logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

Reuvensdagen: een impressie van SEM

Rijswijk bezit niet alleen een zeer actieve archeologische dienst, maar beschikt ook over oude en nieuwe evenementenhallen die uitstekend geschikt zijn om daar voor zo’n 700 personen de Reuvensdagen te houden. In de ene hal de ‘archeologische ondernemingen’ (en wat er tegenaan zit) en in de andere hal tientallen, meestal korte, powerpointpresentaties van actuele archeo-activiteiten. Er zijn bedrijven die overheden ondersteunen bij het maken van beleid op het vlak van ruimtelijke ordening en archeologie, andere die archeologisch onderzoek doen en weer andere die meer specifieke diensten leveren, zoals uitzendbureaus voor archeologen. Je ziet hoe wet- en regelgeving in korte tijd het aanzien van de archeologie kan veranderen. Vanuit de sectoren onderwijs en zorg bijvoorbeeld zie je een parallelle ontwikkeling op het vlak van kwaliteitszorg en de toezichthouderij. Ook zijn er pogingen van bedrijven om de gigantische hoeveelheden onderzoek te ordenen in bestanden. Een jaarlijkse Archeobrief toont al aan hoe noodzakelijk dat is. Het moet lukken om veel informatie opzoekvriendelijk onder te brengen maar of dat tot betere benutting van beschikbare informatie leidt moet natuurlijk blijken. Archeologisch onderzoek is nu eenmaal heel wat anders dan brede literatuurstudie en het schrijven van vergelijkende studies (syntheses). Er was veel archeologische literatuur te koop. Opvallend is dat allerlei onderzoekswerk uit kan lopen op prachtige boekuitgaven die enerzijds een vorm van verantwoord maatschappelijk ondernemen zijn (dus sponsoring) en ook nog gesubsidieerd worden en anderzijds toch duur zijn. Waarschijnlijk is er een lokaal koperspubliek (je kunt het niet maken om het boek niet te hebben), een aantal bibliotheken en andere instellingen die een aanschafbeleid hebben en er is een groep van archeologen-historici die een boek voor de bedrijfsbibliotheek of voor zichzelf kunnen aanschaffen.
Opvallend in het aanwezige publiek was het grote aantal jonge mensen (studenten) en daarbinnen was het aandeel van de vrouwen zeer groot. Zou het waar zijn? De mannen aan de bestuurlijke en financiële knoppen en de uitvoering van het echte werk in handen van de vrouwen. Het viel trouwens ook op dat veel archeologen ook gezelligheidsdieren zijn: veel leuke vriendelijke mensen en een opperbeste sfeer. Een jonge archeoloog vertelde opgetogen dat hij veertien dagen mee mocht gaan graven op het bekende terrein van de Varusslag in Kalkriese. Aan de chemische samenstelling van de grond kan men klaarblijkelijk zien waar veel mensen in de pan werden gehakt. (Onlangs was in Paderborn en Detmold te zien dat bepaalde groepen ‘vorsers’ die locatie niet herkennen en erkennen.)
SEM had op de Reuvensdagen een (gesponsorde) stand die goed gefunctioneerd heeft. Doel en werk van SEM zijn ongetwijfeld bekender geworden en ook hier konden we een groeiende constructieve sfeer ervaren. De SEM-thema’s zijn in dit archeologen-milieu meer aan de theoretische en soms speculatieve kant: archeologie is in onze studiekring een deelbenadering in tal van zaken die het eerste millennium betreffen, en dan een deelbenadering die we niet zelf uitvoeren maar waarover veel gelezen wordt. De belangstelling binnen SEM voor de actuele archeologie is snel toegenomen en dat is maar goed ook, want het archeologisch onderzoek schrijdt explosief voort. En toch is er iets raars aan de hand. Binnen SEM is de kwestie van de dateringsmethoden een stevig aandachtspunt, en dat komt onder meer omdat binnen SEM dateren gekoppeld kan worden aan documenten die de chronologie in twijfel trekken. In onze landen (België en Nederland) is er buiten SEMafoor geen enkel medium dat over eventuele chronologieproblematiek met een zekere (hopelijk verstandige) regelmaat en op basis van bepaalde kwaliteitseisen publiceert. Het thema is in onze Lage Landen ongewenst en inderdaad voor wie er zich niet in verdiept bij voorbaat onzinnig. Ik besloot een paar uur te nemen voor een onderzoek naar aandacht voor dateren. Wat de presentaties betreft was het al snel duidelijk: geen enkele handelde over dateren. Maar opvallender was dat in de gehele tentoonstellingshal niets te vinden was over dateren. Kennelijk is het zo dat de traditionele methoden van dateren bij de archeologen zitten en daar valt dan kennelijk niets meer over te zeggen (wetenschappelijk gezien probleemloos) en dat de meer natuurwetenschappelijke methoden in handen zijn van enkele instituten en een zeer klein aantal experts. Wetenschappelijke stelligheid moet hier wel gecombineerd worden met geslotenheid omdat de investeringen terugverdiend moeten worden en bij voorkeur ook geld opleveren. Want dat hoorden en zagen we wel bij de archeologen: wat is dat dateren toch duur! We hebben dus een situatie dat de wetenschappers zelf niet de dateringsmethoden snappen en er veel voor moeten laten betalen. Begrijpelijk is ook dat op onze uitnodiging om commentaar te leveren op buitenlandse publicaties die bijvoorbeeld de 14C-methode en dendrochronologie als absolute meetmethoden in twijfel trekken, niet ingegaan wordt. De archeologen kunnen het niet en de experts hebben er geen enkel belang bij.
SEM kon zich niet alleen op een goede manier laten zien en allerlei contacten aanknopen en vernieuwen, maar er was ook een zekere acceptatie van het werk van de studiegroep merkbaar. De lengte van de Romeinse mijl was en is een geliefd discussiethema in SEMafoor. Dan is het toch wel mooi om te zien dat archeoloog Eric Weijters (Weijters Archeologie & Techniek) erkent dat er in ons land niet alleen gewerkt moet worden met de afstanden van 1500 en 2200 meter, maar ook wel degelijk met die van 2500 meter. Deze gedachte heeft wortel geschoten. Nog sprekender in verband met SEM was de voordracht van archeologiestudent (Leiden) Léon Coret die de vraag besprak wat voor een kaart de Tabula nu eigenlijk is: een echte wegenkaart of een symbolische kaart (van macht) of beide. Didactisch wat stuntelig, maar inhoudelijk een prachtig betoog. Hij gebruikte met bronvermelding de kaarten van Willem Bruijnesteijn van Coppenraet, die we zonder meer tot de SEM-steunpilaren mogen rekenen. Prof.dr. Jos Bazelmans prees dit kaartwerk publiekelijk. Interessant was trouwens zijn uitspraak dat we wellicht beter niet over de Tabula en over Germania hadden kunnen beschikken. Dat zullen velen die met deze documenten bezig zijn, niet onderschrijven, ze hebben er immers een levenshobby van gemaakt, maar het zou erg bijzonder zijn als Bazelmans zijn visie eens zou opschrijven. Misschien moeten we de visie van prof.dr. Gunnar Heinsohn, in SEM-kring allang bekend en nu via de NRC ook steeds meer in bredere kring, dat zowel de PK als Germania ‘humanistische’ vervalsingen zijn. SEMafoor publiceert nu eenmaal wel over dit soort bevindingen. Jammer dat Bazelmans daar zijn vingers wel niet aan zal willen branden. Van hem weten we echter dat juist hij in zijn dissertatie indringend bezig is geweest met Tacitus’ Germania en met Beowulf op een niveau dat we nog nergens gevonden hebben. In elk geval was dit onderdeel een erkenning van het voortreffelijke werk van Willem Bruijnesteijn. En wat de aard van de kaart betreft zou Léon Coret eens moeten praten met Maarten Nijssen die zich in dit nummer van SEMafoor weer laat zien en veel in petto heeft. 30 Jaar lang benutte Maarten veel tijd om de kaart werkelijk na te reizen en ter plekke alles na te zoeken. Het SEM-archief bevat de uitkomst van die tochten. Blijkbaar was de PK in de twintigste eeuw in grote lijnen nog volgbaar en nareisbaar. Coret beweerde ook dat in de PK-rol niet één segment maar drie segmenten ontbreken. Uiteraard een gewaagde stellingname (ook Bruijnesteijn rept over het ontbreken van een segment).
Zo werkten deze Reuvensdagen ook motiverend voor het werk van SEM van de laatste tien jaar. Een verdienste van de actieve SEM-betrokkenen maar ook van de grote groep mensen die het mogelijk maakt dat SEM via SEMafoor, internet en boekuitgaven kan functioneren.



Valid HTML 4.01!