[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Stadsgeschiedenis van Nijmegen, oudste stad van Nederland
(publicaties en tentoonstelling)
Paul van Overbeek, Zoetermeer1 Inleiding
Al maanden bevat de kop van het stadskatern van de Nijmeegse editie van De Gelderlander de toevoeging ‘Oudste stad van Nederland’. De gemeente Nijmegen heeft 2005 gekozen om haar 2000-jarig bestaan te vieren, zo opent de begin september verschenen stadsgeschiedenis van Nijmegeni die daarvan een hoogtepunt vormt.
Een stroom van publicaties in dagbladen, tijdschriften en boeken over de geschiedenis van Nijmegen of aspecten daarvan verwijst voorts naar dit jubileum. Ook het Museum Het Valkhof leverde een belangrijke bijdrage aan het in beeld brengen van de Nijmeegse geschiedenis. Na een grootse expositie van werk van de (Nijmeegse) gebroeders van Limburg is er van 10 december 2005 tot 7 mei 2006 nog een expositie Nijmegen, oudste stad van Nederland over de ontwikkeling van Nijmegen vanaf de Romeinse tijd tot in de (vroege) middeleeuwen.
Hieronder zal ik mij beperken tot die publicaties en exposities die gaan over het aandachtsgebied van de SEM , dus globaal de periode tot ca. 1250.
In Nijmegen houden ze wel van een (jubileum)feestje. Immers in 1930 vierde men in Nijmegen 700 jaar stadsrechten, in 1955 vierde men in Nijmegen het 1850 jaar bestaan van de stad. En in 2000 betreurde Haalebosii het dat men in 1998 het 1900 jaar daarvoor van Keizer Traianus verkregen stadsrecht niet gevierd had. Op 22 april 2002 gingen er stemmen op om in 2005 niet ‘1900 jaar stad’, maar ‘2000 jaar stad’ te vieren. Niet de verlening van stadsrechten aan Ulpia Noviomagus omstreeks 98 na Christus – nu ruim 1900 jaar geleden –, maar de ‘inrichting’ van Oppidum Batavorum als hoofdplaats van het bestuursgebied van de Bataven zou de aanleiding moeten zijn. Deze gebeurtenis, die zich voltrokken zou hebben op en rond het Valkhof omstreeks 17 na Chr., maakt Nijmegen tot de oudste stad van Nederland.iii
We vieren dus op het moment waarop we het 1900-jarig jubileum gepland hadden, maar vast het feestje van circa 2017. Dit jubileum sluit daarbij aan bij het 50-jarig jubileum van de Nijmeegse Historische Vereniging Numaga.
2 De oudste stad?
Wat beschouw je als het begin van een stad? In Europa spreken we in het algemeen pas over een stad, wanneer er stadsrechten zijn verleend. Dit is voor een aantal nederzettingen op het territorium van de gemeente Nijmegen [naar men aanneemt] gebeurd.iv De eerste keer mogelijk bij de oprichting van Oppidum Batavorum als hoofdplaats en bestuurscentrum van de Bataven in het oosten van het huidige stadscentrum rond 17 n.Chr.. Uit de daar gevonden godenpijler wordt geconcludeerd dat deze nederzetting stedelijke allure gehad moet hebben. Deze nederzetting zou in 69 n.Chr. in brand zijn gestoken. Een tweede stad werd, waarschijnlijk door Keizer Traianus, op een andere locatie in het huidige Waterkwartier in of kort na 98 als stad erkend hetgeen men afleid uit de benaming Ulpia Noviomagus (Batavorum). Deze stad werd vernield en verlaten in de derde eeuw. Daarna is er zeker 500 jaar geen sprake meer van enig stadsleven. Pas in 1230 wordt door Rooms-koning Hendrik VII de huidige stad Nijmegen (toen Numaga) erkend als vrije keizerlijke Rijksstad en tenslotte werd deze stad in 1247 een van de hoofdsteden van het Hertogdom Gelre.
Er zitten dus nogal wat lacunes in de stedelijke continuïteit van Nijmegen. Toch lijkt het er op dat door het krachtige publiciteitsoffensief van Nijmegen dat Maastricht dat tot nu toe internationaal als oudste stad van Nederland bekend stond op grond van veel meer continuïteitv van zijn eerste plaats heeft verdrongen. Pikant detail is, dat deze gebeurtenis in de publiciteit gebracht werd door Titus Panhuysen, stadsarcheoloog van Maastricht. De discussie hierover vond in meerdere fora plaatsvi. Samenvattend kan Nijmegen weliswaar als eerste stad in Nederland beschouwd worden, maar het heeft gedurende zeer lange perioden tussen ca. 250 en 1230 absoluut geen stedelijke status of allure gehad en de huidige stad is eigenlijk pas 775 jaar oud.
3 Nijmegen Geschiedenis van de oudste stad van Nederland
Dit is de titel van de drie dikke delen met Nijmeegse stadsgeschiedenis (totaal ca. 1500 pagina’s) waarvan deel 1 Prehistorie en Oudheid en het eerste stuk van deel 2 Middeleeuwen in dit kader interessant zijn. Verder gaat deel 2 over de Nieuwe tijd en deel 3 over de Negentiende en twintigste eeuw. Omdat het zonder diepgaande studie niet mogelijk tot een goed afgewogen totaaloordeel te komen zal ik mij hier beperken tot een eerste indruk en een aantal zaken melden die mij daarbij opvielen.
Deze uitgave is onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente Nijmegen en de Radboud Universiteit tot stand gekomen op grond van een voorstel in 1996 vanuit de historische vereniging Numaga. Aan dit project dat acht jaar duurde werkten dertig historici en archeologen. Men richtte daarbij duidelijk op toegankelijkheid voor het grote publiek. Deze ‘integrale geschiedschrijving’ mocht geen traditionele geschiedschrijving worden, waarin vooral het wel en wee van de ‘elites’ wordt beschreven. De redactie constateerde daarbij dat ‘er heel wat grote lacunes in de geschiedkundige kennis over Nijmegen waren te signaleren’. Gebruik werd gemaakt publicaties van Numaga, afzonderlijke publicaties in boeken en tijdschriften en dagbladen, scripties van studenten en de omvangrijke bibliografie over Nijmegen in het gemeentearchief. Deze geschiedenis kan slechts een bepaald beeld van het verleden bieden, en natuurlijk geen volledig verhaal van alle gebeurtenissen uit het verleden. Dit beeld wordt opgeroepen door een groep [vooral Nijmeegse] historici op basis van door hen geselecteerde vragen naar het verleden. Bij gebrek aan bronnenmateriaal voor de vroegere perioden leidt dit er toe dat meer dan eens slechts de contouren van het historische beeld kunnen worden geschetst. Dit gebeurt per genoemde periode aan de hand van een viertal kaders: ruimte en bevolking, het economische en sociale leven, cultuur en politiek en bestuur. Omwille van de leesbaarheid is het notenapparaat uiterst summier gehouden en is gekozen voor korte bibliografische overzichten.vii
Het is voorts duidelijk meer dan een stadsgeschiedenis want ook de omgeving van Nijmegen wordt voor in ieder geval oudheid en vroege Middeleeuwen ruim meegenomen en er is ook veel aandacht voor algemene ontwikkelingen. Het boek is dus zeker ook interessant voor niet Nijmegenaren.
Over de gekozen periodisering wordt gesteld dat de gebruikelijke indeling in het Nijmeegse geval goed past om een ritme te brengen in de grote synthese. Door de grens tussen deel 1 en 2 echter te leggen bij het jaar 500 het traditionele begin van de middeleeuwen en niet bij het vertrek van de Romeinen (circa 250) is blijkbaar toch wat frictie ontstaan. In een bijdrage in deel 1 onder de titel ‘De vierde eeuw’ wordt het breukvlak van de Romeinse tijd 275-450 en de middeleeuwen 450-900 behandeld m.b.t. het Valkhof waarin de hele Middeleeuwse periode wordt meegenomen.viii In deel 2 begint de ruimtelijke ontwikkeling pas bij 800 en de sociaal economische ontwikkeling al bij 250. Het ontbreken van teksten tussen 227 en 777ix en de [slechts] veronderstelde continuïteit vanaf midden derde eeuwx maakt het blijkbaar niet eenvoudig het jaar 500 als scheiding te hanteren.
4 Romeinen en Bataven in deel 1
Deel een bevat een kleine 300 bladzijden voor prehistorie en oudheid. De redactie van dit deel was in handen van Willem Willems, Harry van Enckevort, Jan Kees Haalebos† en Jan Thijssen met bijdragen van nog elf anderen.
De twee bronnen die voor deze periode ter beschikking staan zijn de schriftelijke bronnen – zowel in afschriften overgeleverde antieke literatuur als bewaard gebleven inscripties – en de archeologische gegevens. Deze bronnen blijken elkaar niet altijd te bevestigen: Legio II Adiutrix dat tijdens de opstand van de Bataven optrad (en verondersteld wordt in Nijmegen gestationeerd te zijn geweest) heeft geen enkel herkenbaar spoor achtergelaten in de Nijmeegse bodem. Andersom is van een verblijf van het Tiende Legioen, dat in de laatste decennia van de eerste eeuw de Nijmeegse legerplaats heeft bezet, wat blijkt uit vele inscripties en stempels, in de overgeleverde geschriften niets te vinden. Ulpia Noviomagusxi wordt door geen enkele antieke auteur genoemd en is slechts bekend uit een handvol inscripties [van elders] en de vermelding van de naam Noviomagi op de Peutingerkaart in een context die ondanks andere visies op Nederland en Nijmegen lijkt te wijzen.xii De ook op Nijmegen van toepassing geachte namen Batavodurum en Oppidum Batavorum kennen we alleen uit Tacitus’ Historiae en het werk van Ptolemaeus.xiii
Het boek biedt een helder overzicht van de huidige visie op de Romeinse periode in Nijmegen met elkaar deels opvolgende legerkampen oostelijk van het huidige centrum (Hunerberg, Kops plateau) en burgernederzettingen bij het Valkhof ‘Oppidum Batavorum’, west van het centrum ‘ Batavodurum’ , bij aan de Waalkade, rond de Vlaamse gas en in het waterkwartier in Nijmegen-West ‘Ulpia Noviomagus’ en een kampdorp rond de legerplaats op de Hunerberg,
Het terrein op en rond het Valkhof wordt beschouwd als de locatie van de oudste burgernederzetting ‘Oppidum Batavorum’ het bestuurscentrum van het land der Bataven, hoewel sporen van openbare gebouwen tot nu toe ontbreken. Er is weinig dat op verbindingen met de inheemse bevolking wijst [de Bataven?] eerder moet men denken aan Gallo Romeinse immigranten - handelaren en ander volk - [Bataven?] die in het kielzog van de Romeinse troepen zijn meegekomen naar het noorden. Toch lezen we ook dat Batavodurum en Oppidum Batavorum volgens Bogaers op dezelfde locatie (in het centrum van Nijmegen) betrekking hebben, terwijl naast de mogelijkheid van twee verschillende locaties Van Enckevort & Thijssen het denkbaar achten dat Oppidum Batavorum niet echt een plaatsnaam is.xiv
Uiteraard schrijft men over de daar gevonden fragmenten van een godenpeiler, het bewijsstuk voor het stedelijk bestaan van een nederzetting in Nijmegen vanaf circa 17 n.Chr.; door de gekozen aspectbenadering komt deze weliswaar op vier plaatsen in dit deel aan de orde, maar er is slechts één afbeelding van één zijde van het gevonden zuilfragment; een reconstructietekening of afbeeldingen van de andere zijden al dan niet in een kadertekst ontbreken.xv
Een belangrijke vondst is een in 1993 gevonden zilveren ring met een tekst waarin de letters ‘NOVIOM’ de enige locale vondst met een tekst die een indicatie geeft van de plaatsnaam van Nijmegen. xvi Deze vondst van lijkt overtuigend voor de naam Noviom[agus] in de Romeinse tijd, maar is slechts een aanwijzing. De vraag waarom in dit geval deze tekst wel op de vondstplaats slaat en de elders in Europa gevonden teksten en inscripties met de vermelding (Ulpia) Noviomagus niet verzwakt dit bewijs. Inscripties gevonden in (de omgeving van) Nijmegen met andere plaatsen van afkomst zijn immers ook geen bewijs voor de toenmalige naam van Nijmegen.
Het boek bevat een overzichtskaart van de Romeinse Limes in Nederland. Hierop worden o.a. de Romeinse wegen in Nederland en ook het aangrenzende Duitse gebied tot en met Xanten aangegeven.xvii Het is jammer dat men hier voor de bodemreconstructie het gebied over de huidige Nederlandse grens niet heeft aangegeven; dit gebied dat tot vlak bij Nijmegen komt is immers wel degelijk interessant voor Nijmegen. Vooral voor degenen die de Peutingerkaart in Nederland bestuderen is interessant dat van de vermoede verbindingsroutes tussen de zekere en vermoede Romeinse locaties zo weinig als zeker wordt aangegeven. Alleen het stuk tussen Alphen aan den Rijn en Bodegraven blijkt zeker. Langs de niet zekere zuidelijke weg tussen de kust blijken ook de halteplaatsen (afkomstig van de Peutingerkaart) nog steeds niet gevonden.xviii
Dat keizer Valentianus in 368 een bezoek aan Nijmegen bracht, was nieuw voor mijxix. Zo’n keizerlijk bezoek aan Nijmegen had toch meer aandacht moeten krijgen.
Wie dacht dat hij met het recente Nijmeegse boek over de Bataven, verhalen van een verdwenen volk alles over de Bataven wist, had het blijkbaar fout. Willems stelt op grond van nog niet gepubliceerd onderzoek van Van Enckevort in het hoofdstuk bevolking dat er voor de eerder veronderstelde rol van een Bataafse elite in Nijmegen en omgeving m.b.t. hun betrokkenheid bij de bouw van tempels geen ruimte meer is.xx
Over discrepantie tussen bronnen en continuïteit van bewoning is op meerdere plaatsen sprake. Zo wordt vermoed dat Nijmegen rond 51 v.C. tot de Eburoonse invloedssfeer behoorde. Waar dit vermoeden op gebaseerd is blijkt niet uit de tekst en ondanks het ontbreken van onafhankelijk archeologisch bewijs voor de decimering van de Eburonen in dat jaar wordt deze toch als uitgangspunt voor het verdere betoog gehanteerd.xxi
Enckevort & Thijssen constateren uit potten die waarschijnlijk uit graven afkomstig waren en een pottenbakkerij (van datzelfde type potten) uit de omgeving die rond 700 is te dateren, bewoning [beter zou zijn begraving] rond 700. Samen met grafvondsten (gedateerd op tweede helft vierde tot begin vijfde eeuw) en een dertigtal graven van rond 500 leidt dit bij hen tot het constateren van bewoningscontinuïteit voor Nijmegen tot 700.xxii Nu blijft slechts een beeld van schaarse losse vondsten uit de periode van de 4e tot in de 10e eeuw zijn die in aantal absoluut en relatief veel kleiner zijn dan die van de daarvoor liggende Romeinse periode. Dat er begraven is in het gebied van de huidige stad is hier zeker, dat er kleinere of grotere groepen op locaties daarbinnen hebben verbleven is dat ook, maar over de omvang en de continuïteit daarvan zou ik toch graag meer onderbouwing zien dan de zeer beperkte vondsten.
Op grond hiervan kan slechts geconstateerd worden dat er hier en daar gedurende betrekkelijk korte perioden groepen mensen gewoond hebben. Van een stedelijke bebouwing is in het geheel nog geen sprake. Hierdoor blijft gerede twijfel over de bewoningscontinuïteit in Nijmegen na het vertrek van de Romeinen. Ook het vrijwel ontbreken van vondsten die overeenkomen met de [vermeende] belangrijke positie van de Nijmeegse keizerpalts vanaf eind achtste eeuw geeft ernstig te denken.
De bijdrage over (uitsluitend Romeinse) architectuur beperkt zich bij gebrek aan een samenvattend onderzoek van de Romeinse bouwsculptuur tot een samenvatting van een recente publicatie van de auteursxxiii en toont vooral plattegronden en reconstructies van een aantal daarin besproken gebouwen. Voor deze periode waar voor Nijmegen en zijn omgeving historisch heel weinig bekend is, moeten we het vrijwel volledig hebben van de archeologie. Hoewel we al veel weten of denken te weten c.q. aannemen over deze periode, blijft uiteindelijk toch het beeld hangen dat er toch ook erg veel nog niet is onderzocht, of echt is bewezen.
5 De vroege middeleeuwen in deel 2
In deel twee is globaal de helft van de ruim 600 bladzijden uitgetrokken voor de middeleeuwen. Jan Kuys en Hans Bots vormden de redactie. Hoofdstukken over de middeleeuwen werden geschreven door P. Ekkers, Paul Klep, Bert Thissen, Jan Kuys en Gerard Lemmens.
Dit deel vangt aan met de tekst: Al heeft de archeologie kunnen aantonen dat de nederzetting Nijmegen na het vertrek van de Romeinse bezetting steeds bewoond is gebleven, op andere gebieden zoals de economie, politiek en religie weten we nauwelijks of er verbindende schakels zijn geweest tussen oudheid en Middeleeuwen. Eigenlijk weten we niet eens of de overgang geleidelijk dan wel schoksgewijs heeft plaatsgevonden. De overgangsperiode tussen beide tijdperken lijkt erg schimmig, in Nijmegen maar ook in de wijde omgeving. […] Toen immers begon de duistere tijd van de vroege Middeleeuwen, waarover archeologische en schriftelijke bronnen ons slechts mondjesmaat inlichten. Op basis van de kennis van hoe de geschiedenis van de vroege Middeleeuwen in Nederland in grote lijnen is verlopen wordt vervolgens globaal verteld hoe de ontwikkelingen in Nijmegen zijn geweest, maar over de plaatselijke ontwikkelingen zijn nauwelijks concrete gegevens te achterhalen. Met het bezoek van Karel de Grote in 777 komt, wat de politieke geschiedenis betreft een einde aan de duistere eeuwen van de Nijmeegse geschiedenis. Vervolgens is er sprake van de bouw van de [archeologisch nooit in Nijmegen aangetoonde] koninklijke palts en van een lange periode waarin Nijmegen vooral als koninklijke residentie op de voorgrond trad.
Het hoofdstuk over de ruimtelijke ontwikkeling begint niet met 500 maar pas met 800. Toen werd naast een kleine begin achtste eeuwse nederzetting van wat koop- en handelslieden aan de zuidoever van de Waal waar een regelmatig gebruikte veerdienst was, op de hoger gelegen heuvels in de tweede helft van die eeuw een palts gevestigd met vlak daarbij de eerste parochiekerk en een landelijke boerennederzetting. Hierover staat vervolgens: Van de palts, de nederzetting en de kerk zijn echter weinig of geen sporen teruggevonden. Hoe de auteur dan tot zijn opening [koop- en handelslieden en een regelmatig gebruikte veerdienst] komt is mij bij gebrek aan tekstuele bronnen een raadsel. Later genoemde grondsporen blijken slechts te wijzen op verspreide bewoning en agrarische activiteiten in de Karolingische tijd en pas op zijn vroegst in de tiende eeuw op een haven of aanlegsteiger.xxiv
Op basis van een [geschat] aantal graven in de dan nog gebruikte laat-Romeinse grafvelden in de periode van de vierde tot en met de zevende eeuw komt men op een bevolking van circa 450- tot 650 personen. Voor de periode van de achtste tot en met de veertiende eeuw ontbreekt deze informatie over de graven.
Op grond van pollenonderzoek voor die periode concludeert men dat vanaf 710-890 het landbouwareaal toeneemt tussen 890-1000 afzwakt en daarna tot 1240 opnieuw een hoog niveau bereikt en dat dit een indicatie is voor de toename en afname van de bevolking.xxv
In het hoofdstuk over de economische en sociale ontwikkeling lezen we dat de Lotharingse koning Otto I pas in 949 zijn residentie op het Valkhof herstelde na de volledige vernieling daarvan door Noormannen in 881. Uit welke bron dit komt weet ik niet, maar het maakt de in het Bronnenboek van Nijmegen door Leupen & Thissen vermelde teksten over bezoeken aan de Nijmeegse palts in die periode door Zwentibold in 896 en 898 en Karel de Eenvoudige in 912 daarmee wel een stuk minder waarschijnlijk. Een Karolingische palts in Nijmegen blijft zo toch wel in nevelen gehuld, ondanks deze in Nijmegen vastgestelde canon van bronnen. Dat er goede redenen zijn om vraagtekens te zetten bij de Karolingische periode in het algemeen en deze palts in Nijmegen in het bijzonder is in dit blad al eerder aangehaald in artikelen over de alternatieve hypothesen over de geschiedenis van die tijd door Heribert Illig en over de locatie van deze palts in Noyon door Albert Delahaye.xxvi Ook de uitspraak Nijmegen wordt in de vroege Middeleeuwen op verschillende wijzen aangeduid. De vaakst voorkomende is ‘villa’ wordt niet bevestig door Leupen & Thissen. Van de daar vermelde 72 bronnen in de periode 500 tot 1000 en de 45 in de elfde eeuw kom ik er nog geen 5 tegen met de aanduiding ‘villa’ voor Nijmegen. De aanduiding ‘palatium’ en ‘castrum’ komen daar veel vaker voor.xxvii
In het hoofdstuk over cultuur wordt er over kerkelijk en godsdienstig leven tot 1000 niets te gemeld, anders dan de veronderstelling dat de parochiekerk van Nijmegen tot de bezittingen van de bisschop van Keulen behoorde. Voor wat betreft de beeldende kunst is er uit de periode voor circa 1350 niets meer bekend dit vooral door de moedwillige vernielingen tijdens de beeldenstorm en de aansluiting bij de Republiek der Zeven Provinciën. De palts van Karel de Grote op het Valkhof blijft vooralsnog een luchtkasteel waarvan het bestaan hebben wordt afgeleid uit schriftelijke bronnen. Dit lijkt een veel breder probleem dat voor vrijwel alle vroege paltsen geldt, met uitzondering voor de palts in Aken. Dat er van deze palts niets over is wordt verklaard door het gebruik van hout en het in brand steken ervan door Noormannen in 881. Later zou deze palts weer hersteld zijn en gebruikt tot 1047 toen de palts opnieuw door Godfried III van Opper Lotharingen in brand werd gestoken. Over de aanwezigheid in die periode van een eerste zevende eeuwse Sint-Stefanuskerk bestaan alleen vermoedens. Waarschijnlijk stond alleen de Sint-Nicolaaskapel van circa 1050 hier nog toen Keizer Frederik Barbarossa ter plaatse in 1155 een nieuwe palts in steen bouwde. Van profane bouwkunst is er voor de 11e eeuw niets te melden.
Afgezien van vermoedens komt Nijmegen na de duistere eeuwen sinds circa 400 in het hoofdstuk over de middeleeuwse politieke en bestuurlijke geschiedenis voor het eerst voor in 777. Daarvoor moet Nijmegen in het grensgebied tussen Friezen en Franken gelegen hebben. Vanaf dat moment baseert men zich op de reeks schriftelijke bronnen die men op Nijmegen van toepassing acht. Voor de juistheid hiervan voor wat betreft Karel de Grote in Nijmegen, zie ik ook in dit boek nog steeds geen overtuigend bewijs. Zo blijven de vragen van Albert Delahayexxviii over de vele bronnen die tot dan toe spreken over Noviomagus (en andere varianten) wel algemeen aan Noyon worden toebedeeld en (sommige) daarna aan Nijmegen, vooralsnog niet beantwoord. Ook archeologisch is hier niet of nauwelijks steun voor. Hoe de Nijmeegse palts er voor 1155 heeft uitgezien, moet giswerk blijven. Voor het maken van een reconstructie ontbreken zowel de schriftelijke als archeologische bronnen.[…] Het enige dat we hier nog hebben zijn enkele zuilfragmenten uit de Karolingische periode, bestaat uit enkele zuilkapitelen, die omstreeks 1155 [zouden] zijn hergebruikt voor de herbouw van het paleis. […] Vermoedelijk stond er op deze plek al een paleis uit de Merovingische tijd, maar daarover weten we niets.xxix
Hoewel de schaarste aan schriftelijke en materiële bronnen voor de vroege middeleeuwen niet wordt verhuld – men spreekt van de duistere eeuwen tussen circa 400 en 777 - lijkt er toch een vrij compleet beeld van de Nijmeegse geschiedenis van die periode op papier te staan. De wat kritischer lezer (of de wat minder chauvinistische Nijmegenaar?) merkt echter al snel dat op basis van de zeer schaarse locale losse puzzelstukjes royaal geïnterpoleerd en geëxtrapoleerd werd om dit totaalbeeld te schetsen. Dit blijkt (overigens net als in deel 1) uit het veelvuldig gebruik van teksten als op grond van de praktijk elders kunnen we aannemen, we nemen algemeen aan, deze zullen hebben gewoond, mogelijkerwijs, misschien, waarschijnlijk, zijn er aanwijzingen die duiden op, naar L. vermoedt, men mag veronderstellen dat, wellicht, vermoedelijk, wij moeten er van uitgaan dat of naar men aanneemt. Lacunes worden ingevuld met informatie over ontwikkelingen en praktijken elders, die ook wel voor Nijmegen geldig zullen zijn. Door het zeer beperkte gebruik van noten in dit deel (in de zich daar zeer goed voor lenende marges) is het helaas niet of nauwelijks mogelijk na te gaan waar deze gissingen en veronderstellingen op gebaseerd zijn.
De schaarse bronnen leiden helaas tot geen enkele twijfel over de betrouwbaarheid daarvan of over het van toepassing zijn op Nijmegen hetgeen blijkt uit uitdrukkingen als zal zeker, beslist, ongetwijfeld. Vermeldingen van vervalsingen van documenten uit die tijd, van terechte kritiek op het Bronnenboek van Nijmegen of van mogelijk onterechte interpretatie van Noviomagus (en andere benamingen) = Nijmegen zijn niet te vinden. Het lijkt wel of de eerder aangehaalde stelling van de redactie dat deze geschiedenis slechts een bepaald beeld van het verleden kan bieden er toe heeft geleid dat andere mogelijkheden die niet pasten in dat [van te voren] bepaalde beeld ook niet gefalsificeerd hoefden te worden en gemakshalve maar werden genegeerd.
De thematische opzet maakt het moeilijk om binnen deze periode onderscheid te maken tussen de aandacht voor de vroege en de late middeleeuwen, maar als we naar de illustraties kijken blijken er van de 83 illustraties 5 te gaan over het Nijmegen van voor het jaar 1250, te weten een reconstructietekening en een foto van de Sint-Nicolaaskapel, twee foto’s van de Sint-Maartenskapel en een afbeelding van een gedenksteen van de herbouw van de palts door Frederik Barbarossa.
6 Een definitieve geschiedenis van Nijmegen?
De driedelige uitgave biedt een goed leesbare samenvatting van de Nijmeegse geschiedenis. Mooi uitgegeven in drie luxe banden. Afbeeldingen in een duidelijk herkenbare stijl. Verwijzing naar literatuur in voetnoten in grijstint waardoor de niet in achterliggende publicaties geïnteresseerde zich hier niet aan hoeft te storen. Bijdragen van 32 auteurs hetgeen mede door de gekozen thematische aanpak echter leidt soms tot verdubbelingen / overlappingen. Duidelijk verschillende visies bij de verschillende auteurs hoe door gebruik van voetnoten in de gebruikte literatuur verder gelezen kan worden. Door de opsomming van literatuur per hoofdstuk aan te bieden komen hierin vele herhaalde vermeldingen in voor. Er moet helaas geconstateerd worden dat de controle door de eindredactie niet perfect is geweest zodat in voetnoten vermelde literatuur soms niet en soms onjuist in de literatuurlijst bij dat hoofdstuk voorkomtxxx.
Overigens bieden deze literatuurlijsten een unieke mogelijkheid om vaak in minder bekende buitenlandse publicaties verschenen literatuur te ontdekken.
Storend werkt de dogmatische wijze waarop een aantal ‘waarheden’ worden gepresenteerd. Gemist wordt bij de meeste auteurs de visie van anderen en het vermelden van twijfels en onzekerheden. Het is een duidelijk Nijmeegse publicatie geworden voor een groot deel door Nijmeegse archeologen en historici geschreven, waardoor mogelijk hier en daar toch wat te weinig afstand van de soms magere feiten genomen wordt en het verhaal te veel wordt aangedikt met veronderstellingen en mogelijkheden zonder echt duidelijk aan te geven dat het om hypothesen gaat. Deze uitgave is soms duidelijk een compromis geworden tussen een uitgave voor het grote publiek en een integrale wetenschappelijke volledig verantwoorde stadsgeschiedenis. Toch moeten we dankbaar zijn dat deze er nu na 50 jaar Numaga is en dat in een uitvoering die echt iets toe te voegen heeft aan eerdere versies van de geschiedenis van Nijmegen of van Romeins Nijmegen. Het is echter te hopen dat met deze bijbel de geschiedenis van Nijmegen niet definitief is vastgelegd en dat toekomstige schrijvers terug gaan naar de al dan niet vermelde bronnen en eerdere publicaties en daarbij ook proberen de in het werk geconstateerde lacunes proberen te vullen.
7 De expositie Nijmegen, Oudste stad van Nederland en de gelijknamige publicatie
Heel chique vormgegeven met o.a. speciaal bedrukte tapijten die de bezoeker diagonaal door de expositieruimte leiden. De laatste grote overzichtstentoonstelling over Romeins Nijmegen was in 1979 in het Museum Kam te zien, dus met al het archeologisch onderzoek van de laatste 25 jaar is er heel wat nieuws te vertonen, niet allen uit de ‘stad’ Nijmegen maar ook uit het enkele jaren geleden aan de gemeente Nijmegen toegevoegde gebied aan de overzijde van de Waal. Door een aantal uit archeologische of historische bronnen bekende personen wordt de bezoeker (gelukkig in modern Nederlands) hun verhaal verteld. Bijzonder zijn de computerreconstructies van gebouwen. Voeger alleen in maquettevorm op een kleine schaal, sinds enkele jarenxxxi wordt het beeld van bouwwerken in Romeins Nijmegen gepresenteerd op grotere of kleinere schermen als filmpje waarop het bouwwerk van alle kanten vertoond wordt. Op grote doeken zie je de afbeeldingen van deze gebouwen op de tentoonstelling. Spectaculair, je staat er als het ware midden in. Gebaseerd op opgegraven resten van fundamenten en enkele opgaande muurdelen bestonden er wetenschappelijk verantwoorde plattegronden (gebaseerd op opgravingstekeningen) en dan meestal niet zoals heden gebruik is een horizontale doorsnede op ongeveer ooghoogte, maar vaak slechts iets boven vloerniveau of zelfs daar nog onder. In de impressie van het gebouw zijn vervolgens de ontbrekende delen op basis van de veronderstelde gestandaardiseerde bouwwijze van het Romeinse leger aangevuld met zuilen, ramen, verdiepingen, dakconstructies en dakbedekking. Zo wordt op bijzonder knappe wijze uit in de fundering aanwezige aanzetten van steunberen geconstateerd dat hoger in het gebouw sprake geweest moet zijn van tongewelven.
Op zich een tentoonstelling die de reis waard is, maar vergeet dan niet ook de vaste collectie van het museum te bezoeken. Het verhaal van de Romeinse periode wordt daar ook verteld en het is jammer dat daarbij geen aansluiting bij is gezocht.
8 Overige publicaties in het kader van 2000 jaar Nijmegen
Al in 2003 verscheen de Historische atlas van Nijmegen van B. Gunterman, 80 blz. waarvan 8 mede betrekking hebben op de periode voor de 13e eeuw. Naast kaarten ook foto’s, aquarellen en tekst. Hiertussen een fraaie hoogtekaart van de heuvelrug van Nijmegen tot Xanten (uit 1958) en voor wat betreft de Romeinse periode enkele slechts eerder in de locale pers gepubliceerde kaartjes van Romeinse straten en de (vermoedelijke) Romeinse waterleiding in Nijmegen. Gunterman schrijft ‘Het is een raadsel wat er tussen 400 en 800 n.Chr. met Nijmegen is gebeurd’ Dat dit een understatement is blijkt in zijn atlas uit de eerste kaartje van na de Romeinse periode: een overzicht van Nijmegen in de twaalfde eeuw van F. Gorissen uit 1957. Overigens vele mooie afbeeldingen, waaruit o.a. blijkt dat de oudste kaart van Nijmegen pas in 1557 werd gemaakt door Jacob van Deventer in opdracht van de Spaanse koning. De kaarten vormen echter illustraties bij de tekst en zijn worden zelf niet verder toegelicht. Het is dus eerder een ruim met kaarten verlucht boek dan een atlas.
Daarna verscheen in Verborgen Verleden. Bouwhistorie in Nijmegen, het resultaat van een grootscheeps bouwhistorisch onderzoek in de stad. Hierin beschrijft J. Thijssen de periode tot ca. 1200 onder de titel Romeins puin voor middeleeuws Nijmegen, een stevige basis. Hij schrijft o.a. over ‘de teleurstelling over het ontbreken van goede (diepgaande) archeologische informatie van de periode vóór 1300 ‘, terwijl ook (in een noot) blijkt dat er verschil van mening bestaat over een aantal fragmenten van beeldhouwwerk die door Clevis als Romaans, door Sarfatij als Romeins en door Lemmens en Thijssen als Karolingisch worden beschouwdxxxii. De vraag blijft waaruit blijkt dat vondsten echt Karolingisch zijn (dus uit rond 800).
Bijzonder handig is de cd-rom 50 jaar Numaga-publicaties 1954-2004 met daarop alle publicaties van de Historische Vereniging Numaga uit die periode. Al jaren was ik bezig om de laatste drie ontbrekende nummers te pakken te krijgen en uit de verantwoording bleek dat ik daar niet alleen in stond omdat ook Numaga de eigen publicaties niet in haar archief bleek te hebben en het verzamelen daarvan was een moeizaam karwei, vooral voor de eerste jaren. Maar het was de moeite waard. De documenten in pdf-formaat zijn voorbeeldig ontsloten op een zelfde manier als eerder de publicaties van o.a. de Koninklijke Oudheidkundige Bond (je kunt op woorden zoeken) maar de kwaliteit van de afbeeldingen is gelukkig veel beter. Een ware schatkist, met daarin ook de laatste uitgave van 2004 de Nijmeegse biografieën deel 1xxxiii, dat in dit blad al eerder werd besproken en dat voor een prijs die lager ligt dan 1,5 jaar lidmaatschap.
Een globaal overzicht van de stadsgeschiedenis is te vinden in het boek van Paul van der Heijden 20 eeuwen Nijmegen. Hier is voor iedere eeuw een hoofdstuk van 4 bladzijden ingeruimd, met uitzondering van de vijfde en zesde eeuw ‘de Donkere middeleeuwen’ die het samen met vier bladzijden moeten doen. Toch blijkt het ook voor hem erg moeilijk om de pagina’s van de vijfde tot de tiende eeuw te vullen met echt Nijmeegse feiten en vondsten. Het boek is ruim geïllustreerd in kleur, een soort kleine broer van de driedelige stadsgeschiedenis, maar wel enkele maanden eerder geboren uit maar één ouder i.p.v. vele. Het boek is met 96 pagina’s wel ruim drie keer zo duur per pagina maar tegen de royale subsidiëring van die uitgave kan een commerciële uitgever nooit op. Voor wie niet zo geïnteresseerd is in wetenschappelijke diepgang een leuke moderne samenvatting.
Een derde stadsgeschiedenis wordt gevormd door de serie De 20 dagen van Nijmegen xxxiv die vanaf november in 20 maandelijkse afleveringen van in totaal 488 bladzijden verschijnt. Deze is net als de vorige uitgave bedoeld voor een groot publiek en is vergelijkbaar met De 25 dagen van Nederland. Hoewel per bladzijde iets goedkoper dan 20 eeuwen Nijmegen, is dit uiteindelijk verreweg de duurste uitgave. De eerste 2 delen van de 20 dagen van Nijmegen (over circa 17 na Chr. De oprichting van de Godenpeiler en over 30 maart 777 Karel de Grote bezoekt Nijmegen) zijn inmiddels verschenen en daarmee sluit ook de bespreking van het eerste millennium af. Deel drie zal nog gaan over de periode 1155-1402. In deel 2 geschreven door stadsarcheoloog Jan Thijssen wordt gelijk ook de hele periode 450-1155 (bouw van de Barbarossaburcht) behandeld. Uit de illustraties blijkt opnieuw hoe weinig er in Nijmegen is te vinden wat met Karel de Grote en zijn tijd (achtste en negende eeuw) in verband is te brengen. En waar dat verband gelegd wordt (een in een veel jongere context aangetroffen ‘Karolingisch’ kapiteel) lijkt dit nogal zwak.xxxv
Dat naast de officiële archeologie ook de amateur-archeologie een belangrijke rol speelt in Nijmegen, blijkt uit Een Maaltijd van Kruimelsxxxvi Hierin wordt, vooral aan de hand van een aantal eerder verschenen artikelen, de geschiedenis geschetst van de amateur-archeologie zoals die georganiseerd binnen de afdeling Nijmegen en omstreken van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland. Gestart in 1968 vormden de leden van deze afdeling door hun veel grotere aantal regelmatig een steun voor de professionals bij het uitvoerende werk, maar kwamen uit hun kringen ook belangrijke suggesties, zoals bijvoorbeeld het traject van een Romeinse waterleiding. In 1980 kwam ook van hen al het verzoek om over te gaan tot een professionele stadsarcheoloog die uiteindelijk in 1989 werd benoemd.
Ook claimen zij een gapend gat gevuld te hebben, namelijk de bewijzen voor de continuïteit van de bewoning van Nijmegen in de ‘donkere’ periode van 400-750 na Chr.xxxvii
Verder verschenen er in dit kader nog twee dunne boekjes van Anton van de Sande God aan de Waal. Over 2000 jaar geloven in Nijmegen en van Paul Klep (lid van de redactieraad van de nieuwe stadsgeschiedenis), Tweeduizend jaar Nijmegen. Een stadshistorische beschouwing over religie en economie met een hoofdstukje over de religie van de Bataven tot circa 1300.
In het tweede staat de rede van Klep ter gelegenheid van de 82e dies natalis van de - sinds kort zo genoemde - Radboud Universiteit Nijmegen. Hierin is weinig te vinden over Nijmegen in het eerste millennium. Aardig is wel de vermelding door Klep van het feit dat Tiel, dat rond 1000 al wel stadsrechten had, het in die tijd daardoor economisch veel beter deed dan Nijmegen.
In De gedroomde stad. Nooit gebouw Nijmegen tenslotte komen o.a. ook de dromen van sommigen Nijmegenaren over de herbouw van de Barbarossaburcht op het Valkhof, zoals die sinds 1978 door de Valkhofvereniging worden gestimuleerd aan bod. Kort wordt daar vanuit een 20e eeuwse visie op architectuur de herbouwvoorstellen van de palts op het Valkhof besproken. De droom over een Karolingische burcht die ter plaatse gestaan zou moeten hebben komt niet ter sprake.
9 En Nijmegen gaat door
De belangstelling voor de geschiedenis van Nijmegen stimuleert ook de vakwereld. Nijmegen zorgde op het eind van het feestjaar voor echt nieuws. Eerst was daar de oudste stenen woning van Nederlandxxxviii die de landelijke pers haalde. Niet veel later gebeurde dit met een spectaculaire ontmaskering van een vijftal vervalsingen van inscripties op archeologische vondstenxxxix, die overigens niet in de hiervoor vermelde stadsgeschiedenis waren vermeld. Kort daarop werd ook betwijfeld of de raadselachtige stukjes barnsteen die in 1999 werden aangetroffen in de oogkassen van een schedel uit circa 500 n.Chr.xl wel bij de begrafenis werden aangebracht of pas bij de opgraving.
Literatuur
50 jaar Numaga-publicaties 1954-2004 Numaga, Nijmegen 2005
Brandhof, W. van den De 20 dagen van Nijmegen 1: Circa 17 na Christus Oprichting van de godenpijler, Waanders, Zwolle 2005
Camps, R. e.a. (red.) De 20 dagen van Nijmegen Deel 1 Circa 17 na Christus. Oprichting van de Godenpijler en Deel 2 30 maart 777 Karel de Grote bezoekt Nijmegen, Waanders, Zwolle 2005
Enckevort, H. van & J. Thijssen, Graven met beleid. Gemeentelijk Archeologisch onderzoek in Nijmegen 1989-1995 Uniepers Abcoude 1996
Enckevort, H. van & J. Thijssen, Nijmegen und seine Umgebung im Umbruch zwischen Römerzeit und Mittelalter, in Kontinuitat und Diskontinuität Walter de Gruyter, Berlin - New York 2002
Enckevort, H. van Romeinse huizen onder het asfalt van de St. Josephhof in: Nijmeegs Katern 19(2005)5 p. 66-73
Gunterman, B. Historische atlas van Nijmegen. 2000 jaar ruimtelijke ontwikkeling in kaart gebracht, SUN, Nijmegen 2003
Haalebos, J.K. Mosterd na de maaltijd. Een vergeten jubileum: Traianus en het jaar 98 na Chr. In Nijmegen, in Jaarboek Numaga 67(2000) p. 8-41
Hakvoort, K. & C. Verhoeven Nooit gebouwd Nijmegen. De gedroomde stad Architectuurcentrum Nijmegen 2005
Heijden, P. van der, Twintig eeuwen Nijmegen BnM Uitgevers Nijmegen 2005
Holleman, Th., Nijmegen tweeduizend jaar stad. Oudste stad van Nederland viert feest in: Archeologie Magazine 13(2005)3 p. 6-9 en reacties hierop van A. Senden, P. Schele en J. de Vries in Archeologie Magazine 13(2005)4 p. 78-79
Holleman, Th., Graven naar de wortels van de stad der Bataven in: Archeologie Magazine 13(2005)6 p. 28-31 (met een aanvulling op p. 46)
Jansen, J. Een maaltijd van kruimels. Amateur-archeologie in Nijmegen AWN Afdeling Nijmegen en omstreken 2005
Klep, P.M.M., Tweeduizend jaar Nijmegen. Een stadshistorische beschouwing over religie en economie Radboud Universiteit Nijmegen 2005
Koster, L., K. Peterse & L. Swinkels Romeins Nijmegen boven het maaiveld. Museum Het Valkhof, Nijmegen, 2002
Kuijpers, F. e.a. (red.), Nijmegen 2000 jaar, Een Magazine van Nieuwsblad De Brug Nijmegen en De Zondagkrant Nijmegen 2005
Kuys, J. & H. Bots (red.) Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland (deel 2) Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, Inmerc, Wormer, 2005
Leupen & Thissen Bronnenboek van Nijmegen Gemeentearchief Nijmegen 1981
Meijers R., I. Joosten & H. van Enckevort ‘Kun je bewijzen dat ze vals zijn?’ Vijf Christusmonogrammen op archeologische objecten, in: Jaarboek Numaga 52(2005) p. 130-141
Overbeek, P. van, Is Nijmegen Noviomagus? In SEMafoor 4(2003)1 p. 12-18 (betreft verkorte lezingtekst; publicatie volledige versie in voorbereiding)
Panhuysen, T.A.S.M., De Romeinse godenpeiler van Nijmegen, Museumstukken 8 Museum Het Valkhof, Nijmegen, 2002
Panhuysen, T.A.S.M., De Navel van Nijmegen: De godenpeiler van Keizer Tiberius in: Kunsthistorisch tijdschrift Desipientia - Zin & Waan 12(2005)1
Peterse, K. Romeins Nijmegen, een agglomeratie met meerdere gezichten in: Kunsthistorisch tijdschrift Desipientia - Zin & Waan 12(2005)1
Sande, A. van de (met een voorwoord van J. Bluyssen) God aan de Waal. Over 2000 jaar geloven in de stad, 2005 Vantilt
Swinkels, L., De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam / Museum Het Valkhof, Nijmegen, 2004
Swinkels, L. & A. Koster Nijmegen. Oudste stad van Nederland, Museum Het Valkhof, Nijmegen, 2005
Thijssen, J., Het Valkhof in Nijmegen. Ontwikkelingen in en rond een Laat-Romeins castellum in: W.J.H. Verwers & P.J. Woltering (ed.), Middeleeuwse Toestanden. Archeologie, geschiedenis en Monumentenzorg Hilversum, 2002
Thijssen, J. Romeins puin voor middeleeuws Nijmegen, een stevige basis, in: De Vries 2004 p. 10-19
Thijssen, J. De 20 dagen van Nijmegen 2: 30 maart 777 Karel de Grote bezoekt Nijmegen, Waanders, Zwolle 2005
Nijmegen 2000 jaar in: Kunsthistorisch tijdschrift Desipientia - Zin & Waan 12(2005)1
Vries, D.J. de e.a. (red.) Verborgen Verleden. Bouwhistorie in Nijmegen, Matrijs, Utrecht, 2004
Willems, W. e.a. (red.) Nijmegen Geschiedenis van de oudste stad van Nederland (deel 1) Prehistorie en Oudheid, Inmerc, Wormer, 2005
Noten
i Timmermans, P.J.M. In het spoor van Rogier in: Willems 2005 p. 4
ii Haalebos, J.K. Mosterd na de maaltijd. Een vergeten jubileum: Traianus en het jaar 98 na Chr. In Nijmegen, in Jaarboek Numaga 67(2000) p. 8-41
iii Jaaroverzicht 2002 in Jaarboek Numaga 70(2003)
iv Bergen, J. van, De oudste stad Nijmegen. Nijmeegse appels zijn geen Maastrichtse peren in: Kuijpers 2005 p. 11 waarin o.a. het verschil van mening tussen Jan Thijssen (Nijmegen) en Titus Panhuysen (Maastricht) over de oudste stad van Nederland
v Panhuysen in: Kuijpers 2005 p. 11 : Maastricht heeft wel 2000 jaar stedelijke ervaring. Zo wordt het graf van Sint Servaas al 1600 jaar door pelgrims bezocht; Panhuysen 2005, en Panhuysen 2002. Een wetenschappelijke monografie is in voorbereiding, waarin ook wordt ingegaan op het beeld dat de bekroning van deze pilaar kan hebben gevormd. Zie hierover ook De Vries in zijn reactie op Holleman 2005
vi Zie bijvoorbeeld ook Holleman 2005 (in Archeologie Magazine nr. 3) en de reacties daarop
vii Ontleend aan Bots & Klep, Woord vooraf Geschiedenis van Nijmegen in: Willems 2005 p. 5-9
viii Van Enckevort & Thijssen in: Willems 2005 p. 129-143
ix Althans volgens Leupen & Thissen Bronnenboek van Nijmegen Gemeentearchief Nijmegen 1981
x Enckevort & Thijssen in: Willems 2005 p. 129
xi Zie ook Van Overbeek 2003
xii Denk hierbij aan de discussie die Albert Delahaye in de jaren 50 opstartte. Een interessante visie, die Nijmegen bevestigd is te vinden bij http://www.brucop.com/millennium/nederlands/romanroads (8-1-2006)
xiii Ontleend aan Willems 2005 p. 14-17
xiv Haalebos & Willems in Willems 2005 p. 44 en Enckevort & Thijssen in: Willems 2005 p.97-102
xv Willems 2005 p. 44-46 (met afb. die gelijk is aan die op p.3) 100, 187-188 en 272-273
xvi Willems 2005 p. 111 en 189. De betrouwbaarheid van deze inscriptie staat volgens Ronny Meijers, restaurator van Museum Het Valkhof, overigens boven verdenking omdat deze inscriptie in tegenstelling tot een aantal Christusmonogrammen wel uit die tijd is. (mondelinge mededeling 10 december 2005)
xvii Willems 2005 p. 152-153
xviii zie noot 12
xix Thijssen in: Willems 2005 p. 168 (en niet 169 zoals op p. 303 staat) Mogelijk vloeit een en ander voort uit een werkbezoek dat deze keizer in 368 aan Nijmegen bracht. Bij ontbreken van bronvermelding bleek dit bezoek door mij niet goed na te trekken; het citaat van Ammianus op p. 54 spreekt hier niet over. Dit zelfde geldt voor Leupen & Thissen, Bronnenboek van Nijmegen Gemeentearchief Nijmegen 1981 en Schoonwater, Nijmegen Keizerstad in Valkhofnieuws 18(1996)2 p.19-28. Misschien betreft het slechts een door de auteur verondersteld bezoek.
xx Willems 2005 p. 181. Waarom Willems hier niet verwijst naar het boek van Swinkels De Bataven: verhalen van een verdwenen volk (in SEMafoor 6(2005)2 besproken) wordt niet duidelijk, tenzij de auteur zijn stuk niet meer heeft aangepast na het verschijnen van dit boek in april 2004, wat afgeleid zou kunnen worden uit de voetnoten bij deze bijdrage.
xxi Willems 2005 p. 172-173
xxii Enckevort & Thijssen in: Willems 2005 p. 216-219 en Van Overbeek 2003.
xxiii Koster, Peterse & Swinkels 2002
xxiv Ekkers in: Kuys & Bots 2005 p. 18-23
xxv Thissen & Engelen in: Kuys & Bots 2005 p. 29-47
xxvi Van Overbeek 2003 en idem, De hypothesen van Heribert Illig … in SEMafoor 3(2002)2 p. 12-17
xxvii Klep en B. Thissen in: Kuys & Bots 2005 p. 48-153 speciaal p. 71-72 en 107
xxviii O.a. in: A. Delahaye De Ware kijk op … Deel 1 Noyon, het land van Bethune en Frisia Zundert 1984
xxix Kuys in: Kuys & Bots 2005 p. 226-247
xxx Zie bijv. in deel 1 p. 42 noot 3, p. 47 noot 7: van Es, p. 163 noot 92 en p. 272 noot 36 Panhuysen 2000
xxxi Swinkels & Koster 2005, Peterse 2005 en eerder Koster, Peterse & Swinkels 2002
xxxii Thijssen in: De Vries 2004 p. 13 en p. 147 en noot 12
xxxiii In SEMafoor 6(2005)2 p. 16
xxxiv Camps 2005
xxxv Over Karolingische(?) kapitelen in Nijmegen zie Lemmens Het Valkhof in Nijmegen Nijmegen 1980,p. 68-72 en Thijssen in: De Vries 2004 p. 13 en p. 147 en noot 12
xxxvi Jansen 2005
xxxvii Jansen 2005 p. 5; hiermee wordt bedoeld een in dit boek overgenomen artikel van Jan Thijssen uit 1988 in Nijmeegs Katern. In 1989 werd Thijssen in Nijmegen aangesteld als gemeentelijk archeoloog. Zo’n 6,5 jaar later werd Harry van Enckevort daar als tweede archeoloog aangetrokken.
xxxviii Van Enckevort 2005 en Holleman 2005 (in Archeologie Magazine nr. 6)
xxxix De Volkskrant 5 december 2005 en NRC Handelsblad 6 en 10 december 2005 en uitgebreider in de Gelderlander van 3, 5, 6 en 7 december 2005. Zie ook: Meijers, Joosten & van Enckevort 2005
xl In de Gelderlander editie Nijmegen van 10 december 2005. De vondst werd gepubliceerd in Ulpia Noviomagus 8. Gemeentelijk Archeologisch onderzoek in Nijmegen, Bureau Archeologie Gemeente Nijmegen 2002