[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
EEN BIJZONDER 8e SEM-SYMPOSIUM
OVER TRANSGRESSIES (?)
Deze keer (3 november 2007 te BAVEL) veel, eigenlijk alleen
maar pluspunten: hoge opkomst (een honderdtal deelnemers) evenals
vorig jaar, prima stemming met ook veel onderlinge contacten, alle
inleidingen van goede kwaliteit, een soepele organisatie (alleen het
microfoonwerk moet wat beter), veel oude bekenden maar ook steeds
meer nieuwe gezichten. Een nieuwe mijlpaal het verschijnen van het
tweede SEMboek: De Peutingerkaart in de lage landen, zowel een
handzaam als een boeiend document, in elk geval een boek dat aanzet
tot verdere ter zake doende discussie. Weer een prestatie van
uitgeverij Papieren Tijger in Breda. Qua opzet heeft dit boek een
sterke overeenkomst met Willibrord en Bonifatius: waren ze ooit in
Nederland? van 2004, maar biedt waarschijnlijk een meer aansprekend
thema voor het publiek buiten SEM. De Romeinse tijd is in de Lage
Landen in. Opvallend waren enkele geluiden waarin doorklonk dat het
tijd wordt dat SEM ook inhoudelijke standpunten uitdraagt. De open
discussie moet natuurlijk blijven maar als bepaalde opvattingen
achterhaald zijn en onjuist blijken, dan de discussie erover
stoppen. De volgende vraag is dan natuurlijk wanneer is dat het
geval. Toch een punt om verder door te denken, omdat teveel
herhaling (weer meer van hetzelfde) funest is. Wellicht zijn er ook
verstandige middenwegen.
We mogen er wel van uitgaan dat het derde SEM-boek zal gaan over
trangressies (?) in het eerste millennium, dus een boek naar
aanleiding van dit achtste symposium. Ook de aankondiging van het
volgende (negende) SEM-symposium (1 november 2008) mocht er zijn:
Dateringsmethoden: kunnen we absoluut dateren voor wat betreft het
eerste millennium?
Tabula Peutingeriana
Dürer beeldt mij af bij een vechtende haan,
zwaan en raaf… Ik Konrad Keltes, dichter
van niets, liet de wereldkaart die ik vond
in een obscure bibliotheek, na aan Konrad
Peutinger: elf segmenten, maar 34 cm hoog,
van op linnen geplakt perkamaet, allerzon-
delingst met tempeltjes en torens gesierd,
bijna 7 meter lang was dit eens de wereld…
Ten zuiden van FRANCIA ligt Noviomagi, vlak-
bij een kronkelende rivier, mijlen in cijfers
spoeden zich naar Coló. Traiana, Reruiges en
de tornes van Baca conervio. Het was de tijd
van de gevleugelde sneeuwvlokken, kristallen
in de vorm van ogen, pijlen, klokken, handen.
(H. H. ter Balkt, Laaglandse Hymnen.
Gedichten, Amsterdam 1993)
Toch zijn het niet deze zaken die dit symposium een grote kracht
gaven wat betreft verdere studie en onderzoek van de geschiedenis
van het eerste millennium. Maar wat dan wel?
Het symposium vond plaats een dag of 10 na de Week van de
Geschiedenis die Wonen in Nederland als thema had. Wellicht had het
symposium hierbij aan kunnen sluiten met de vraag: waar woonden
mensen in de periode vanaf de Romeinse tijd tot circa 1000 n. Chr.
in een brede kuststrook van de Lage landen, van Noordwest-Frankrijk
tot Noord-Duitsland?
Zo scherp wat het thema niet verwoord, maar eigenlijk ging het daar
wel over.
Dr. Hans Rombaut, historisch-geograaf, presenteerde een
boeiende visie op de belangrijkste historisch-geografische kenmerken
van het Scheldebekken tijdens het eerste millennium. Uit de losse
pols en toch zeer gestructureerd. Caesar zag de Schelde als een
zijrivier van de Maas, en dat blijkt nog te kloppen ook. Boeiende
informatie over de getijdenwerking en meandering (zoals de geringe
getijdenwerking bij Hoek van Holland en het rustige verloop in het
Scheldebekken) en over het feit dat de Romeinen een uitgekiend
gebruik maakten van rivieren en riviertjes. Een inleiding met
allerlei historische kwesties die herziening behoeven.
Prof. Dr. Cecile Baeteman, geologe, maakte duidelijk dat haar
opvattingen over transgressies geleidelijkaan veranderd waren (
voortschrijdend wetenschappelijk inzicht) en zette in plaats van de
hypothese van de transgressies een andere geologische hypothese neer
die op allerlei punten aantoonbaar en toetsbaar was. Deze hypothese
omvat zaken in verband met: aanwezigheid en hoeveelheid van
sediment, ontstaan en werking van geulen, ontstaan – compactering en
afsterven van veen, opvulling van geulen met zand en een kust die in
het eerste millennium landwaarts opschoof. De in het vakgebied
bekende Behre-curve achtte zij verouderd. De verschillende
Duinkerke-transgressies hebben volgens haar niet bestaan. De
geologische veranderingen komen zo rond 800 n.Chr (conventionele
historische jarentelling) tot een zekere rust. Een artikel over haar
onderzoek is per mail verkrijgbaar bij het secretariaat van SEM.
Dr. Ir. Ad Beenhakker belichte de erg korte Romeinse tijd van
Zeeland dat een groot veenlandschap was met strandwallen die toen
verder in zee lagen dan later. Rond 270 n.Chr (een jaartal dat op
dit symposium nogal eens terugkwam, zie verderop) verslechterde de
bewoningssituatie snel: strandwallen doorbroken, verzilting en
afsterven van veen en verder opdringende zeearmen en onder meer het
ontstaan van de Westerschelde. Er bleef in Zeeland en aangrenzende
gebieden nog levend veen over en dat leidde tot enorme afgravingen
in de latere Middeleeuwen. In deze presentatie uiteraard ook de
kwestie van de ringburgwallen (vluchtburchten?) en de Noormannen.
Het betoog van Beenhakker kwam in geologisch opzicht sterk overeen
met de presentatie van Baeteman.
Dr. Gerrit Hekstra, landschapsecoloog, gaf een degelijke
schets van het kustgebied in het noorden van de lage landen op basis
van het Het geheim van de Wierden (tentoonstelling in Leeuwaren) en
publicaties van o.m. W.H. Zagwijn en Dirk Meyer (Die Nord-See-Küste,
2006). Scherpe informatie over o.m.: de aard van (veronderstelde)
transgressies en regressies (= stilstand, dus groei van veen),
Zuiderzee en IJsselmeer en de Drususgracht en vooral de onjuiste
opvattingen daarover, de soorten terpen en het Fries oftewel het
Ingwaeoons. Het huidige Holland was lange tijd leeg, stelde Hekstra,
en het Frisia-project achtte hij een stille dood gestorven. Hij
maakte een uitweiding naar de opvattingen van Iman Wilkens (Where
Troye once stood) en beklemtoonde met nadruk de historische relatie
tussen Vlaanderen en de Friezen.
Deze aantekeningen zijn slechts flitsen: in een boek kunnen de
(bewerkingen van de) presentaties tot hun recht komen, en zal een
nieuw geologisch en historisch panorama zichtbaar, bestudeerbaar en
bespreekbaar worden. Wie veel beelden ziet van het landschap en
zeeschap en rivierenschap (waterschap) van de Lage Landen voelt hoe
indringend de inwerking daarvan op mensen is. De mens opgenomen in
grote natuurbewegingen waarvan hij tegelijk deel uitmaakt en
toeschouwer is. Landschap en Psyche is de ondertitel van het boek
van Stefan Brönnle: Mythische en heilige plaatsen (1994). Hij zegt
bijvoorbeeld: Het symbool van de verovering van land door de
Romeinen was echter de weg, die in de vorm van een rechte lijn door
het land trok. Rechte wegen waren het teken van de nieuwe
machtsverhoudingen. En over water noteert hij: Met het element water
komen wij bij het element, dat onze ziel, onze emotionele toestand
het sterkst beroert. Een dichter brengt hierover het volgende teweeg
in een sonnet:
Bij de zoute gong
Dof, inwisselbaar, bedaard, kil, onverkwikkelijk,
vilein, twistziek, gekromd, mistig, grofbesnaard,
sleepte geklauwd, berekenend, boosaardig, listig,
eeuwenlang leven zich voort naast de zoute gong
Ingekeerd, uitgeworpen, stroomden ijzer- en brons-
tijd zeer op hun hoede, rauw en somber, ongezouten
wetten in de ruwwandige kookpotten aan de zee…;
dommelend reden voerlui aan op dommelende wegen;
mist, dichte regens, dempten de stemmen, dempten
de harten; moede, laagstaande zon, bescheen zwak-
rood, geluidswallen van riet en druppelend lover
Grauw de wielen van de wagens op de bodem van lege
wegen; ‘koude kleren draagt ’t land’, zong ’t lied
van de zwepen; hier, bij de zoute gong van de zee
(H. H. ter Balkt, Laaglandse Hymnen.
Gedichten, Amsterdam 1993)
Het symposium leverde enkele probleemstellingen op die het werk van
SEM in de kern raken.
* Als het model van de transgressies niet meer geldig is, maar er
komt wel een ander (rijker en gecompliceerder) geologisch model voor
in de plaats, dan impliceren de geologische veranderingen uiteraard
een nieuwe visie op deze geologische geschiedenis, maar welke andere
veranderingen zijn er aan te wijzen in andere componenten van de
geschiedenis: de bewoning en bewoningscontinuïteit bijvoorbeeld, of
verkeersroutes (zoals handelsverkeer) of emigraties en immigraties
van bevolkingsgroepen.
* Wat is er rond 270 gebeurd? Hebben invallende stammen en
volksverhuizingen
grote veranderingen op gang gebracht of toch situaties in de
waterhuishouding of beide. Het lijkt erop dat soms de redenering
gehanteerd wordt: nu het verhaal van de transgressies niet blijkt te
kloppen moeten we het toch zoeken in trekkende bevolkingsgroepen.
Een juiste denkwijze? Waarom zou een bevolkingsgroep naar andere
oorden trekken. Zijn toch situaties in de waterhuishouding het begin
van allerlei veranderingen?
* Hoe moeten we de geologische stabiele periode van circa 700 tot
circa 1000 zien? Wat is stabiel? Hoe kun je stabiliteit constateren?
Wat waren mogelijke gevolgen van deze stabiliteit en waar zijn die
aanwijsbaar? Hoe verliepen eventuele kolonisaties? Geologische
stabiliteit juist in een periode dat papieren overlevering moeilijk
met archeologiswche bevindingen overeenkomt. Kaartjes in het recente
boek Van Defensie tot Retentie, een rapportage (september 2007) van
het Wateratelier Brabantse Delta laat zien dat juist de periode na
het jaar 600 een enorme uitbreiding laat zien in watergebied. Bij
het jaar 1350 is er een grote Zuiderzee ontstaan en Zeeland is meer
zee dan land.
Het zoeken gaat voort!