logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

Een tragisch misverstand 

Goffe Jensma (Sauwerd) 

Het deed me plezier dat SEMafoor aan mijn proefschrift over het Oera Linda-boek zoveel aandacht wijdde. Ad Maas, Gjerrit Hekstra en Iman Wilkens lazen mijn boek en gingen erop in, Joël Vandenmaele schreef een stuk (waarin mijn boek niet wordt aangehaald) en ook is als bijlage bij de recensie door Ad Maas een brief opgenomen van wijlen Wigholt Vleer. Vleer reageerde daarin op een radio-documentaire door Peter te Nuyl (maker ook van de hoorspel-serie naar het bekende boek Het bureau van J.J. Voskuil) waarin ook ik indertijd aan het woord kwam. Ik dank hen allen voor hun oprecht welwillende aandacht.

Zelden heeft een en dezelfde tekst tot zulke uiteenlopende interpretaties geleid als het Oera Linda-boek. Voor sommigen is het een breed uitgesponnen, melige studentengrap en aan de andere kant van het spectrum zijn er nogal wat mensen die er als in een bijbel in geloven. Daartussenin treft men nog allerlei andere vormen en gradaties van waarderingen aan.
Voordat ik inga op sommige van de gemaakte opmerkingen wil ik mijn eigen positie in deze nog eens kort duidelijk maken aan de hand van de vraag wat in mijn boek nieuw is ten opzichte van oudere literatuur. 
Nieuw is niet mijn mening over de echtheid. Velen voor mij hebben het boek aangemerkt als pertinent onecht. Dat tegenwoordig zoveel lezers menen dat ze wel degelijk met een authentieke en oeroude tekst van doen hebben is voornamelijk het gevolg van de editie van het Oera Linda-boek die Jan Gerhardus Ottema in 1872 bezorgde. Dat is namelijk bepaald geen neutrale uitgave en omdat ze aan iedere heruitgave in het Engels, Duits, Frans, Zuid-Afrikaans, Italiaans enz ten grondslag ligt, is het geloof dat Ottema koesterde en dat in zijn uitgave tot uitdrukking kwam steeds opnieuw versterkt. Wat dit aangaat sluit ik me aan bij de door Hekstra aangehaalde uitspraak van Delahaye: ‘Het is een haast essentieel bestanddeel van een mystificatie, dat zij gemakkelijker ingang vindt dan opgeruimd wordt’.
Nieuw is evenmin mijn mening over de auteurs. Al meer dan een eeuw geleden opperde Johan Winkler de mogelijkheid dat drie mensen aan het boek hadden samengewerkt; de Friese predikaat-dichter François HaverSchmidt, die we ook kennen als Piet Paaltjens, de Friese archivaris-bibliothecaris Eelco Verwijs en de man bij wie het handschrift was opgedoken: Cornelis over de Linden. Ik denk dat Winkler het bij het rechte eind heeft gehad (en ik denk trouwens ook dat hij niet zelf tot deze opvatting is gekomen, maar dat anoniem gebleven leden van de familie Over de Linden ze hem aan de hand hebben gedaan). Deze hypothese was echter tot nu toe door niemand systematisch en met gebruikmaking van alle beschikbare materiaal (waaronder behoorlijk veel tot nu toe niet gekende en geraadpleegde bronnen) onderzocht zoals ik nu heb gedaan.
Ook niet geheel nieuw, omdat Winkler dat motief ook al enigszins aanduidde, is mijn interpretatie van het Oera Linda-boek als een modernistische tekst. (Ik betwijfel echter of Ad Maas gelijk heeft wanneer hij stelt dat deze ‘metafoor’ al door allerlei auteurs is genoemd en al vele jaren bekend – ik ken die auteurs in ieder geval niet). Vernieuwend aan mijn boek is dat ik daadwerkelijk een verband weet te leggen tussen het door Winkler genoemde motief en de tekst. Naar mijn mening krijgt het Oera Linda-boek namelijk de meeste samenhangende betekenis als we het boek interpreteren als een vanuit modernistisch perspectief geschreven allegorie van de richtingenstrijd die zich in de negentiende eeuw binnen en buiten de Nederlandse Hervormde kerk ontspon.
Nieuw aan mijn boek is ook de methode waarmee ik het boek te lijf ben gegaan. Als je een dergelijke tekst moet interpreteren, zo heb ik mezelf afgevraagd, waar moet je dan beginnen? Toch zeker bij de tekst zelf. Anders dan de meest auteurs voor me heb ik me dus niet in de eerste plaats op de mogelijke auteurs van het boek gericht maar op het handschrift. Wat kan men over het Oera Linda-boek zeggen zonder de vraag naar de auteurs te stellen? Deze werkwijze heeft op een aantal punten definitieve zekerheid gebracht. Allereerst kan men op grond van tekstanalyse bewijzen dat het Oera Linda-boek bewust in elkaar is gezet om de lezer in verwarring te brengen. In allerlei opzichten (papier, schrift, taal, structuur, inhoud) zitten er in het boek dubbele bodems – illusies van authenticiteit – die de lezer moet doorprikken. Het Oera Linda-boek is een literaire, experimentele, meerlagige tekst, die zich laat lezen als een kolderieke, verwarde historische kroniek over de teloorgang van een gefingeerde Oudfriese beschaving, maar onmiddellijk daarop ook als een samenhangend allegorisch verhaal over de Fijne, orthodoxe Finnen en Magíaren en de vrijzinnige Friezen. Zeker ook nieuw aan mijn boek is wat ik op grond van het handschrift zelf kon concluderen over de tijd van ontstaan en over de wijze waarop het is gemaakt, namelijk in een aantal fases en niet door één auteur, maar zeker door twee en vermoedelijk door drie auteurs. Uit het handschrift zelf kan worden afgeleid dat het is geschreven in de periode ca. 1860 tot 1869 en dat aan de uiteindelijke versie een eerdere versie ten grondslag heeft gelegen.

Ik heb de indruk dat zowel Maas als Wilkens en in mindere mate Hekstra de eventuele authentieke bronnen die aan het Oera Linda-boek ten grondslag zouden kunnen hebben gelegen achter de mystificatie willen blijven zien. Alsof er toch noch een ‘echte kern’ in het boek zou kunnen zitten. Ik ben een andere mening toegedaan en daarom wil ik op dit punt aangekomen allereerst ingaan op een opmerking van Ad Maas over wat ik maar ‘de hypothese van Vleer’ zal noemen, namelijk dat het handschrift van het Oera Linda-boek bij Johannes Jans over de Linden (1752-1809) vandaan zou komen (een oudoom van Cornelis over de Linden (1811-1874)). Maas staaft deze hypothese (zonder bronvermelding) met een ‘bekend’ (maar mij niet bekend) oordeel van de codicoloog W. Hellinga Gzn die meende dat de gebruikte inkt van vóór 1820 stamde. Ook al zou dat zo zijn, het papier dat met die inkt is beschreven dateert daarentegen zeker van na 1850. De oordelen van papierdeskundigen, die onafhankelijk van elkaar zo precies de oorsprong en de datering van het papier wisten te geven (namelijk de fabriek van Tielens en Schrammen te Maastricht) staan daarover geen enkele twijfel toe. Ook allerlei taalkundige en inhoudelijke zaken in de tekst zelf laten zien dat de tekst moet worden gedateerd op de periode na 1860 (Iman Wilkens noemt bijvoorbeeld de toespelingen op de aanleg van het Suez-kanaal). Het boek kan dus nooit zo oud zijn als Vleer wil. Ad Maas concludeert verder terecht dat ik Vleer als inventarisator van Leylijnen niet erg serieus neem – dat komt omdat ik niet in Leylijnen geloof. Ik heb Vleer daarentegen als genealoog doorgaans hoog, maar ook op dit vlak overspeelde hij in deze Oera Linda-boek zaak zijn hand, namelijk waar hij m.i. ten onrechte, want op grond van niet deugdelijke genealogische argumenten, twee verschillende families Over de Linden aan elkaar probeerde te koppelen (zie Gemaskerde god, 242 en 414). In de brief van Vleer komt tenslotte ook Arian de Goede ter sprake, die meldde dat hij uit een aantekening van zijn betovergrootvader wist dat deze (voor 1800) bij een boekverkoper een eeuwenoude kroniek had gezien die terug ging tot het jaar 2000 voor de geboorte van Christus. Ik kende deze aantekening van horen zeggen. In het kader van mijn onderzoek heb ik met een nazaat van deze Arian de Goede gesproken en ook heb ik diens persoonlijk archief bekeken. De genoemde aantekening is echter nergens te vinden. Een bronvermelding zou Vleers verhaal minder ongeloofwaardig hebben gemaakt.
Een volgend punt dat in de recensies aan de orde komt, betreft de voorstudies voor en de bronnen van het Oera Linda-boek. Over de manier waarop het Oera Linda-boek zich tot oudere literatuur verhoudt is al zeer veel geschreven. Sommige onderzoekers meenden dat de gebruikte bronnen hen op het spoor zouden kunnen zetten van de auteur(s) (bijvoorbeeld Murk de Jong die Verwijs aandroeg en G.J. van der Meij die Halbertsma als auteur zag). Gelovigen in de echtheid van het boek probeerden aan de andere kant de zo opzichtig onechte elementen in de tekst te neutraliseren met de veronderstelling dat het handschrift zoals dit is overgeleverd in de loop der tijd door kopiëren is ‘vervuild’ geraakt met allerlei nieuwere onzin. Herman Wirth, de man die het boek in Nazi-Duitsland groot maakte, meende bijvoorbeeld dat het boek nog eens was overgeschreven door de man van Tante Aafje van wie Over de Linden het handschrift zei te hebben gekregen en dat deze allerlei knullige ‘fouten’ en ook grappen had ingelast.
Hekstra, die zich van alle recensenten het meest, zo schijnt het mij toe, door mijn boek heeft laten overtuigen, vindt in dit opzicht nu onduidelijk in hoeverre Verwijs bepaalde als authentiek aan te merken historische bronnen heeft ingebracht, terwijl Iman Wilkens meent dat ik toegeef dat er aan het Oera Linda-boek een aantal authentieke bronnen ten grondslag liggen. Dat laatste is waar, maar anders bedoeld. Ik denk dat er een eerdere kladversie is geweest (zoals dat vaker het geval is met gepubliceerde literaire teksten) die in de uiteindelijke versie in stukken is gehakt en omgewerkt tot een familiekroniek van de familie Over de Linden.
Aan de andere kant is onmiskenbaar dat het Oera Linda-boek in een lange traditie staat van fantastische geschiedschrijving zoals die overal in West-Europa bestond. Daarin werd de oorsprong van de diverse Europese volkeren tot op Noach (dus tot op de bijbel) teruggevoerd. Bekende auteurs uit deze traditie zijn Goropius Becanus (die meende dat het Nederlands de oudste taal ter wereld was en aan wie Hubert Lampo een aardig boek wijdde), Olav Rudbeck, die in een enorm erudiet driedelig werk hetzelfde voor het Zweeds meende en die Atlantis in Zweden situeerde en ook De Grave, die in zijn Les Champs Elyssées meende dat Homerus een Vlaming was geweest. In mijn boek (hoofdstuk 6) ga ik in op de verhouding tussen deze literatuur en het Oera Linda-boek en ik stel daar vast dat het Oera Linda-boek deze fantastische traditie parodieert door ze tot in het absurde te overdrijven. Het meest bizarre voorbeeld daarvan is wel dat in 1500 voor Christus de Friezen naar India zouden zijn gevaren onder leiding van GERT.PIRE.HIS.TOGATHER = Grote Piers Dochter, terwijl, als bekend, Grote Pier zelf pas in 1500 na Christus ter wereld zou komen. Juist in de jaren zestig van de negentiende eeuw stond deze traditie van fantastsiche geschiedschrijving ter discussie. Al wat oudere geleerden als Joost Halbertsma of ook Jan Gerhardus Ottema stonden er veel welwillender tegenover dan jongere wetenschappers als Eelco Verwijs of François HaverSchmidt. In die afwijzing zie ik hun motief om te parodiëren. Ik wijs de in deze traditie geïnteresseerde lezer op Arno Borst, Die Turmbau von Babel, die over deze en andere zaken veel te berde brengt en die laat zien dat vele van de revolutionaire inzichten van sommige tegenwoordige denkers over onze geschiedenis niet zo nieuw zijn als zij misschien zelf denken. Ik denk – maar dat is natuurlijk niet het onderwerp van dit stukje – dat bijvoorbeeld Albert Delahaye met zijn geografische verschuivingen veel minder revolutionair is dan hijzelf dacht.
Het uitermate tragische misverstand dat aan de Oera Linda-boek-affaire (en dus ook aan deze in Semafoor gevoerde discussie) ten grondslag ligt is mijns inziens dat Jan Gerhardus Ottema in 1870 zijn eerste indruk van de tekst aanzag voor een bezonken oordeel en niet verder keek. Hij heeft zichzelf daarmee veel ellende op de nek gehaald, maar hij heeft ook een grote schare van gelovigen achter zich gekregen én hij heeft zo aan de wereldliteratuur een dijk van een vervalsingsgeschiedenis toegevoegd. Er is bij mijn weten geen tweede geval bekend van een zo opzichtig onechte tekst die vervolgens onbedoeld een zo hoge status als authentieke bron verkreeg. De goede verstaander zou er lessen uit kunnen trekken en zichzelf afvragen wat ‘echte teksten’ zijn. Is dit Oera Linda-boek echt? Hoe dan? Is de bijbel echt? Hoe dan? De Peutinger kaart? Hoe dan? Een begin van een antwoord is mogelijk dat het Oera Linda-boek natuurlijk echt is, maar niet voor wat het zegt te zijn, maar als een negentiende-eeuwse literaire tekst die laat zien hoe negentiende-eeuwse mensen hun geloof beleefden.


De titel van mijn proefschrift:
Goffe Jensma, De gemaskerde god. François HaverSchmidt en het Oera Linda-boek (Zutphen 2004).

Verdere genoemde titels:
Borst, Arno, Der Turmbau von Babel. Geschichte der Meinungen über Ursprung und Vielfalt der Sprachen und Völker (6 dln; Stuttgart 1957-1963).
Grave, Charles Joseph de, République des Champs Elysées, ou Monde ancien, ouvrage dans lequel on démontre principalement: que les Champs élysées et l'enfer des anciens sont le nom d'une ancienne république d'hommes justes et religieux, située à l'extrémité septentrionale de la Gaule, et surtout dans les îles du Bas-Rhin, [etc.] (3 dln.; P.F. de Goesin-Verhaeghe Gand 1806).
De Jong, M. de, Het geheim van het Oera Linda-boek (Bolsward 1927).
Lampo, Hubert, Toen Heracles spitte en Kirke spon zijnde het verhaal van Charles-Joseph de Grave en zijn "Republique des Champs Elysées" waarin bewezen wordt dat Plato's Atlantis in de Nederlanden gelegen was (Brussel-Den Haag 1967).
Meij, G. J. van der, Kanttekeningen bij het Oera Linda boek een afspiegeling van de taalgeleerdheid, denkbeelden en schrijfstijl van J.H. Halbertsma, doopsgezind predikant in Deventer (z.p. 1978).
Ottema, J.G., Thet Oera Linda Bok. Naar een handschrift uit de dertiende eeuw. Met vergunning van de eigenaar, den heer C. Over de Linden aan den Helder, bewerkt, vertaald en uitgegeven (Leeuwarden 1872).
Rudbek, Olf, Atland eller Manheim dedan Jaophetz afkomne = Atlantica sive Manheim, vera Japheti posteroprum sedes ac patria (2 dln.; Upsaliae, 1689).



Valid HTML 4.01!