[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Congres Thidrekssaga-Forum in Arnhem
A.C. Maas te Leende
Op 14 en 15 oktober hield de studiegroep Thridrekssaga-Forum in Arnhem een interessant congres (met een tiental betrokkenen van SEM) over het onderwerp:
Sagen als Schlüssel zur Frühgeschichte der Niederlande und Belgiens. Enkele betrokkenen bij SEM zijn ook actief in het kader van dit Duitse forum, zoals de taalkundige Hans den Besten (ook zeer actief in SEMafoor) en de historicus Jan Oude Nijhuis die meewerkte aan het vorig jaar bij de Walburg Pers gepubliceerde boek
Plechelmus. Het tijdschrift van het Thidrekssaga-Forum Der Berner verschijnt net al SEMafoor vier maal per jaar. Van Joep Rozemeyer publiceerde Der Berner een vertaald SEMafoorartikel (over Viltenburg, Der Berner augustus 2004) en in SEMafoor kwam Dr. R. Schmoeckel enkele keren aan het woord.
Alvorens op het thema in te gaan laat ik even de belangrijkste publicisten uit deze studiegroep de revue passeren. Publicaties in het kader van het Thidrekssaga-Forum stel ik daarna aan de orde. Dr. R. Schmoeckel (1928) is in Duitsland erg bekend door twee veelgelezen boeken:
Die Indoeuropäer. Aufbruch aus der Vorgeschichte (1999, 2004 derde druk, 575 bladzijden) en
Bevor es Deutschland gab. Expedition in unsere Frühgeschichte – von den Römern bis zu den Sachsenkaisern
(2202, in een casette, 925 bladzijden). Bij dezelfde uitgever Verlagsgruppe Lübbe (te Bergisch Gladbach) verscheen van hem ook het boek
Das Dampfross dat handelt over de opening van de treinverbindingen Bonn-Keulen in 1844. Lübbe is trouwens ook de uitgever van het beroemde boek
Wie waren die Germanen wirklich, und woher kamen sie? van S. Fischer-Fabian. Zeer informatieve publicaties, geschreven in een zeer goed leesbaar Duits. Dr. Norbert Lönnendonker publiceerde in 2003 onder de titel
Als die Götter noch jung waren. Namenkundliche Untersuchungen zur Nibelungensage (Rhombos-Verlag in Berlijn), dat ook algemene hoofdstukken bevat als Namen von Germanen, keltisierten Germanen, Kelten und Hunnen, maar ook de namen in de dynastie van de Merovingers behandelt: een zeer intrigerend boek. Ten slotte nog een derde erg actieve onderzoeker en publicist in en vanuit het Forum: Wim Rass. Hij publiceert twee banden over het onderwerp:
Dietrich von Bern und Karl der Grosse. Untersuchung über die Zeitstruktur der nordischen Dietrich-Sage und die karolingischen Sagen-Manipulation. De eerste band is in 2000 in eigen beheer uitgegeven en de tweede volgt in 2007. Rass gaat zeker niet mee met de hypothese van Heribert Illig dat de Karolingische tijd een bedachte en geconstrueerde periode is, maar laat wel zien dat het interpreteren van historische tijd heel wat kennis van zaken vergt. In de eerste band komen aan de orde: Zeitstruktur-Analyse der nordischen Dietrich –Sage en Der Sagen-Hildebrand und Karl der Grosse.
Het congres omvatte drie inleidingen met ruime discussiemogelijkheid. Wilhelm Bleicher gaf een zeer goed overzicht van de archeologische vondsten in de delta van de grote rivieren in de Lage Landen in de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. Hij bleek uitstekend op de hoogte van belangrijke publicaties, maar minder van de kritische kanttekeningen daarbij, zoals: de transgressieproblematiek, een lege periode in het huidige Friesland (Bazelmans), de interpretatie van opgravingen in Wijk bij Duurstede. Wim Rass zette zorgvuldig uiteen hoe in een orale traditie verschillende lagen in een sage (Diederiksage) zijn te onderscheiden en hoe die op basis van bepaalde criteria gekoppeld kunnen worden aan historische personen en toestanden. Het werd duidelijk dat hij een nieuwe methode ontwikkelde om ook sagen te betrekken in het historisch onderzoek, niet op de oude naïeve wijze maar door grondig heronderzoek. Hoewel het verleidelijk was om in zijn zoekwerk de theorie van een fantoomtijd te betrekken, wilde hij deze stap niet zetten. Dat had hij overigens al duidelijk gemaakt in zijn boek
Dietrich von Bern und Karl der Grosse, waarin hij (p. 221-226) uiterst genuanceerd commentaar geeft op Illigs 10-dagen-theorie. Rass wijst overigens Illigs hypothese
(Das erfundene Mittelalter) niet zonder meer af. Ten slotte kwam Reinhard Schmoeckel aan het woord. Hij behandelde vooral een onderdeel van de Diederiksage, namelijk de zogenaamde Wilkinensage waarin we Rytzen, Russen, Warnen en Wilten, Liutizen en Polarnen tegenkomen. Friesland wordt in de Wilkinensage niet genoemd. Aan de hand van beperkte historische bronnen, schaarse archeologische gegevens en vooral toponymische gegevens ging Schmoeckel na waar volkeren of delen van volkeren gevestigd hadden kunnen zijn. Een hoofdstroom in deze benadering was wel: Westfalen (met Xanten en Birten), het Nederlandse rivierengebied, Vlaanderen en ten slotte Noordwest-Frankrijk. Deze hypothese kan men nalezen en bestuderen in het derde deel van de reeks
Forschungen zur Thidrekssaga: Die Wilkinensaga. Schlüssel zur unbekannten Frühgeschichte der Niederlande und Belgiens?
(2006) en ook in het boek Die Merowinger vor Ihren Reich (2006). Een zeer geslaagd en inspirerend congres.
In de reeks Forschungen zur Thidrekssaga. Untersuchungen zur Völkerwanderungszeit im nördlichen Mitteleuropa zijn nu drie delen verschenen. Het eerste deel (Ein Niflungenreich in der Voreifel, 2002) werd door Ad Maas al in grote lijnen belicht in het artikel
Nif(te)lungen – Nijvel – (N)Eifel in SEMafoor van februari 2004. In deel 2 vergeleek Hans-Wilhelm Haefs de Diederik-sage met het Nibelungenlied (Thidrekssaga und Nibelungenlied.Vergleichende Studien, 2004) met daarin ook een hoofdstuk over de wijze waarop de wetenschap in de loop van de tijd met de Thidrekssaga omging. Wat het thema
Sagen als Schlüssel zur Frühgeschichte der Niederlande und Belgiens betreft is het derde deel (dat op 14 oktober uitkwam) van direct belang:
Die Wilkinensage. Schlüssel zur unbekannten Frühgeschichte der Niederlande und Belgiens (2006). Het is duidelijk dat dit boek verplichte studiestof is voor SEM. Ik geef dat aan door nu de hoofdzaken van de inhoud van dit boek schematisch weer te geven.
Die Wilkinensage. Schlüssel zur unbekannten
Frühgeschichte der Niederlande und Belgiens?
I. Wer lebte in der Spätantike an Schelde. Maas und Niederrhein?
A. Die Römer an der Nordsee. Vom Triumph bis zum stillen Ende
B. Archäeologische Spurensuche von germanischen Gruppen des 4.-6. Jhs. In den ‘Niederen Landen’
C. Historische Zeugnisse
II. Sage und Geschichte – verschiedene Welten?
A. Zum Verhältnis historischer und Sagen-Quellen
B. Die Thidrekssaga
C. Orale Überlieferung in den Sagen
D. Zeitgeschichten in der Thidrekssaga
III. Die Wilkinensage als Geschichtsquelle
A. Die Sage kurz erzählt
B. Die Suche nach den ‘richtigen’ Wilzen
C. Alter und Verbreitung des Wilzen-Namens
D. Die jüngste Text-Schicht: Die Wilzen als Schweden
E. Mehrere mittlere Ereignishorizonte: Liutzen, Rus, Skandinavien
F. Eine alte bis sehr alte Text-Schicht: Die Wilzen in den Niederen Landen
IV. Geschichtskerne, aus Sagen geschöpft
A. Der Beginn geschichlicher Erinnerung
B. Ortsnamen als Zeugen
C. Das Lied von Samson und seinen Söhnen
D. Hunen (und keine Hunnen) in Westfalen
E. Goten und Hunen im Kampf
F. Die ‘Franken’ zwischen Troja und Cambrai
G. Das geheimnis der Sprachgrenze
H. Versuch eines Puzzles mit Lücken
De auteurs van deze hoogwaardige en goed gestructureerde publicatie zijn: R. Schmoechel, W. Bleicher, en W. Rass. Bij dit boek moet ongetwijfeld betrokken worden een apart uitgegeven boekje van Reinhard Schmoeckel waarin hij het ontstaan van het ‘huis’ van de Merovingers beschrijft op grond van tekstmateriaal en archeologisch en toponymisch onderzoek:
Die Merowinger vor Ihrem Reich. Die sarmatischen und sigrambischen Wurzeln der Dynastie (2006). Ook voor dit boek geldt dat er een nieuw licht valt op een deel van de geschiedenis van de Lage Landen. Kern van de zaak is dat een groep Sarmaten in Thüringen terecht komt, daar verjaagd wordt en in Westfalen beland (omgeving Birten) en dat deze groep zich in Noordwest-Frankrijk ontwikkeld heeft tot de leiders van de Franken die zich ook in dat gebied gevestigd hadden. De bekende discussie bij Delahaye over ‘Thüringen of de regio Doornik’ komt zo ook in een ander perspectief te staan.
Het voorwoord is zowel in het Duits als in het Nederlands (vertaling van Hans den Besten) afgedrukt. Voor de Nederlandse historici vormt de ‘nevel van de volksverhuizingentijd’ (aldus H. Heidinga) een periode waar ze het liefst van afblijven en omheen lopen. Juist de genoemde Duitse publicaties zijn een indringende uitnodiging om aan de slag te gaan met de aangereikte hypothesen. In het boek Die Wilkinensage worden nieuwe veronderstellingen en bevindingen ondergebracht in een groot overzicht Wie es vielleicht gewesen ist? De relevante jaartallen in de periode 270-534 n.Chr. worden behandeld, in twee lettertypes: rechtop wat we zeker (denken te) weten en cursief wat (vooralsnog?) hypothese is.
Bij de jaren 408-410 staat cursief het volgende:
* Warnen (‘Wilzen’) beim späteren Utrecht und Rotterdam
* Sarmaten (‘Sicrambrier’) im Kastell Vetera (II, bei Xanten, an der Mündung der Lippe
in den Rhein)
* Thüringer (‘Polarnen’) bei Duisburg (Ruhr-Mündung) und Krefeld, wahrscheinlich zum
Teil auch in der Provinz Belgica II östlich des Kohlenwaldes,
* Burgunder (nach herkömmlicher Ansicht am Mittelrhein, tatsächlich aber
möglicherweise in der Voreifel südwestlich van Köln),
* wahrscheinlich noch mehrere unbekannte Gruppen.
Waarschijnlijk is het een goede zaak om dit overzicht via SEMafoor vertaald te publiceren.
Vanzelfsprekend moet aangesloten worden op Nederlandse publicaties die zich juist wel op de genoemde periode richten, zoals het zeer boeiende artikel van W. de Jonge en J.-L.E. Marcillaud,
Iets meer licht op de vroegste Middeleeuwen tussen de mondingen van Oude Rijn en Maas
(Westerheem, april 2001) en deel 3 (Voorburg in de Middeleeuwen) van
Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument (2006). Het belang van de publicaties vanuit de kring van het Thidrekssaga-Forum zit vooral ook in de geleidelijke ontwikkeling van een nieuwe methode om dieper door te dringen in orale geschiedenisoverlevering die pas na eeuwen een schriftelijke tekst oplevert (die dan vaak puur literair bekeken wordt) en in de ‘lagen’ in een sage die te relateren zijn aan historische figuren en standen van zaken. Zo levert de oudste vertellaag van de Wilkinensage vermoedelijk inzichten op over een nu vrijwel onbekende periode in de geschiedenis van de Nederlanden.