logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

BEWONDERING EN VERWONDERING

Kanttekeningen bij een dissertatie over Utrechtse kanunniken

Janus Jochems, Bavel
Ad Maas, Leende

Onlangs kregen we de dissertatie in handen van Kaj van Vliet met als titel: In kringen van kanunniken*(2000). Het boek is een uitgave bestaande uit een inleidend hoofdstuk over de oorsprong en het ontstaan van het kapittelwezen, gevolgd door een vijftal hoofdstukken waarvan vooral de hoofdstukken over de erfenis van Willibrord en Bonifatius (695 – 834) en het hoofdstuk tussen heiligen en heidenen (834- 995) onze speciale aandacht hebben en in relatie staan met het werk van de SEM, die het accent legt op de periode van het eerste millennium. Het boek is een goed verzorgde uitgave, gedrukt in een goed leesbare letter en zeker ook een pluim voor het zeer uitgebreide register. (De auteurs van het vorig jaar verschenen boek: De Kroniek van de hertogen van Brabant kunnen wat dat betreft daaraan een voorbeeld nemen. In laatstgenoemd boek ontbreekt zelfs een register, zeker een gemiste kans omdat het daarmee als studieboek veel aan waarde verliest). 
Het boek dwingt bewondering af. Van Vliet heeft een zeer grote hoeveelheid documenten en literatuur geordend en duidelijk beschreven. Een gigantische prestatie. Wie zich bezighoudt met de studie van het eerste millennium, kan om dit boek niet heen: een goudmijn. Dat het boek vele Latijnse teksten bevat in de voetnoten is voor een belangstellende die het Latijn niet machtig is, en die zijn er steeds meer, een gemis. Dat de laatste Latijnse tekst (blz. 430) wel in vertaling is meegegaan doet aan dat gemis niets af.
Maar al lezende slaat deze bewondering ook met vrij grote regelmaat om in verwondering. Hoe kan het dat deskundigen zoals deze auteur zó tegen historisch onderzoek aankijken? Is wetenschappelijk historisch werk nu werkelijk het alsmaar meer aan elkaar relateren en aan elkaar breien van grote hoeveelheden ongelijksoortige documenten die voor waar aangenomen worden tot het tegendeel zou blijken, met daarbij nog wat archeologische ondersteuning als dat goed uitkomt? Hier ligt het gevoel van vervreemding als wij deze omvangrijke arbeid overzien en trachten te plaatsen. In het boek Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland? wordt een andere visie gegeven: 

Interpretatie van teksten blijft ook wat het eerste millennium betreft een kernstuk in die geschiedkunde. Maar om verder te komen moet er een andere oriëntatie gekozen worden. De traditionele oriëntatie gaat ervan uit dat overgeleverde teksten in principe een werkelijke stand van zaken in het verleden aangeven. Men vertrouwt op de teksten en gaat twijfelen als daar aanleiding toe is. Zij acht het uiteraard wenselijk dat de opgestelde interpretaties ondersteund worden door archeologische vondsten, astronomische verschijnselen, geologische bevindingen en taalkundige verklaringen (van bijvoorbeeld plaats- en waternamen). Dat is vaak nogal vlot het geval in deze houding, denkwijze en werkwijze. Als ondersteunende elementen niet of onvoldoende voorhanden zijn, worden ze als ‘nog niet ontdekt’ beschouwd. De kans op het steeds opnieuw hervinden van ‘de’ waarheid van de traditie is hier vanwege de methodologie zeer groot. Deze antiquarische oriëntatie is gericht op behoud en traditie. Wat men zoekt zal men ook wel vinden. Een nieuwe oriëntatie moet naar onze mening een andere invalshoek kiezen: je vertrouwt de teksten niet. Ook geschreven teksten spiegelen vanuit bepaalde belangen een stand van zaken voor waar de opstellers nog best in geloofd kunnen hebben ook. Je gaat pas op mogelijkheden vertrouwen als je niet aan de geboden informatie hoeft te twijfelen. Maar twijfel is de uitgangssituatie. Deze twijfel kan overigens ontsporen en uitlopen op een maniakale ontmaskering: alles is dan leugen en bedrog en niet meer dan dat. Deze ontmaskeringsoriëntatie biedt vaak spannend leesvoer en kan soms nieuw onderzoek oproepen. De overgang naar een kritisch-constructieve oriëntatie die uitgaat van twijfel maar die ook in twijfelachtige teksten historisch brood ziet, is naar onze mening voor de komende tijden het meest productief. Zij vervalt niet in de goedgelovigheid van conventionele mediëvistiek, maar ook niet in ongeloof en behoefte om te ontmaskeren om te ontmaskeren. 
We beperken ons nu tot enkele kanttekeningen om onze verwondering toe te lichten. In het register werd onze aandacht uiteraard getrokken door het woord Traiectum, waarbij meteen wordt doorverwezen naar Utrecht. Hier is dus hier sprake van een ongemotiveerde interpretatie van het toponiem Traiectum. Zeker na het Willibrord-Bonifatius-symposium d.d. 6 november in Bavel en het daarbij verschenen boekwerk Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland?, waarbij voor Traiectum minimaal vier alternatieven worden aangegeven, waarvan Utrecht er een is. Van Vliet is dus kennelijk een volgeling van een reeds lang bestaande traditie, waarbij Utrecht wordt geclaimd als zetelplaats van Willibrords Traiectum. Merkwaardig is zijn uitspraak over de wijding van Willibrord tot aartsbisschop van de Friezen: “achteraf gezien het begin van het latere bisdom Utrecht”. Geschiedschrijving is altijd zaken ‘achteraf zien’ maar in dit geval moet tot nu toe gewoon gelezen worden: ‘later geïnterpreteerd’. In de slotbeschouwing geeft Van Vliet in het kort weer wat de beperkingen van zijn onderzoek zijn geweest. Hij schrijft letterlijk (blz. 421): “Om te beginnen de grote bronnenschaarste: met name de overlevering voor de periode tot het midden van de elfde eeuw kenmerkt zich door grote lacunes. Desondanks bleek het mogelijk voor diverse instellingen een doorgaande ontwikkeling te schetsen vanaf de achtste of vroege negende eeuw. Waar de bronnen zwegen, waren vermoedens en veronderstellingen onvermijdelijk. Getracht is om deze een zo stevig mogelijk fundament te geven door de afzonderlijke instellingen steeds in hun onderlinge samenhang te bestuderen en te plaatsen in het bredere verband van de ontstaansgeschiedeniis van het bisdom en de ontwikkeling van het kapittelwezen in het algemeen”.

Van Vliet gaat vervolgens met veel algemeenheden die lacunes opvullen. Dat we dan ook veel modaliteiten in het boek aantreffen is onvermijdelijk. Treffend voorbeeld op blz. 187 waar Balderik wordt opgevoerd in verband met het kapittel in Oldenzaal (Catalogus episcoporum Ultraiectinorum van ca. 1340). We lezen dan achtereenvolgens o.a.: lijkt alleszins aannemelijk; het zal bij een veronderstelling moeten blijven; moet hebben gehad; naar alle waarschijnlijkheid; naar het schijnt; na verloop van tijd lijken; mag worden verondersteld; er valt veel voor te zeggen; als deze burcht mag worden getypeerd; kan zij zeer wel tot stand zijn gekomen; het munster van Balderik zou dan van meet af aan door een burcht zijn omgeven. Ongeveer tien modaliteiten in een stukje tekst van ongeveer vijfentwintig regels. Geen gek gemiddelde! De catalogus is uit de veertiende-eeuw, dus let wel: vijf eeuwen na dato. Aan de lopende band worden veronderstellingen geopperd, maar dat het niet meer dan veronderstellingen zijn, wordt niet uitdrukkelijk gesteld en expliciet gemaakt, en dat is ons bezwaar in wetenschappelijk opzicht.
Het waarheidsgehalte van deze bron wordt ook niet ter discussie gesteld. Dat geldt evenmin voor talrijke andere genoemde bronnen waarvan aan de betrouwbaarheid moet worden getwijfeld. Eigentijdse bronnen uit die periode zijn er nauwelijks. Zeker gezien het kritisch oorkondenonderzoek, dat met name in Duitsland goed op gang is gekomen, had Van Vliet wel meer terughoudenheid kunnen en moeten betrachten.
Waarop baseert Van Vliet zich wanneer hij beweert (blz. 19) dat het bisdom Utrecht heeft gefunctioneerd vanaf de achtste eeuw. Er zijn in de bronnen geen bewijzen te vinden en we herinneren ons nog maar al te goed de discussie omtrent de opgravingen op het Domplein in Utrecht in 1993. Vele publicaties moesten bevestigen dat Willibrord daar zijn kerkje heeft gehad. Toen C14-onderzoek aantoonde dat de ouderdom van die kapel ongeveer op zijn minst 150 jaar jonger was, werd die C14-aanpak als niet van toepassing beschouwd. De betreffende auteur, Utrechts stadsarcheoloog H.L. de Groot, had zoiets toch wel eerder kunnen vasstellen. Dat had heel wat gemeenschapsgeld kunnen schelen. Vele publicaties over de ouderdom van de kerken op het Domplein (H. Kruiskapel, St.-Salvator, St.-Maarten) uit Willibrords tijd volgden. Van Vliet refereert daar ook aan. Hij stelt dan ook terecht (zie voetnoot 357 op blz. 87) dat archeoloog C.A.M. van Rooijen (2000), de door De Groot en Rijntjes veronderstelde achtste-eeuwse datering in twijfel trekt en pleit voor een datering einde tiende eeuw. Daarmee komt toch alles wel in een ander daglicht te staan. Aan het daglicht verandert er echter niets.

In een werk over kapittels is het toch wel opmerkelijk dat ook Dorestad, althans in de betekenis van Wijk bij Duurstede, wordt opgevoerd onder het kopje overige munsters (blz.115), waarbij de bekende schenkingsakte van Karel de Grote (777) wordt aangehaald. De reeds dikwijls vemelde Theutbertus (in de vijfde-eeuwse Livius-codex) is niet meer de door prof. D.P. Blok vastgestelde Theodardus, de opvolger van bisschop Alberik. Van Winter (1996) heeft volgens Van Vliet op goede gronden betoogd dat genoemde Theutbertus echter vereenzelvigd moet worden met met de priester Thiatbrath die koorbisschop zou zijn geweest in Dorestad, waaruit van Vliet dan concludeert dat waarschijnlijk ook Dorestad een munsterkerk heeft gekend. Deze en vele andere passages roepen steeds discussie op. 
Nog enkele voorbeelden. Van Vliet schrijft (blz. 121): “Afgaande op de passio Frederici in het begin van de elfde eeuw - eigentijdse vermeldingen zijn niet voorhanden - stond er in ieder geval begin negende eeuw een kerk op het eiland Walcheren”. Waarom in ieder geval? Omdat prof. P.A. Henderiks dat beweert? Het is bekend dat ook de meningen over het bestaan van het achtste-eeuwse Dokkum sterk uiteenlopen: van ‘zeker waar’ (Spamer) tot bijna ‘zeker niet niet waar’ (Hekstra). Dat daarmee ook Dokkumse kapittels in de lucht kunnen komen te hangen in die tijd is vanzelfsprekend.
Opmerkelijk is ook de reeks kaarten die in het boek zijn opgenomen (de kaarten 9, 10, 16 , 22 en 33) waarop het bisdom Utrecht wordt uitgebeeld achtereenvolgens in de periode 777, 850, 1000, 1100 en 1225. Wat de geologische situatie van Nederland betreft is er volgens deze kaartjes in dit tijdsbestek niets veranderd. Geen enkele geologische en geografische verandering in Zeeland, de Waddeneilanden en de Zuiderzee in een tijdsverloop van bijna vijf eeuwen? Over de kwaliteit van het werken met historische kaartjes gesproken.

Oldenzaal komt goed aan haar trekken (blz. 185-191). Balderik (oudste vermelding in de veertiende eeuw), liet als de stichter van het kapittel (vroeg vijftiende-eeuwse vermelding) het lichaam van Plechelmus overbrengen van Odiliënburg naar Oldenzaal. De kerk in Oldenzaal is van buiten en van binnen vergeven van ‘Twentse’ missionarissen als Plechelmus, Wiro en Odger, met telkens Balderik op de achtergrond. Toen we onlangs, in het kader van een studentenreünie, boven op de Plechelmustoren stonden, zagen we in de verte het Duitse Bentheim liggen. Daar heeft Janus Jochems bijna vijftig jaar geleden fossielen gezocht en in handen gekregen die bij hem thuis nog steeds gekoesterd worden. Daarmee had je een zekerheid van langvervlogen tijd in handen, met de dissertatie van Kaj van Vliet beschikken we over een fraai boekwerk, waarvan de inhoud met vele vragen, onduidelijkheden, interpretaties en modaliteiten, de lezer in het onzekere achterlaat.
In de lijst met bronnen wordt ook het, sinds de verschijning nauwelijks geciteerde, boekje van P. Leupen en B. Thissen, Bronnenboek van Nijmegen, aangehaald. Kennelijk een eerbetoon aan eerstgenoemde, de promotor. In die uitgave (1981) wordt nog steeds vastgehouden aan Nijmegen als keizer Karel-stad (wie neemt dat nog serieus?). Opmerkelijk dat die gedachte, omstreeks 1480, werd gelanceerd door een kanunnik, namelijk de Nijmeegse kanunnik Willem van Berchen die toen voor het eerst Nijmegen gelijkstelde met de residentie van Karel de Grote. Erger is dat Leupen in dat Nijmeegse bronnenboek Nijmegen ook opvoert als bisschopszetel (blz. 38, tekst 111). Deze historische blunder is voor zoete koek geslikt door wetenschappelijke vakbroeders. Een teken aan de wand. Zie ook de bijdrage van Alex Laenen over die “bisschop” in dit nummer (blz. 35). Een beetje meer zelfkritiek is wel op zijn plaats en dat geldt ons inziens ook voor de besproken uitgave van Van Vliet. 

Ten slotte nog even terug naar Traiectum. Op blz. 71 en 72 schrijft Van Vliet het volgende: “Beda spreekt in dit verband van Fresia citerior en doelt daarmee op het door de Friezen bewoonde kustgebied bij de monding van de Schelde en de Maas. In het zuiden werd dit gebied begrensd door het Zwin, in het oosten door de Frankische gouwen Rien (omgeving Antwerpen), Texandrië en Betuwe, in het noorden door de oude Rijn-limes. Met steun van Pepijn maakten Willibrord en de zijnen in dit gebied een aanvang met hun missie, mogelijk met Antwerpen als basis”. Hier hoort noot 276 bij en die citeren we ook grotendeels: “Wie de betreffende passages in de Historia ecclesiastica van Beda Venerabilis leest, kan zich afvragen of Friesland van meet af aan het doel van de missie van Willibrord en zijn metgezellen is geweest of dat dit doel niet eerst door toedoen van Pepijn tot hoofddoel van hun missie werd verheven. Het is heel goed mogelijk dat Willibrords missie - in directe aansluiting bij de plannen die Egbert destijds had gekoesterd - een veel bredere opzet heeft gekend en dat zij behalve bekering van de Friezen ook die van andere Germaanse volkeren op het oog hadden”. 
Een dergelijke meer open benadering, zonder fixatie op Traiectum-Utrecht, juichen wij van harte toe.
Commentaar geven op dit inhoudelijk rijke boek (wat het eerste millennium betreft vooral tot bladzijde 210) vergt het schrijven van een ander boek. We kunnen ons daarom alleen maar voornemen om dit boek steeds weer een centrale plaats in de discussies in SEMafoor te geven. 

* K. van Vliet, In kringen van kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695- 1227. 2002 Walburg Pers Zutphen. 503 blz. ISBN: 90-5730-229-2. Prijs: € 44,95.

Valid HTML 4.01!