringen (chronologie) in de
periode van 275 n.Chr. tot laten we zeggen 1200.
Daarbij moet ook in het oog worden gehouden dat een bekeringstocht
naar een weinig talrijke maar wel rijk geworden bevolking zowel in
economisch als theologisch opzicht verantwoord kan zijn.
Literatuur
SEM-boek 1 Willibrord en Bonifatius. Waren
ze ooit in Nederland?
Kernvraag in dit boek waar ca. 700 de plaats Traiectum gevonden moet
worden. Utrecht (traditioneel), Maastricht, Antwerpen of een locatie
in Noordwest-Frankrijk. Het thema van het SEM-symposium 5 november
2011. Gebonden boek: 15 euro.
SEM-boek 2 De Peutinger-kaart en de Lage Landen, paperback 22,50
euro
SEM-boek 3 Zee, wind, veen en land. Kustvorming in de Lage Landen,
paperback 18,50 euro
Na bestelling, info@semafoor.net, zullen de boeken u, inclusief
nota, worden toegezonden.