[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Het Traiectum van Willibrord en Bonifatius
Hans Kreijns, Maastricht
Sedert de verschijning van het eerste SEM-boek ”Willibrord en Bonifatius, waren ze ooit in Nederland?” is inmiddels anderhalf jaar verstreken. In dit boek werden vier verschillende meningen omtrent de locatie van Traiectum bijeengebracht, onder meer met de bedoeling over dit onderwerp een discussie op gang te brengen. Jammer genoeg is de oogst tot op heden gering. Een tiental uiteraard vrij oppervlakkige recensies in tijdschriften, en enkele artikeltjes in SEMafoor. De reacties in SEMafoor zijn echter nogal persoonlijk getint, inhoudelijk lijdt de discussie daar sterk onder.
In dit artikeltje wil ik proberen zo beknopt mogelijk de m.i. zwakke punten aan te geven in de visies Tournehem, Antwerpen en Utrecht. Een rechtstreekse reactie op de hieronder gestelde vragen zou verhelderend werken. De eventuele zwakte aan te wijzen in de hypothese Maastricht laat ik aan mijn opponenten over.
De visie Tournehem:
1. Bestaat er één schriftelijke bron waar Tournehem duidelijk als “Traiectum” wordt aangeduid? Er wordt wel geopperd dat iedere willekeurige plaats, mits er een riviertje stroomt (en er dus een overgang is), behalve met haar gangbare naam ook met “Traiectum” aangeduid zou kunnen worden. Maar dit is, zeker in oorkonden e.d., zeer onwaarschijnlijk.
2. Welke zijn de vijf belangrijkste citaten waaruit op te maken valt dat de Rhenus als het Scheldecomplex moet worden geïnterpreteerd?
3. Delahaye vindt Tournehem door middel van de Peutingerkaart. Graag zou ik een afbeelding willen zien van de Peutingerkaart zoals hij zich die voorstelt, maar wel compleet met de aansluiting op Colonia Traiana, Asciburgio Novesio, Agripina, Bonnae etc. Een compleet overzicht vanaf de Noordzee tot en met de Duitse Rijn.
4. Vaker wordt als argument aangevoerd dat het toch absurd zou zijn als Willibrord zijn zetel had te Traiectum (Utrecht, Antwerpen of Maastricht) en zijn klooster te Echternach. Beda geeft echter al aan dat Willibrord meerdere kloosters stichtte. Een klooster in Traiectum én een klooster in Echternach (én een klooster in Susteren) is dus heel normaal. Hoezo vormt de schenkingsakte van 723 het geboortebewijs en de bevestigingsakte van de abdij van Willibrord (boek, pag.74)? De Nifterlaca-Eperlecque kwestie is in SEMafoor uitgebreid behandeld.1 Eperlecque, Echternach, Nifterlaca, drie totaal verschillende begrippen. Het verband tussen het een en het ander blijkt uit geen enkele tekst. Waarom zou de naam van de één uit de ander afgeleid moeten worden? De grote vervalsingscampagne van Echternach wordt verondersteld om een aantal plaatsen, in oorkonden genoemd, in Frankrijk te kunnen aanwijzen. Wordt dit alles niet verondersteld om een hypothese te redden, die moeilijk te verdedigen is?
5. In verband met zijn reconstructie van de Peutingerkaart interpreteert Delahaye Aduaga Tungrorum als Douai. De berichten over dit Tungrorum (nu dus Douai i.p.v. Tongeren) zijn echter moeilijk te verenigen met Traiectum-Tournehem. Tungris en Traiectum worden in vroege teksten vaker samen genoemd en moeten op korte afstand van elkaar liggen. Om hier een oplossing voor te vinden moet Delahaye uitwijken naar het plaatsje Trith-Saint-Léger, dat nu als een tweede Traiectum uit de lucht komt vallen. Op zijn gezag moeten we maar aannemen (een argumentatie wordt niet gegeven) dat de zetelplaats van de bisschoppen Servatius tot en met Lambertus niet Maastricht maar het dorpje Trith moet zijn geweest. Een degelijke onderbouwing en argumentatie voor dit toch wel zeer ongeloofwaardige gegeven mag verwacht worden. Het verhaal van Joël Vandemaele over Trith-Saint-Léger (boek pag.81) maakt een en ander ook niet duidelijker.
6. Uit de vitae en de overige vroege berichten weten we dat de volgende toponiemen als volgt van west naar oost gerangschikt waren: Westrachië, Bordne, Austrachië, Lagbeki, Hugmerchie. Men interpreteert dit als: Westergo, Middelzee, Oostergo, Lauwers, Humsterland. Of deze interpretatie juist is laten we hier in het midden. Het is wel duidelijk dat deze volgorde Albert Delahaye ontgaan is. Westrachië is volgens hem synoniem met Taxandrië, en ook met Teisterbant. De Lagbeki (ook aangeduid als Labeki, Loveke, Lauvichi, Laubachi) is in zijn visie La Laque, een riviertje dat bij Aire in de Lys stroomt. En de Lauvichi is de Lawe, een riviertje bij Valhuon. De Loveke is de Loogracht tussen Ieper en Veurne. Hugmerchi is bij hem een plaatsnaam en geen pagus. In de schenkingsakte van Folckerus (855) worden echter tien plaatsen in de pagus Hugmerchi genoemd. Delahaye geeft veel eigen interpretaties, die niet stroken met de beschrijvingen in de teksten.
De visie Antwerpen:
1. Joep Rozemeyer geeft zich veel moeite om aan te tonen dat Antwerpen in Fries gebied ligt. Dit is eigenlijk onnodig, want we weten dat de woonplaatsen van de Friezen zich uitstrekten van de Weser tot het Sincfal, dus tot de omgeving van Brugge. Dat Willibrord zijn missiearbeid omstreeks 690 begon in de streek van Antwerpen is mogelijk, zelfs waarschijnlijk. De schenking van de kerk aldaar wijst hier op. Maar als in 696 Pippijn hem als zetel het “castellum Traiectum” geeft, waarom zou dat dan Antwerpen zijn? Antwerpen heet Andowerpo of iets dergelijks, maar nooit Traiectum. Dezelfde vraag die hierboven gesteld is, moet ook hier gesteld worden: “bestaat er één bericht waar Antwerpen met zekerheid als Traiectum wordt aangeduid?”
2. Zoals Delahaye de Maastrichtse bisschoppen Servaas tot en met Lambertus naar “Trith” wil overplaatsen, zo tracht Rozemeyer aan te tonen dat deze bisschoppen in “Antwerpen” thuishoren, om op deze manier de naam Traiectum aan Antwerpen te binden. Wie op de hoogte is van de geschiedenis van Tongeren, Maastricht en Luik, zal weten dat dit een onmogelijke opgave is. Op pagina 54 (van het hier besproken boek) is te lezen: “Getuige de afzetting van een Traiectenser bisschop in 675 door de Neustrische hofmeier lag Traiectum blijkbaar op Neustrisch gebied, dus in West-Francia, dus westelijk van de Maas.” Bedoeld is hier bisschop Lambertus die, zoals wordt aangenomen, door de Neustrische hofmeier Ebroïn verstoten werd van de zetel van Traiectum. De Keulse Faramundus neemt dan zijn plaats in. Afgezien van het gegeven dat moeilijk uit te maken is hoever de invloed van Ebroïn op dat moment reikte, wordt er tegenwoordig van uitgegaan dat niet Ebroïn, maar een groep Austrasische tegenstanders Lambertus van de bisschopszetel wist te verdrijven.2 (Overigens, Herstal en Maastricht liggen westelijk van de Maas, maar behoorden tot Austrasië.)
3. Ibrahim Yacub geeft in zijn reisverslag in 965 een beschrijving van “ITRHT”, Traiectum-Utrecht. Een uitgestrekte plaats, in een gebied waar schaapskudden konden weiden en waar turf gestoken werd. Rozemeyer stelt dat dit landschap goed bij Antwerpen, en zeker niet bij Utrecht past (pag. 56). Deze bewering vraagt wel om toelichting.
4. In de visie Antwerpen wordt Doornik gezien als Dorestate. Dorestate lag volgens de bronnen aan de Rhenus, Doornik echter aan de Schelde. Joep Rozemeyer zal dus evenals de verdedigers van Tournehem moeten aantonen dat we Rhenus moeten interpreteren als Schelde. Dorestate lag in Frisia (geograaf van Ravenna). Ligt Doornik in Frisia? Dorestate maakte deel uit van Teisterbant. Moeten we Teisterbant in de omgeving van Doornik zoeken? Bovendien: als Harald de Deen per schip terugkeert naar Denemarken, nadat hij in 826 gedoopt is in Mainz, vaart hij naar Keulen, vandaar naar Dorestate en langs Frisia naar Denemarken.3 Dat hij een omweg maakte via Doornik kunnen we uitsluiten. Dus Doornik kan Dorestate niet zijn.
Van de voorstanders van de visie Tournehem en van de visie Antwerpen mag een duidelijk antwoord verwacht worden. Het heeft geen zin een theorie te blijven verdedigen maar niet te reageren op vragen die de kern raken. Meerdere van de hierboven gestelde vragen zijn eerder in SEMafoor gesteld, maar een reactie is achterwege gebleven.
Dat noch de argumentatie voor Tournehem, noch die voor Antwerpen, mij hebben kunnen overtuigen, zal niemand verbazen. De argumenten voor de hypothese Maastricht zijn dan ook gericht tegen de visie Utrecht, naast Maastricht de enige kandidaat voor het in de bronnen genoemde Traiectum. Alleen deze twee plaatsen, Traiectum ad Mosam en Traiectum ad Rhenum, zijn omstreeks 1000 uit teksten als “Traiectum” bekend.
De visie Utrecht:
1. De naam “Traiectum ad Rhenum” komt vóór de tiende eeuw niet voor. Traiectum (zonder verdere toevoeging) wordt in het eerste millennium wel herhaaldelijk genoemd. Vele malen duidelijk verwijzend naar Maastricht, vaak ook verwijzend naar het bisdom van Willibrord en zijn opvolgers. Het Traiectum van Willibrord is mijns inziens Maastricht. Duidelijke verwijzingen naar de plaats Utrecht - verwijzingen die betrekking hebben op Willibrords Traiectum blijven dus buiten beschouwing - komen niet voor. Een enkel dubieus geval is aan te wijzen, zoals het door Antonini genoemde Traiectum. Maar of Antonini het Romeinse fort Utrecht met Traiectum aanduidde is zeer de vraag.4 Uit welke schriftelijke bronnen kunnen we vaststellen dat Utrecht tussen 300 en 900 bestond? Was er vóór 900 wel een andere plaats naast Maastricht die de naam Traiectum droeg?
2. Bestond de nederzetting Utrecht in 700? Aan deze vraag, de kern van de visie Utrecht, wordt steeds achteloos voorbijgegaan. Ook Ton Spamer besteedt er slechts een paar regeltjes aan (pag. 18). Hij verwijst naar een artikel betreffende archeologische bevindingen te Utrecht door Cees van Rooyen. Die tonen echter aan dat vóór de tiende eeuw zelfs van een kleine nederzetting geen sprake kan zijn. De vondsten zijn te gering. Toch wordt in de achtste eeuw “Urbis Traiectensis” in de teksten genoemd. Dat moet op zijn minst een redelijk grote stad zijn. Ook van Es meldt in “het Nederland van Willibrord” dat er geen archeologische vindplaatsen aan te wijzen zijn in het gebied van de Utrechtse Vecht.5 Ton Spamer stelt dat de fundering van Willibrords Salvatorkerk is teruggevonden te Utrecht (pag.18). Dat van Willibrords kerk sprake zou zijn wordt slechts “waarschijnlijk” genoemd, en is later niet waar gebleken.
3. Welke conclusie moeten we trekken uit het verloop van de schenkingen aan Willibrord? In tijdsvolgorde verlopen ze van zuid naar noord (pag.38). Een normale gang van zaken indien Maastricht zetelplaats was, vreemd indien Utrecht Willibrords zetel was. Als laatste zien we de schenking “Elst” in de Betuwe in 726. Schenkingen in de op zeespiegelniveau liggende gebieden kennen we niet. Ook van Es neemt op grond van verspreiding en dichtheid van archeologische vondsten in Nederland aan, dat het werkterrein van Willibrord gezocht moet worden in “het Chamaafse blok in het oostelijk rivierengebied… met incluis het Noord-Brabantse achterland, waarvan Teisterbant de invalspoort vormde.” 6
4. De “Dagobertkerk” die, wanneer we de vroege teksten accepteren zoals ze zijn overgeleverd, al in de zesde eeuw in Traiectum moet hebben gestaan, is in Utrecht moeilijk in te passen (boek pag.40). Dit kerkje moet in de zesde eeuw al bisschopskerk zijn geweest. Dit kan alleen in Maastricht. Hoe wordt dit benaderd vanuit de Utrechtse visie?
De visie Maastricht:
Uiteraard laat ik het aan mijn opponenten over de zwakke punten in de hypothese Maastricht aan te wijzen. Joël Vandemaele en Ton Spamer hebben reeds eerder kritische kanttekeningen geplaatst. Er blijft echter veel te discussiëren over, zoals uit mijn reactie op hun opmerkingen moge blijken. Reacties vanuit SEM-kring en van anderen zou tot een verhelderende discussie kunnen leiden. Het onderwerp is voor een goed inzicht in onze geschiedenis zeker belangrijk.
1 Den Besten, H.: De Niftarlaca-mythe. In SEMafoor, jrg. 6, nr. 3, augustus 2005, 33-38.
2 Zie de website: http://www.tresordeliege.be/fr/documents/stlambert-2.html, p. 2.
3 Vita Anskarii door Rimbert. Hfdst.7.
4 Kreijns J.P.M.: Het Traiectum van Antonini en de Peutingerkaart. Maastricht 2000.
5 W.A. van Es, R.O.B.: Het Nederland van Willibrord, enkele archeologische kanttekeningen. In: P.Bange en A.G.Weiler: “Willibrord, zijn wereld en zijn werk.” Nijmegen 1990, pag.67-81
6 Zie noot 5.