[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Vikingen in het stroomgebied van Rijn en Maas
tussen 800 en 1000 (recente publicaties)
Paul van Overbeek, Zoetermeer
Grotere internationale tentoonstellingen met bijbehorende publicaties over de geschiedenis en de archeologie van het eerste millennium in Nederland zijn schaars. Daarom kan de tentoonstelling Vikingen! met zo’n 50.000 bezoekers in het Centraal Museum in Utrecht hier niet onbesproken blijven. Het betrof hier een internationale Vikingententoonstelling1 die bij ons plaatsvond van 7 november 2004 tot en met 10 april 2005.
De voor de tentoonstelling gekozen naam “Vikingen!” dekt de lading beter dan de titel van de begeleidende publicatie “Vikingen! Overvallen in het stroomgebied van Rijn en Maas”.
Het stroomgebied van de Rijn wordt overigens ruim opgevat niet alleen de IJssel maar ook het voormalige eiland Wieringen in de kop van Noord-Holland wordt hiertoe gerekend.
In eerdere publicaties werd in een aantal artikelen in dit blad al aandacht gegeven aan Vikingen (of Wikingen), Noormannen en Denen (ook piraten, zeerovers en heidenen genoemd)2. Wat daarin vooral opviel was dat de termen niet eenduidig gedefinieerd zijn en dat er archeologisch weinig ondersteunend bewijs is voor wat in de geschreven teksten beweerd wordt van deze allochtonen.
Er is blijkt bijzonder weinig zichtbaar te maken van Vikingen in Nederland en het Duitse Rijnland.
Dit komt doordat de Vikingen nauwelijks tastbare overblijfselen hebben achtergelaten3.
Feitelijk doet zich het beeld voor van Vikingen in het algemeen (vooral buiten het beschouwde gebied) enkele totaal geïsoleerde Vikingvondsten in het gebied en van vooral Frankische vondsten die uit de Vikingentijd dateren.
Het publieksboek: Vikingen! Overvallen in het stroomgebied van Rijn en Maas, 800-1000
Het begeleidende boek van Willemsen (ook in het Engels en Duits leverbaar) is het blijvende resultaat hiervan. In de Duitse versie spreekt de titel slechts over de Rijn en niet over de Maas. Het schitterend geïllustreerde en vrijwel geheel in kleur uitgevoerde boek geeft een thematisch overzicht van de wereld van de Vikingen voor een breed publiek. Prettig geschreven en goed leesbaar.
Na een inleiding over de Vikingen in de Rijnlanden van de hand van Rudolf Simek volgen o.a. hoofdstukken over Vikingen uit en thuis, schepen en navigatie, macht en rijkdom, wijn en wapens, heidense horden en christelijke kerken en de beeldvorming over de Vikingen.
Voor wie wat kritischer kijkt gaat het net als op de tentoonstelling het geval was, meestal om “Vikingen” zonder dat er enig verband is met het stroomgebied van Rijn en Maas zoals de ondertitel van het boek aangeeft. Hier verstaan we dan (delen van) Nederland, België, Duitsland en Frankrijk onder.
In de inleiding wordt van de hand van Simek al geconstateerd dat de Vikingen langs het Duitse deel van de Rijn en langs de Moezel geen erfgoed hebben achtergelaten. Ook opgravingen die naar Scandinavië verwijzen blijken daar nauwelijks te zijn en resten van brand aan de Neumarkt in Keulen bleken nog niet echt met overvallen door de Vikingen in verband te brengen. Dit zou in Nederland volstrekt anders zijn, wat moet blijken uit “enige schatvondsten uit de Vikingentijd, zwaarden van de Vikingen uit de Nederrijn, en ten slotte de op 882 dateerbare huiveringwekkende resten van een overval door Vikingen in Zutphen.
De belangrijkste Nederlandse bodemvondsten die in relatie met Vikingen worden genoemd zijn die in Wieringen en Zutphen. Wie wat beter leest ontdekt dat er ook niet veel meer gevonden is, dat echt direct in relatie met de “Vikingen” gebracht kan worden.
Zo spreekt Willemsen bijvoorbeeld van een in 2002 in de Maas (bij de monding van de Neerbeek) gevonden zwaard van een type dat traditioneel in verband gebracht wordt met Vikingen, maar waarvan het niet zeker is dat dit gebruikt is door Vikingen.
Ter illustratie van boek en tentoonstelling blijken de meeste van de circa 160 afbeeldingen en geëxposeerde voorwerpen uit door Vikingen bewoonde gebieden in Scandinavië en het aangrenzende Sleeswijk-Holstein, Groot-Brittannië of Ierland afkomstig.
Wie een overzicht maakt van van de in het boek opgenomen afbeeldingen van nog aanwezige herinneringen uit de Vikingentijd aangetroffen in de Rijnlanden
ziet aan hoe mager de relatie met overvallen door de Vikingen is. Waar al een relatie is met Scandinavië of Vikingen waarschijnlijk of zeker is, blijft het de vraag of dit ook niet de handelsrelatie geweest kan zijn, die de Vikingen ook met de Balkan of zelfs de Arabische wereld gehad hebben. Bekend is dat smeedwerk als sieraden en zwaarden in Vikingenstijl verhandeld en zelfs geïmiteerd werd, zodat vondsten van “Vikingen”-wapens in beginsel nog weinig zeggen over de gebruikers van die wapens.
(Het overzicht staat in SEMafoor 6.4)
Het boek geeft een globaal overzicht van de huidige inzichten m.b.t. de Vikingen in onze streken en verwijst verder naar de volgende grotere onderzoekspublicaties5:
* Van Es e.a. over Romeinen Friezen, Franken en Saksen in het hart van Nederland; van
Trajectum tot Dorestad 50 v.Chr. - 900 n.Chr. (1994)
* Van Heeringen over vroegmiddeleeuwse ringwalburchten in Zeeland (1995)
* Besteman over vondsten in Wieringen (1997-2002)
* Groothedde over Vikingen in Deventer en Zutphen (1999, 2004)
en naar de wetenschappelijke bundel die in 20046 over dit thema verscheen, waarin deze zijn meegenomen. Dit in Wenen uitgegeven boek, waarnaar in de tentoonstellingscatalogus o.a. in een paginagrote advertentie werd verwezen, bleek noch in het Centraal Museum in Utrecht noch in de wetenschappelijke boekhandel aldaar of in bibliotheken eenvoudig te verkrijgen. Van de doelgroep voor deze Utrechtse tentoonstelling werd blijkbaar geen diepgaande interesse verwacht.
De wetenschappelijke publicatie: Vikings on the Rhine
In deze Engelstalige bundel is gepoogd de kennis over Vikingen in Nederland en het Duitse Rijnland overzichtelijk samen te vatten. Er wordt het resultaat van recent Nederlands en Duits onderzoek gepresenteerd dat gediend heeft als basis voor de expositie. Verontschuldigend wordt gemeld dat het onderzoek in Wallonië helaas niet kon worden meegenomen.
Na een korte introductie, waarin geconstateerd wordt dat het noordelijk deel van het Karolingische rijk niet prominent voorkomt in de geschiedenis van Vikingonderzoek, volgen tien onderwerpen verdeeld in drie groepen.
In de eerste groep gaat het over de periode voor de overvallen. Hierin geeft Rudolf Simek zijn visie op de mogelijke oorzaken en aanleidingen voor het ontstaan van de Vikingentijd bij ons en vertelt Thomas Himstedt in een historisch-geografische survey over het stroomgebied van de Rijn in de vroege middeleeuwen aan hoe de Vikingen er toe kwamen de Rijn op te trekken.
In de tweede groep gaat het over schepen en scheepvaart met Aleydis van de Moortel over scheepsbouw en navigatie in de Rijndelta en Ekkehard Eickhoff over de kustverdediging van het Karolingische rijk.
De derde en grootste groep heeft als thema “geschiedenis door middel van archeologie” en leek me het interessantste. Dit bevat naast een bijdrage van Christoph Keller over aardewerkproductie in Badorf en Walberberg in de Karolingische periode, de volgende hoofdstukken waarvan hier enkele indrukken.
- Annemarieke Willemsen, Scattered along the Waterside. Viking Founds from the
Netherlands.
Met de nodige kritische houding schrijft zij hierin over objecten die “traditioneel geassocieerd worden met Vikingen”, “waarvan niet zeker is dat ze door Vikingen werden gebruikt” en objecten die “mogelijk in de Lage Landen zijn gemaakt in de stijl van eerder waargenomen Vikingsieraden”. Ook blijkt het moeilijk onderscheid te maken tussen vondsten van Vikingobjecten die voortkomen uit normale handel en die welke te maken hebben met overvallen en bezetting.
De vondst van Vikingzwaarden in rivieren, Arabische munten en Scandinavische sieraden en enkele verborgen schatten, hetzij van lokale oorsprong, hetzij van Vikingoorsprong, blijken de belangrijkste aanwijzingen voor de aanwezigheid zijn van Vikingen. In hoeverre deze aanwezigheid (steeds) als vijandig werd beschouwd, blijkt minder. Het lijkt er op dat er naast Scandinavische handelaren ook wellicht overwegend Scandinavische, maar mogelijk ook Normandische of Britse piraten als “Vikingen” beschouwd werden. Als aanwijzingen voor de reactie hiertegen gelden de ringwalburgen en vergelijkbare versterkingen uit die tijd.
- Bernd Päffgen, Urban Settlements and Sacral Topography in the Rhinelands at the Time of the Viking Raids.
Hierin vinden we in het eerste deel een overzicht van stedelijke nederzettingen in Nederland, België en Duitsland en Noordoost-Frankrijk aan Rijn, Maas en Moezel, ingedeeld in verwoeste bisschopsteden als Utrecht, Luik en Keulen, van - dankzij versterkte bruggen en stadsmuren - gespaarde bisschopssteden en van overige door de Vikingovervallen getroffen steden als Deventer, Zutphen, Nijmegen en een reeks Duitse steden.
Opvallend is dat wat hier over Utrecht vermeld wordt slechts wordt onderbouwd met vooral oudere literatuur afkomstig van Duitse schrijvers. Een gemiste kans bij een publicatie waar ook Nederlanders aan meewerkten. Voor Deventer wordt overigens wel recent archeologisch onderzoek van Groothedde, die ook aan dit boek meewerkte, aangehaald. Voor Zutphen sluit hij aan bij Groothedde. Voor Nijmegen, valt de schrijver enerzijds terug op een oude publicatie van Post7, maar haalt ook een artikel van Thijssen uit 2002 aan. Hij sluit dit eerste deel af met het verval van de houten handelsplaatsen en het opkomen het vanaf 900 opkomen van plaatsen met stadsmuren
Het tweede deel van zijn bijdrage gaat over kerken en kloosters en in het bijzonder de rijksabdijen, die als bezitters van land en kostbaarheden bij uitstek interessant waren voor plunderaars. Dit betreft geen locaties in het huidige Nederland.
Hij concludeert dat de stedelijke cultuur een forse klap heeft gekregen dankzij de Vikingaanvallen. Maar ook dat deze aanvallen de aanleiding zijn geweest voor de concentratie van bebouwing binnen de wallen, versterking van stadswallen en muren, verplaatsing van kloosters en het verplaatsen van activiteiten op oude begraafplaatskerken buiten de stad naar de hoofdkerk binnen de wallen. De Vikingen zouden zo een krachtige impuls gegeven hebben voor de ontwikkeling van steden.
- Michel Groothedde, The Vikings in Zutphen. Military organisation and early town development after the Viking raid in 882.
Groothedde, stadsarcheoloog van Zutphen en eerder ook van Deventer, meldt dat Zutphen in tegenstelling tot Deventer niet vóór de tweede helft van de elfde eeuw wordt vermeld. Het is dan het administratief centrum van het graafschap Hamaland. De keizerlijke tufstenen palts uit ca. 1050 bleek voorafgegaan te zijn door grote houten rechthoekige hallen uit de late 9e en 10e eeuw die door brand verloren waren gegaan. Hij geeft verbanden aan tussen de ontwikkelingen in Zutphen en die in Elten en Deventer. Hij concludeert uit onderzoek in deze laatste plaats uit 1997 dat een eind 9e eeuw afgebrand huis, en de vervanging daarvan door stadsverdedigingswerken, kan worden toegeschreven aan vernieling door de Vikingen in 882.
Een “dramatische” ontdekking in de bouwput voor het nieuwe stadhuis in Zutphen was de vondst van een aantal menselijke skeletten in relatie met brandsporen, een verwoest huis en sporen van een slachting van runderen, waarvan alleen de eetbare delen ontbraken. Op grond hiervan en andere negende-eeuwse brandsporen in de Zutphense binnenstad en een skelet met een hoofdwond die met die sporen verband hielden, vindt Groothedde het aannemelijk dat dit archeologische bewijzen zijn van een plundering. Op basis van een munt, potscherven en C14 dateringen zou dit de overval in 882 op Deventer door de Vikingen uit 882 moeten zijn geweest, die teksten bekend is. Dit is volgens hem de eerste plek waar een plundering door Vikingen op het vasteland archeologisch is bewezen. Verder concludeert hij uit de aanwezigheid van tufsteen en Romeins hergebruikt bouwmateriaal de aanwezigheid van een negende-eeuwse kerk die ook door de Vikingen zou moeten zijn verwoest.
Ook maakt hij melding van een cirkelvormig verdedigingssysteem (ook te vinden in Deventer) dat hij in verband brengt met de Vikingaanvallen. Het zou onderdeel zijn van een plan, waar ook de laat negende-eeuwse Zeeuwse ringwalburgen deel van uit maakten, op initiatief van de koning uitgevoerd door lokale beambten voor een georganiseerde verdediging tegen de Vikingen8.
Deze bijdrage kan deels beschouwd worden als een geactualiseerde versie van zijn publicatie over de vroege geschiedenis van Zutphen9, al overlappen ze elkaar niet geheel.
- Kai van Vliet, Traiecti Muros heu! The Bishop of Utrecht during and after the Viking Invasions of Frisia (834-925)
Dit artikel betreft een verkorte en hier en daar aangepaste versie van hoofdstuk 3 (de periode 834-995) van zijn proefschrift dat al eerder in dit blad werd besproken10. Hij beziet hierin de invloed van de Vikingen op de kerkelijke organisatie in het bisdom Utrecht.
- Sabine Walther, The Vikings in the Rhinelands according to Latin Sources
Walther levert de laatste bijdrage in deze groep met een overzicht van de vermeldingen van Vikingen in het gebied van de Rijn volgens Latijnse bronnen. Dat hierin namen van personen en locaties vertaald zijn uit het Latijn, is gebruikelijk. De keuze daarbij voor Nijmegen11 of Elsloo12 als plaats van het delict is echter niet de enig mogelijke vertaling, maar over alternatieven geen woord. We moeten echter wel beseffen, dat ook al loopt de kennis van het Latijn terug, de gegeven “vertaling” ook een “verplaatsing” van de gebeurtenis of een “verwisseling” van stammen, volken of personen kan inhouden. Zij sluit haar bijdrage af met een bronnenoverzicht, waarbij het handig is dat apart vermelding gemaakt wordt van tweetalige Latijns-Duitse uitgaven en van Engelse vertalingen.
Daarachter volgt nog een overzicht van 37 bladzijden met literatuur en ten slotte op 12 bladzijden de bij vier van de genoemde onderwerpen behorende afbeeldingen (wat voor de lezer minder handig is). Alles bij elkaar een belangrijke bundel geheel gewijd aan het aandachtsgebied van de SEM met huidige inzichten over de Vikingen bij ons, toegankelijk gemaakt voor lezers buiten ons taalgebied.
We beschikken hiermee over een mooi uitgevoerde overzichtspublicatie over de Vikingen waarin óók aandacht voor Nederland en er was een zeker ook voor jongeren interessante tentoonstelling, waarin maar relatief weinig aandacht voor de Vikingen in het stroomgebied van de Rijn en nog veel minder in dat van de Maas. De wetenschappelijke publicatie is zeker de moeite waard voor de serieus geïnteresseerde. Deze geeft aanvullend een goed gedocumenteerd overzicht van de stand van zaken van het Vikingonderzoek in onze streken (al krijgt België niet of nauwelijks aandacht) en maakt de kritische lezer ervan bewust hoe weinig harde bewijzen er (gevonden) zijn voor de teksten in de Latijnse bronnen. De belangrijkste uitzondering op dit laatste lijkt Groothedde, met zijn stuk over Zutphen en Deventer. Beide publicaties gingen echter meer over ‘Vikingen‘ (of Noormannen, Denen, piraten enz.) in het algemeen en gebeurtenissen in “de Vikingtijd“ van 800-1000 en maar heel beperkt over de activiteiten van Scandinavische allochtonen in het stroomgebied van de Rijn en niet of nauwelijks om het stroomgebied van de Maas (literatuur: zie einde volgende artikel).
Enkele recente publicaties over Vikingen in onze streken
Eerder verscheen in dit blad een artikel De Vikingen: een overzicht anno 2003i. Naast de daarin vermelde literatuur en de hiervoor besproken publicaties verbonden aan de tentoonstelling Vikingen! zijn er de laatste jaren meer interessante visies over Vikingen in relatie tot het studiegebied van de SEM verschenen. Een aantal daarvan zal hieronder kort aangestipt worden.
- J.C.G Venner & J.H.M. Verlinden, Keizer Karel de Dikke en de Noormannen te Asselt
Hierin gaan Venner en Verlinden er op een overtuigende manier van uit dat het Hasloa / As(c)loa in de kroniek van Regino van Prüm respectievelijk de Annalen van Fulda niet Elsloo (aan de Maas ten noorden van Maastricht) zou zijn, zoals volgens hen sinds 1643 ten onrechte vrij algemeen (met name in Duitse kringen) gemeend werd en nog steeds wordt, maar Asselt (ten Noorden van Roermond)ii. Zij plaatsen zeer grote vraagtekens bij de interpretatie die Holwerda in 1930 gaf van de zeer beperkte archeologische vondsten in Asselt. Verschil van mening over de juiste locatie van historische gebeurtenissen is ook hier dus een onderwerp van discussie. Verder gaan zij zeer grondig en uitgebreid in op de achtergronden van de gebeurtenissen uit de bronnen zoals de positie van de Noormannen in 881-882 en de persoon van Karel III (de Dikke). Zij vergelijken de verschillende bronnen en hun betrouwbaarheid. Ook onderwerpen als de betreffende geplunderde gebieden, het verloop van de strijd te Asselt en de rol van de keizer daarin komen aan de orde. Zij tonen op basis van de op dit punt zeer vage bronnen aan hoe moeilijk het is te komen tot een schatting van de omvang van de beide legers. Gesneuvelden bij de tegenstander werden in die tijd om begrijpelijke redenen makkelijk overdreven en de sterkte van een leger kon niet alleen aan de hand van het aantal manschappen worden bepaald. Het verdere betoog is volledig gebaseerd op niet altijd even betrouwbare schriftelijke bronnen en latere interpretaties daarvan.
De enige uitzondering daarop is de vermelding van het werk van Holwerda in relatie tot Elsloo en Asselt en een latere reactie daarop van Van Es, waaruit blijkt dat Holwerda toch wel erg graag wilde vinden waar hij naar zocht.
- Luit van der Tuuk, Gingen de Utrechtse bisschoppen Hunger, Odilbald en Radbod vanwege de Noormannen in ballingschap?
Hierin geeft Van der Tuuk in het kader van zijn onderzoek naar de rol die de Noormannen hebben gespeeld in de Lage Landen, zijn visie op verblijfplaatsen van de Utrechtse bisschoppen tussen ca. 858 en 918 en de redenen daarvoor. Hoewel de bisschoppen centraal staan, gaat hij uitgebreid in op de Vikingen in Nederland. Uit een uitgebreid notenapparaat en literatuurlijst blijkt de grondigheid van zijn studie die vrijwel geheel gebaseerd is op schriftelijke bronnen en de interpretatie daarvan door generaties van historici. Hij toont hierin regelmatig een eigen mening te hebben en geeft hiermee beter weer wat er gebeurt zou kunnen zijn dan de Utrechtse stadsgeschiedenisiii.
Hij verwijst o.a. naar Lifshitziv die volgens hem aannemelijk gemaakt heeft “dat alle beschrijvingen van door raids veroorzaakte translaties in het gebied van Rouen in feite een dekmantel zijn voor na de Noormannenperiode uitgevoerde diefstallen van de zo begeerde relieken”. Deze praktijken kwamen volgens Van der Tuuk ook in onze streken plaats en leidden tot een later vervalste schenkingsoorkonde van koning Lotarius II, waarin hij het klooster te St. Odiliënberg schonk aan de Utrechtse kerk gedateerd 858 die (pas later) werd opgenomen in het cartularium van Radbod.
Hij geeft aan dat ook de neiging om in heiligenlevens (zoals dat van Radbod) de Vikingen te betrekken, niet altijd tot een verhaal leidt dat in overeenstemming is met andere historische bronnen. Hij baseert zijn visie vrijwel uitsluitend op schriftelijke documenten, waarvan hij soms wel aanneemt dat zij niet zonder meer voor waar moeten worden aangenomen. Daar waar het past in zijn visie is er echter weinig twijfel over de betrouwbaarheid van zijn bronnen te bespeuren. Zijn visie lijkt zo te bestaan uit vele niet echt bewijsbare veronderstellingen, maar daarin wijkt hij niet af van eerdere historici die zich met deze materie hebben beziggehouden. Op een enkele uitzondering na legt hij geen verband met de archeologie, die met betrekking tot die periode en dat gebied toch wel heel weinig ondersteuning biedt voor de gehanteerde schriftelijke bronnen. In zijn conclusies stelt hij dat de rol van de Noormannen minder prominent is geweest dan algemeen wordt aangenomen als het gaat om de beschouwde Utrechtse bisschoppen. Verder veronderstelt hij dat Utrecht, een onopvallende grensplaats in Frisia, met zijn bisschopszetel toch vermeldenswaard geweest moet zijn. Daarom vindt hij het opmerkelijk dat er op een geïsoleerd en verdacht bericht na, geen enkele contemporaine verwijzing naar Utrecht in verband met Noormannenaanvallen te vinden is. De latere vermeldingen, lijken sterk overdreven te zijn door latere historici.
Dat er ook andere opties zijn voor de locatie van de bisschopsstad Trajectumiv in deze periode (eind 9e begin 10e eeuw) die bovendien (misschien niet toevallig) valt in het einde van de fantoomtijd van Heribert Illigv komt in dit artikel niet naar voren, maar dit laatste mag je ook niet verwachten. Kortom een nieuwe intelligente visie naast vele andere waarmee vooral aangetoond wordt hoeveel onzekerheden er nog zijn m.b.t. de situatie in het bisdom Trajectum tot het begin van de 10e eeuwvi.
- Rudolf Simek, Die Wikinger
In dit boekje (136 blz.) in de Duitse serie Wissen, geeft Rudolf Simek, mede gebaseerd op Engelse en Scandinavische literatuur, een helder en beknopt thematisch overzicht van de Vikingen, waaruit ik hier enige citaten weergeef. Over de Vikingenmythe: […] dat ondanks een enorme hoeveelheid archeologische data en artefacten die in de laatste 200 jaar aan het licht gebracht werden, het grootste deel van onze huidige kennis over de Vikingentijd uit teksten stamt, die van ooggetuigen, nazaten maar ook van middeleeuwse historici in de op de Vikingentijd volgende eeuwen geschapen werden. Zoals alle teksten dragen ze het stempel van de auteurs daarvan en van hun ontstaanstijd. Men zou dus ook kunnen zeggen dat de Vikingentijd pas gecreëerd werd door deze vele vroeg- en hoogmiddeleeuwse auteurs. De archeologische vondsten van de nieuwe tijd worden zo goed mogelijk met de Vikingentijd, die ons uit de bronteksten tegemoet komt in overeenstemming gebracht. Vaak is dat echter niet mogelijk of blijven de archeologische vondsten bij gebrek aan toepasselijke teksten stom. [….] dikwijls moeten we er ook van uit gaan – soms door niets meer dan het genre van een tekst gemotiveerd – dat bronteksten niet historisch, legendarisch zijn, en moeten we ze als historische getuigenis verwerpen (p. 7-8).
[…] de notoir onbetrouwbare geschiedschrijver van de Noormannen Dudo van St. Quentin […] die de verheerlijking van de Noormannen heersers tot doel had […] (p. 13).
Al met al is de informatie in de bronnen over de positie van de vrouw hoogst onbevredigend. […] Te tegenstrijdig zijn de schaarse overgeleverde uitspraken over rechten en invloed van de vrouw (p.104)
Over het algemeen weten we wat minder over de religie in de Vikingentijd dan de lange en intensieve onderzoeksgeschiedenis laat vermoeden (p. 114).
- F. Fritzsche, Wikinger in Deutschland
Over de Vikingen in Duitsland schreef Fritzsche al voor de tentoonstelling in 2004 een artikel waarin naast een tiental plaatsen in Duitsland (Hamburg, Haitabu en een aantal in het Rijnland en Moezelgebied) ook Dorestad kritisch aan de orde komt. Hierin verbaast hij zich erover dat Dorestad nog 150 jaar langer bleef bestaan dan het Friese rijk dat van ca. 500 tot 719 bestond. Hij besluit met de uitspraak dat de aanwezigheid van Noormannen in geen van de door hem genoemde plaatsen met zekerheid bewezen kan worden. Dit betekent volgens hem dat alle Vikingenovervallen op plaatsen in het huidige Duitsland als uitvinding van latere kroniekschrijvers gelden. Dit moest mogelijk de geschiedenis van de plaats of de abdij, kerk enz. verder in het verleden verleggen. Hij constateert verder dat de al eerder door Brühlviii gedane uitspraak, dat de zogenaamde vernietiging van Worms door de Noormannen in 891 nooit heeft plaatsgevonden, aangevuld kan worden: de zogenaamde overvallen op Xanten, Keulen, Dorestad, Aken, Trier en in de Eifel hebben nooit plaatsgevonden!
- A.M. Flambard Héricher (ed.), La progression des Vikings, des raids à la colonisation
Hoewel de nadruk niet direct ligt op het door de SEM bestreken gebied is het aardig te lezen dat de discrepantie tussen archeologie en schriftelijke bronnen ook voor het Franse Normandië geldt. Dit blijkt uit deze een bundel met 11 bijdragen aan een studiedag van de Universiteit van Rouen waarin een beeld wordt geschetst van de opkomst en ontwikkeling van Scandinavische nederzettingen op grond van schriftelijke, archeologische en toponymische bronnen. De aandacht gaat daarbij met name uit naar Normandië (het stroomgebied van de Seine) en het onder Scandinavische invloed staande deel van Engeland, het gebied van de Danelaw het Schotse graafschap Orkney (deze beide laatste bijdragen in het Engels). Een bijdrage van Stéphane Lebecq gaat over de oorsprong van het verschijnsel Vikingen en de verantwoordelijkheid daarvoor bij het westen, o.a. door de expansie van de Merovingen en Karolingen naar het Friese gebied. Hierin komt ook Willibrord en de relatie tussen Friezen en Denen in de achtste eeuw aan de orde. Pierre Bouet gaat in op de betrouwbaarheid van de geschiedschrijving over de onderhandelingen van het verdrag van Saint-Clair-sur-Epte door Dudo van Saint Quentin. Laurent Mazet-Harhoff spreekt over de problemen van historici en archeologen het spoor van oude Scandinaviers te vinden op het gebied van het huidige Haute-Normandie tussen de eerste invallen van de Vikingen op de Seine rond 840 en de jaren 1010-1020. Hij vindt dat de grote dichtheid van toponiemen van Noordoost Europese afkomst nog veel archeologisch onderzoek nodig maakt naar Vikingensporen in Haute-Normandie. In een van de toponymische bijdragen komt Jean Renaud tot de conclusie dat de van de Noormannen afkomstige plaatsnamen onbetwistbaar een afspiegeling zijn van een werkelijke en duurzame Scandinavische invloed. De Vikingen hebben volgens hem het beeld van de toponymie behoorlijk gewijzigd. Else Roesdahl bevestigt in haar Engelstalige bijdrage het ook in onze streken bestaande beeld: er zijn ook in Normandië weinig archeologische vondsten van Scandinavische oorsprong; dit in tegenstelling tot andere streken waar Vikingen zich min of meer permanent vestigden als in Engeland, Schotland, Ierland of Rusland. „Maar al met al zegt archeologie ons erg weinig over het Normandië van de Vikingen, of zelfs over de Vikingen in de rest van het West-Europese vasteland“ . We moeten het hier hebben van plaatsnamen en schriftelijke bronnen. Deze geven een belangrijke Scandinavische invloed aan vanaf begin 10e eeuw of iets eerder. Zij geeft wel suggesties hiervoor, zoals bijvoorbeeld de daar aanwezige cultuur voor de Vikingen, maar stelt dat nader onderzoek noodzakelijk is om de echte oorzaken hiervoor te vinden. Tenslotte pleit zij voor vergelijkend onderzoek dat met name nuttig zou kunnen zijn voor de studie van Vikingen in Normandië omdat dit onderzoeksgebied nog niet in nauw contact is geweest met Vikingen onderzoek elders.
- Armin Wirsching, Stürmten die Wikinger 400 Jahre zu spät in die Normandie
Ook gericht op Normandië is dit artikel van Armin Wirsching waarin hij constateert dat het in de analen niet voldoende wordt verklaard waarom tussen 840 en 911 het generaties lang niet mogelijk was tegen de Noormannen een werkzame tegenstand te organiseren. Hij suggereert dat dit komt omdat ze slechts op perkament hebben plaatsgevonden. Hij vermoedt dat de verhalen over Vikingenaanvallen waarvoor niet of nauwelijks bewijs in de archeologie te vinden is door latere kroniekschrijvers zijn verzonnen, om de “overvallen” plaatsen ouder en daarmee belangrijker te laten lijken. Het zouden dan verdubbelingen van eerdere gebeurtenissen zijn. Hij geeft daarbij een aantal merkwaardige gevallen aan van de zich herhalende geschiedenis:
- Chlotarius II (584-629) en Karel III (879-929) hebben beiden het Westfrankenrijk in 613 respectievelijk 911 verenigd en wel op vreedzame wijze met hulp van Oostfrankische groten. Dit in beide gevallen voorafgegaan door strijd met de in het rijk binnengedrongen buren aan de oostgrens. De eerste keer zijn deze bekend als Awaren de tweede keer als Hongaren.
- Beschreven aanvallen van Vikingen vóór 911 zijn voorafgegaan door zeevarende volken uit het Noordoosten langs de kust van Gallië en Brittannië uit waren op handel en buit. Zo werden daar tussen 288 en 370 “Nordmänner” bestreden onder de Romeinse keizers Constantius, Julianus Apostata en Valentinianus. De meest bekenden waren de Saxones die volgens Ptolemaios op tussen de Noord- en de Oostzee woonden. De archeologie ziet dit als het westen van Sleeswijk-Holstein het kerngebied van de Saksen die daar westelijk van de Angelen woonden. In de 4e eeuw betrokken Saksen, Angelen en Friezen het Nederlandse en Vlaamse gebied en op tegen begin 5e eeuw ook op grote schaal verder langs de kust naar het zuiden (Litus Saxonicum). Ook de Britse kust werd door Saksen belaagd (408/410). In de loop van de 5e eeuw vestigden Saksen zich met geweld aan de Franse noordwest kust en in Normandië en gingen van daar op rooftocht o.a. in Bretagne, voor Angers, op de Garonne en voor Nantes. Al met al toonden zij hetzelfde patroon dat achtereenvolgens plundering, verovering en kolonisering omvatte dat ook aan de Vikingen wordt toegeschreven.
- Eind 5e eeuw kwam het land aan de Gallisch Frankische kust in handen van Noormannen zoals dat in de 9e eeuw in handen van de Vikingen kwam.
- Chlodowich (Clovis) I ging met zijn volk (waaronder toen ook het Hertogdom Normandië moest horen) ongeveer in 498 over tot het christendom de Vikingen deden ca. 400 jaar later hetzelfde.
- Taalkundig blijkt het Oud-Saksisch en het Oud-Scandinavisch zo dicht bij elkaar te liggen dat er geen onderscheid gemaakt kan worden of namen uit de eerste (Saksische) periode stammen of uit de tweede (Vikingen) periode.
Een bewijs voor een diepgewortelde Scandinavische aanwezigheid in Normandië is er volgens hem dan ook niet. Hij verklaart de “uitvinding” van de woeste Vikingen in de 9e eeuw door de theologische interpretatie van de Noormannenaanvallen in de Frankische bronnen van de 10e en 11e eeuw die zonder uitzondering uit de veren van de geestelijkheid stamden. Deze worden daarin beschouwd als de straf van God voor de Christenen om zijn volk weer op de goede weg te brengen.
Lang niet iedereen zal het met de auteur eens zijn dat deze herhalingen bewijzen dat de geschiedenis van ca. 300-900 in feite maar 300 jaar beslaat en dat de verdubbelingen geen toeval zijn of alleen maar in de vorm van teksten bestaan, maar gezegd moet worden er worden hier opnieuw gegevens aangedragen die de theorie van Heribert Illig weer een stukje geloofwaardiger maken.
- Jan van Aken De valse dageraad
Als laatste wil ik hier nog noemen de tweede historische roman van Jan van Aken noemen welke speelt in de Vikingentijd en waarin op een naar mij gebleken is zeer goed gedocumenteerde wijze de periode rond het jaar 1000 in het Ottoonse keizerrijk o.a. in kloosters en aan het rondreizende keizerlijke hof tot leven wordt gebracht. Uiteraard gaat het hier om een zeer goed leesbare en spannende fictie, waar echter zeer veel feitelijke gebeurtenissen en situaties in verwerkt zijn, maar de schrijver komt daar eerlijk voor uit door zijn werk roman te noemen. Van schrijvers uit die tijd en ook van latere geschiedschrijvers kan dit niet altijd gezegd worden, in hun gekleurde kronieken en geschiedschrijving uit en over deze tijd.
Besluit
De Vikingen blijken duidelijk een brede belangstelling genieten. Er wordt redelijk veel over gepubliceerd, maar voor hun aanwezigheid in onze streken Duitsland, Frankrijk en de Benelux is er nog erg veel onbekend of onbewezen. De Vikingen blijven stom bij gebrek aan teksten van die zijde. Daarbij blijkt eens te meer, hoe duister de vroege middeleeuwen (the Dark Ages) nog steeds zijn ondanks alle moeite die de wetenschappers zich getroosten om helderheid te verschaffen. Het vinden van de weg in die duisternis wordt ook niet vergemakkelijkt door taalverschillen. Teleurstellend is het te zien hoe beperkt de kennis van elkaars literatuur lijkt. Zoals Scandinavische literatuur
voor de meeste Nederlanders onbegrijpelijk is, lijkt dit bijvoorbeeld ook het geval te zijn voor Franse literatuur door Duitsers, terwijl onze taal buiten Nederland en België ook maar zeer beperkt wordt gelezen, zoals uit literatuurlijsten en notenapparaten blijkt. Zeker een onderwerp als de Vikingeninvloed op het vasteland van West Europa is een onderwerp dat huidige lands- en taalgrenzen overschrijdt. Ook blijkt dat de archeologie nog te vaak slechts gebruikt wordt om de overgeleverde opgeschreven verhalen illustratief te ondersteunen en te weinig beschouwd wordt als een onafhankelijke bron die ook wel eens een andere kant opwijst dan de beschikbare lang niet altijd betrouwbare teksten.
Noten
Zie SEMafoor 6.4 (december 2005)
Literatuur
Aken, J. van De valse dageraad, Prometheus, Amsterdam 2000 / 20046
Besteman, J. Vikingen in Noord-Holland? Provincie Noord Holland, Haarlem 1996
Bruin, R.E. e.a. (red.) Een paradijs vol weelde Geschiedenis van Utrecht, Matrijs, Utrecht 2000
Brühl, C. Palatium und Civitas, Band II: Germanien, Keulen – Wenen 1990
Burger, W., J Jochems & A. Maas, De Vikingen: overzicht anno 2003 in SEMafoor 4(2003)3 p. 10-21
Es, W.A. van Romeinen Friezen, Franken en Saksen in het hart van Nederland; van Trajectum tot Dorestad 50 v.Chr. 900 na Chr., Matrijs, Utrecht (1994)
Flambard Héricher, A.-M. (ed.) La progression des Vikings, des raids à la colonisation, Rouen 2003
Fritzsche, F. Wikinger in Deutschland in Zeitensprünge 16(2004)1 p. 152-169
Fritzsche, F. Wikinger am Rhein – Oder doch Nicht? in Zeitensprünge 16(2004)2 p. 347-349 en
Fritzsche, F. & H. Illig Wikinger: Korrektur und Ergänzung in Zeitensprünge 16(2004)3 p. 591-594
Groothedde, M. e.a. (red.) De Sint-Walburgiskerk in Zutphen. Monumenten uit de geschiedenis van een middeleeuwse kerk, Walburg Pers, Zutphen 1999
Heeringen, R.M. van (red.) Vroeg-Middeleeuwse ringwalburgen in Zeeland, De Koperen Tuin, Goes / Amersfoort 1995
Jochems, J. Bewondering en verwondering Kanttekeningen bij een dissertatie over Utrechtse kanunniken (K. van Vliet In Kringen van kanunniken Zutphen 2005) in SEMafoor 6(2005)1 p. 36-38
Jochems, J. Denen nestelden in Breda in SEMafoor 4(2003)2 p. 38-39 en 4(2003)3 p. 9
Kreijns, J. De Dani in Nederland in SEMafoor 4(2003)2 p. 30-35
Leupen, P. Viking-age raids and Urban Settlement on the rivers Rhine and Meuse in: Nilsson, L. & S. Lilja The Emergence of Towns. Archaeology and Early Urbanization in Non-Roman, north-west Europe Stockholm 1996 p. 79-94
Lifshitz, F. The migration of Neustrian relics in the Viking Age: the myth of voluntary exodus, the reality of coercion and theft, in: Early Medieval Europe 4 (1995) 175-192
Mestdagh, Marcel De Vikingen bij ons, Stichting Mens en Kultuur, Gent 1989
Polderman, T. Zeeland in de Vroege Middeleeuwen Provincie Zeeland, Zierikzee 2001
Simek, R. Die Wikinger C.H. Beck, München, 1998 / 20054
Simek, R. & U. Engel (ed.) Vikings on the Rhine, Recent Research on early Mediaeval Relations between the Rhinelands and Scandinavia, Wien 2004
Tuuk, L. van der, Gingen de Utrechtse bisschoppen Hunger, Odilbald en Radbod vanwege de Noormannen in ballingschap? In Jaarboek Oud Utrecht 2003 p. 33-66
Veen, R. van Noormannen in Nederland in SEMafoor 3(2002)2 p. 36-39
Venner, J.C.G. en J.H.M. Verlinden Keizer Karel de Dikke en de Noormannen te Asselt in Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 132 (1996) p. 7-45
Willemsen, A. Vikingen! Overvallen in het stroomgebied van Rijn en Maas, 800-1000 Uitgeverij Toth, Bussum / Centraal Museum Utrecht, 2004 (ook in Engelse en Duitse versie verschenen als Vikings! - Raids in the Rhine / Meuse region 800-1000 en Wikinger am Rhein).
Wirsching, Armin Stürmten die Wikinger 400 Jahre zu spät in die Normandie? in Zeitensprünge 17(2005)2 p. 378-394