logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

VERVALSTE ARCHEOLOGISCHE VONDSTEN IN NIJMEGEN
Vergissingen in de publiciteit 


Gijs van Udenhout Lommel 

Ook de kwaliteitsmedia, dus de media die zich beroepen op een brede nieuwsgaring, zelfstandig onderzoek en onafhankelijke meningsvorming en standpuntbepaling komen nogal eens terecht in de situatie dat ze voor P.R.-karretjes gespannen worden. Hier beperken we ons nu tot een actuele zaak op archeologisch terrein. De beste bron om daarover kritisch te lezen en te studeren (maar dat moet dan wel gebeuren) is in dit geval het artikel van R. Meijers, Ineke Joosten en Harry van Enckevort, ‘Kun je bewijzen dat ze vals zijn?” Vijf Christusmonogrammen op archeologische objecten (Numaga 2005). Deze tekeningetjes zijn aangebracht op twee stukjes terra sigillata, een stukje gladwandig aardewerk, een fragment glas en een loden plaatje. Het gaat om vrij onnozele afbeeldingen die bij een belangeloos en nuchter waarnemer meteen als ongeloofwaardig overkomen. Zowel de vondsten als de ingekraste tekeningen zijn vals. Nog duidelijker is dat bij een andere Nijmeegse ‘vondstvervalsing’ (beter gezegd: echt een mooi grap!): twee stukjes barnsteen die gelegd zijn op een doodskop (met een gaaf gebit) en waar Peter van den Broecke en Harry van Enckevort bij noteerden (Ulpia Noviomagus 8, maart 2002) dat de steentjes bedoeld waren ‘om de dode licht te verschaffen in de duisternis van het graf of tijdens de reis naar het hiernamaals’. Kwestie van antropologische expertise, lijkt mij. 

De titel van het artikel in Numaga is opvallend: archeologen krijgen er namelijk de zware taak bij dat ze moeten bewijzen dat vondsten die ze zelf voor echt houden toch vals zijn. Ietwat merkwaardige voorstelling van zaken. Ze hadden immers van meet af aan kunnen en moeten zien dat er met de vondsten iets verdachts aan de hand was, daar is geen onderzoek voor nodig, en dat hadden ze naar voren moeten brengen, in plaats van vooringenomen interpretaties te lanceren, die met veel ‘opzien’ in de publiciteit werden gebracht en daar voor zoete koek werden geslikt. Het artikel vermeldt dat het vertrouwen in de authenticiteit van de christogrammen gaandeweg de overhand kreeg en dat dat dus op bepaalde wijze in ‘voorpublicaties’ werd gepresenteerd. Deze mededeling maakt duidelijk dat de archeologen niet over één nacht ijs gingen, dat is meestal een mooie competentie, maar juist in dit geval eerder een aanwijzing van enig gebrek aan vakmanschap en professionaliteit. Ook worden we ervan doordrongen dat de archeologen hun bevindingen in ‘voorpublicaties’ presenteerden, dus in publicaties die vóór echte publicaties komen en die je niet helemaal serieus moet nemen. Gek is wel dat de ontdekkingen enige jaren geleden helemaal niet als mogelijkheden of veronderstellingen werden gepresenteerd, maar als overduidelijke feiten. Als je eraan twijfelde was je minstens familie van Albert Delahaye. Ook hier manipulatie met taal. Toen er toch twijfel losbarstte, vooral door de archeoloog D. Steures (in een typoscript zonder plaats en zonder jaar) werd de ‘archeologische restaurator’ van museum het Valkhof doelgericht aan het werk gezet met de bikkelharde opdracht om de christogrammen natuurwetenschappelijk te onderzoeken. Het mocht wat kosten! Wat gewoon te zien was, moest onderzocht worden. Van Steures is bekend dat hij goed uit zijn ogen kijkt en ook redelijk goed kan typen, en zijn typescript is ongetwijfeld het lezen waard, maar helaas niet tijdig gepubliceerd. De genoemde restaurateur is Ronny Meijers, een van de auteurs van het artikel in Numaga, tevens degene die bij de presentatie van het betreffende Numagajaarboek de vervalsingen besprak. 

In het artikel worden de vervalsingen met veel zorg besproken alsof het om een gewichtig wetenschappelijk vraagstuk ging waar veel tijd en geld in gestoken moest, mocht en kon worden. Met andere woorden: wat al volkomen duidelijk was, moest toch nog eens met veel nadruk onderzocht worden, natuurwetenschappelijk nog wel. Wederom gingen de archeologen niet over één nacht ijs. Deze liefdevolle en genereuze zorgvuldigheid leidde niet alleen tot de conclusie dat de christogrammen op al deze objecten vals zijn maar ook nog (‘vrij naar Van Es’) tot de bevinding dat de Nijmeegse archeologen ‘verblind zijn geweest door deze ongewone vondsten’ en daardoor ‘iets te gretig zijn geweest’ in de voorpublicaties over de ontdekkingen. Een knieval van formaat: ‘iets te gretig’ in plaats van ‘verontrustend vooringenomen’ en een ‘afgang voor de archeologie als wetenschap’. En de voorpublicaties blijken te gaan over de echtheid van de vondsten en de echte publicatie (= het artikel in Numaga) over de valsheid ervan. Rare ‘voorstudies’. Maar helaas de knieval pakt toch uit als een miniscuul kniebuiginkje. De vervalser krijgt namelijk de schuld. Geheel misleidend wordt verwezen naar de kwestie van de steentijdvondsten van Tjerk Vermaning en het boekje van Leo Verharts boek List & bedrog. Vervalsingen in de Nederlandse archeologie en naar Scherpe stenen op mijn pad van H. Waterbolk. Verhart laat zich helemaal niet stellig uit over Vermaning’s activiteiten en Waterbolk heeft een detective van zich af willen schrijven die vooral neerkomt op het verdacht maken van vroegere collega’s en relaties. Ik citeer nu toch een wel erg kostelijke passage (gratis aan te bieden aan Yoep van ’t Hek): In het Nijmeegse geval is de daad vijf keer gepleegd, waaruit een zekere mate van opzet is af te leiden. De reikwijdte van dergelijke misplaatste grappen moet niet worden onderschat. De discussie en het onderzoek hebben veel tijd en inspanning gekost, waardoor ook de financiële schade aanzienlijk is. De ‘vervalser’,dus niet de Nijmeegse archeologie zelf, heeft Nijmegen opgezadeld met een stevige kostenpost. 

 

Vervalsing ‘Vondstdatum’ Toelichting
Inkrassing op Terra sigillita-scherf 9 februari 1999 Hezelstraat in Nijmegen
Inkrassing opTerra sigillita-scherf 6 juni 1999 Tienakker in Wijchen
Inslijping met roterend freesje op stuk sodaglas  1998 Nabij de Mariënburgkapel
Graffitti op een stukje van een gladwandige kruik 1995/1997 Weurtseweg
Een loden plaatje met puntering 1998 Mariënburgkapel 


In de passage over het stukje gladwandige kruik worden de drie auteurs ineens ook de uitvoerders van het natuurwetenschappelijk onderzoek: de persoonsvorm ‘we’ wordt dan gehanteerd. Voor SEM-betrokkenen is het wel aardig om te vermelden dat het onderzoek naar kleurverschil geschiedde met behulp van Scanning Electron Microscopy (afgekort SEM) die gedetailleerd uitgelegd wordt aan de Nijmeegse abonnees van Numaga. Wel prettig dat SEM in dat netwerk zo positief naar voren wordt gebracht. 

Wie hebben de vervalsingen gerealiseerd? Dat is in deze comedie de enige klemmende vraag. Archeloog Harry van Enckevort meldde in de media dat dit niet meer uit te zoeken zou zijn. Waarom niet? In de P.R. en in de media is het gelukt om een vervalser van buiten Nijmegen te opperen. Onlogisch. De vervalser heeft met zijn vervalsingen immers willen bereiken dat Nijmegen gezien werd als een plaats die nog eerder christelijk was dan tot nu toe aangenomen werd. Dat lijkt toch een voor de hand liggende veronderstelling? Welke buitenstaander zou immers deze gedachte willen bevorderen? Andere hypothese: de vervalser wilde de Nijmeegse archeologen voor schut zetten door iets te vervalsen dat eerst een tijd voor echt versleten zou worden en dat daarna ontmaskerd zou worden als onecht. Teveel Stephen King. Zo lijkt het. Een te gekunstelde veronderstelling? Wie gaat nu twee keer op toeval zitten wachten? Welke buitenstaander gaat daarvoor al die moeite doen, en dat nog wel op vijf locaties. Het lijkt veel redelijker om te zoeken in de kring van de Nijmeegse archeologie. Dit zou serieus onderzocht moeten worden en dat hoeft niet veel te kosten. Wellicht alleen al door na te gaan welke namen gekoppeld kunnen worden aan de 5 locaties die tot nu toe bekend zijn. Ik noteer wat namen van mensen die in theorie aanmerking komen (uiteraard pure hypotheses):
- Ronny Meijers, een van de auteurs van het hier besproken artikel, of een van zijn medewerkers/voorgangers: in zijn werkplaats kent men het vak en daar werd ontdekt dat het stukje glas ingeslepen was met een roterend freesje met een diamantkop; en dan staat daar ineens de zin: Het in het restauratieatelier aanwezige freesje met een diamantkop met een diamater van 3 mm bleek zelfs precies in de sporen van de rand van de hals te passen. Justitie heeft vaak minder bewijs in handen om iemand onder verdenking te stellen.
- De Nijmeegse stadsarcheoloog Jan Thijssen, misschien wel in samenwerking met Titus Panhuijsen, want zijn naam komt in deze affaire niet voor en dat is wel opvallend: hij is juist de uitvinder van een vroeg-christelijk Nijmegen.
- Ad Lansink, voormalig lid van de eerste kamer vanuit het CDA, en nu vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van de Nijmeegse carnaval; dus een juweel van een kandidaat voor een rol in de Nijmeegse vervalsingen. Zie zijn artikel Van knotsendragers naar knotsenburgers.
Hier laat ik het op dit moment even bij: ongetwijfeld zal op dit terrein nog het nodige gepubliceerd worden. Misschien komt er nu ook eens een ander hoofdstuk in publicaties als List en bedrog of eventueel Bedrog en list. 

Nawoord

In het eerste deel van Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland staan op blz. 197 christogrammen op een zilveren haarspeld en een olielampje afgebeeld; deze dateren waarschijnlijk uit de vierde eeuw; deze vondsten geven aan dat toen het christendom een belangrijke positie innam. In het tweede deel van deze stadsgeschiedenis wordt verwezen naar het door P. Leupen en B. Thissen geredigeerde Bronnenboek van Nijmegen. Eerste eeuw na Chr. -1247 (1981). Belangrijk daarbij was een overmaat aan gretigheid in het feit dat dit bronnenboek een bisschopszetel plaatste in Nijmegen. Een jaar later publiceerde Albert Delahaye een fel commentaar op deze blunder: De bisschop van Nijmegen. Ook dit boek van Delahaye wordt anno 2005 zelfs in de literatuurlijsten verzwegen. Hoe dat vanuit een wetenschappelijke houding te verantwoorden kan worden, is op zichzelf een discussie waard. Noyon en Nijmegen werden in het bronnenboek diverse keren (zonder enige vakwetenschappelijke twijfel) verward. Noyon-Noviomagus, waar Karel de Grote tot koning werd gekroond, was uiteraard wel een bisschopsstad. Regelmatig duikt op diverse plaatsen in de Nederlanden de gretig geproclameerde Nijmeegse bisschop op.




Valid HTML 4.01!