logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

Een bijzonder symposium op een bijzondere dag
Allerheiligen 2008: Betrouwbaar dateren

De SEM-symposia worden gehouden op de eerste zaterdag in november en dat was dit jaar de dag van Allerheiligen. Heiligen zouden volgens dagvoorzitter Ad Maas tijdens dit symposium een belangrijke rol spelen. Heiligheid hield wel een zekere integriteit en deskundigheid in (voorheen bijvoorbeeld in het kader van de volksgezondheid) maar hun levensverhalen werden in historisch opzicht nogal eens met een korrel zout genomen. Hij voorspelde dat er toch weer meer belangstelling voor zou komen. De bijeenkomst was bijzonder vanwege het thema (zie verderop) en vanwege het verschijnen van het boek Zee, wind, veen en land dat handelt over de (al of niet vermeende) transgressies in de Lage Landen.

Paul van Overbeek gaf als eerste spreker een overzicht van de dateringsmethoden die van belang zijn voor de geschiedenis van het eerste millennium n.Chr., het aandachtsgebied van SEM. Zijn overzicht baseerde hij op een uitgebreide literatuurstudie (lijst van studies verkrijgbaar via de redactie). Naast het onderzoek naar de ouderdom en datering van documenten onderscheidde hij archeologisch onderzoek, kunsthistorisch onderzoek, bouwhistorisch onderzoek en numismatisch onderzoek. De natuurwetenschappelijke methoden van dateren die geldig zijn voor de geschiedenis van het eerste millennium (14C-isotopenonderzoek, dendrochronologisch onderzoek en luminescentie-onderzoek) maken als meetinstrumenten snelle vorderingen, maar vanuit het oogpunt van absolute datering is het onderzoek moeilijk te volgen (slechts een zeer kleine groep experts is ermee bezig) en is het vreemd dat niet ingegaan wordt op de kritiek die uitgeoefend wordt op de 14C-methode en de dendrochronologie. Hij typeerde deze situatie met de woorden ‘black box’.

Ronald Visser, archeoloog en dendrochronoloog, gaf daarna een toelichting op de methode van de dendrochronologie. Hij verving Esther Jansma die met Ronald deze presentatie had voorbereid. De opeenvolging van de jaarringen vormt een ‘streepjescode’ die momenteel teruggaat van heden tot aan de ijstijd en die voor het eerste millennium n.Chr. volledig is. Met spinthout kan zelfs het jaar van het kappen vastgesteld worden. Wat betreft het matchen van de streepjescode van een bepaalde stuk hout, vertelde Ronald dat een dubbele ‘datering’(= dus matches die overeenkomen) voor dendrochronologen dan ook geen dateringen zijn (niet meetellen dus). Hij gaf voorbeelden van dendrochronologisch onderzoek uit de Romeinse tijd en van circa 1000 en 1274 n.Chr. Dendrochronologisch onderzoek blijkt bestaande historische opvattingen te kunnen weerleggen. Zijn proefschrift en dat van Yardeni Vorst zal dendrochronologisch onderzoek betreffen met betrekking tot houten vondsten uit de Romeinse tijd in Nederland. Het hout blijkt in die periode massaal van elders te komen en wijst op een omvangrijke Romeinse houteconomie. Beide dissertaties zullen te zijner tijd in SEMafoor alle aandacht krijgen. Tot besluit beantwoordde Ronald Visser een aantal vragen, onder meer over de kwestie van dezelfde partij hout die in enkele Limesplaatsen is gevonden.

Bij de presentatie van het boek Zee, wind, veen en land werd erop gewezen dat dit boek ongetwijfeld zal leiden tot verdergaande discussie. Hoofdpunten zijn waarschijnlijk de volgende. Als erkend wordt dat er zich in het eerste millennium bijzondere waterproblemen hebben voorgedaan in de Lage Landen, dan is de vraag welke definitie je hanteert om te kunnen/mogen spreken van transgressies. Als er een andere geologische uitleg gegeven wordt aan de ontwikkeling van kusten, kustgebieden, rivieren en landschappen in die periode dan is een andere vraag of de bewoningscondities anders gezien moeten worden en dus of historische interpretaties (bijvoorbeeld: Utrecht was vanaf de Romeinse tijd bewoonbaar) wel of niet geldig zijn. En ten slotte de primeur in het boek: de visie van Hans Rombaut op de getijdenwerking, een thema dat mede gekoppeld is aan zijn stelling dat de Schelde primair in de Maas uitstroomde gedurende het eerste millennium n.Chr. De discussie hierover ontstond al tijdens dit symposium en wordt ongetwijfeld voortgezet.

Jos Biemans behandelde het dateren van documenten, die overigens vooral uit de tijd van na het eerste millennium stammen. Hij presenteerde zijn bevindingen onder de titel: Boekarcheologie. Hij betreurde het wel dat de boekarcheologie niet kan beschikken over de natuurwetenschappelijke methoden die Paul van Overbeek en Ronald Visser hadden besproken. De kans dat conservatoren delen van een codex (houten, kanten of perkament) afstaan voor dendrochronologisch en/of isotopenonderzoek moet verwaarloosd worden. Middeleeuwse handschriften zijn doorgaans niet gedateerd. Toch kan gedateerd worden met inzichten vanuit paleografie en codexologie. Hierbij moet gedacht worden: aan het indelen en vergelijken van soorten schrift, aan informatie in de tekst, aan kenmerken van de codex, de structuur van het papier, de kenmerken van decoraties en ook aan orthografische (volgens de spellingsregels) aspecten. Vergelijkingskunde speelt een grote rol in dit dateringswerk. Ook het oudste exemplaar van klassieke geschriften bezitten we vaak alleen in middeleeuwse handschriften; zo is de oudste versie van De Bello Gallico te dateren circa 800. De klassieke geschriften werden vaak teruggevonden in de periode van het humanisme. Na dit betoog wees de dagvoorzitter op een artikel van Jos Biemans (Boek en boekschrift bij de overlevering van Latijnse klassieke teksten tijdens de Middeleeuwen (500-1500) in het boek Boek en Oudheid, verkrijgbaar bij het Allard Pierson Museum in Amsterdam.

Mark van Strydonck maakte de bewering dat het een bijzondere dag was, helemaal waar. Hij behandelde de hoofdmomenten van het boek Relieken. Echt of vals?, namelijk de relieken van een aantal ‘Belgische’ heiligen: Ursula en de 11.000 maagden, Rumoldus (Mechelen), Domitianus en Mengoldus (Hoei), Dimphna en Gerebnus (Geel), Odrada (Balen/Scheps) en Ermelindus (Meldert). Eerst werd een en ander verteld over wat de vita van een heilige te melden had. Opmerkelijk was dat bijvoorbeeld beweringen over de wijze waarop de heilige zich voedde niet bleken te kloppen met de onderzoeksresultaten. Daarna kwam de datering aan de orde. Van de relieken kon met 14C-methode de ouderdom gemeten worden en in een aantal gevallen bleek de datering te kloppen; onmogelijkheden werden ook gesignaleerd. Vervolgens het bottenonderzoek: hieruit kon veel opgemaakt worden omtrent het voedingspatroon (en omtrent bepaalde ziekten en dus ook sociale omstandigheden). Maar één ding kon natuurlijk niet aangetoond worden, namelijk dat de relieken ook inderdaad van een bepaalde heilige waren. De uitkomst van het onderzoek is dus: vaak echt wat betreft de datering volgens de 14C-methode nogal eens tegenspraken tussen vita en kenmerken van botten (dus ‘vals’) en onbewijsbaar wat betreft de werkelijke eigenaar van de relieken. Mark van Strydonck meldde ook nog dat afgezien werd van publicatie van een Utrechts onderzoek (van een verzameling relieken) omdat dat een herhaling zou zijn van het boek dat nu reeds voorhanden is.

Ten slotte werd er gebruikgemaakt van de mogelijkheid om vragen te stellen en opmerkingen te maken over alle informatie die gepresenteerd was. Diverse vragen werden door Jos Biemans en Mark van Strydonck beantwoord. Gerrit Hekstra wees op een nieuw boek over de geschiedenis van Friesland en op de Friese canon en Hans Rombaut gaf aan wat de kern is van zijn nieuwe theorie over de getijdenwerking in het tijdens het symposium gepresenteerde boek. De dagvoorzitter wees erop dat een centraal thema voor SEM de verhouding is van dendrochronologische bevindingen en hypotheses met betrekking tot de chronologie van het eerste millennium. Daarbij is de vraag naar ononderbroken en eenduidige jaarringen van 2000 jaar van groot belang. Dendrochronologen lijken de positie in te nemen dat dit inderdaad bereikt is, en het werk van critici kan bij voorbaat ondeskundig geacht worden omdat ze geen deskundige (= dendrochronoloog) zijn. SEM kiest vooralsnog voor een open benadering. De Studiekring wil ten aanzien van de symposia (en wat daar allemaal aan vastzit) een bepaalde lijn volgen. Het zojuist verschenen boek (Zee, wind, veen en land) geeft een benadering van een geografisch-geologisch perspectief (ruimte). Het symposium (betrouwbaar dateren) heeft de dateringsmogelijkheden wat betreft de geschiedenis van het eerste millennium in beeld gebracht. In 2009 (zaterdag 7 november) wordt het dateringsvraagstuk geconcretiseerd naar bepaalde locaties. Antwerpen zal daarbij als exempel genomen worden. Maar ook aan andere steden zal aandacht besteed worden vanuit de vraag: wat kunnen we ter plaatse aantonen wat betreft de vroegmiddeleeuwse situatie? Hans Kreijns vroeg om hierbij toch vooral ook aandacht te besteden aan Utrecht. Suggesties met betrekking tot de opzet van dat symposium zijn welkom. In 2010 kan dan de vraag aan de orde komen of er argumenten zijn om rekening te houden met een kronkel in de vaststelling van de jaren en jarentelling, dus een probleem in de chronologie van het eerste millennium.




Valid HTML 4.01!