logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

Kabouters in het eerste millennium
Een nieuw perspectief in het historisch onderzoek

 

Kabouters in de Kempen

Theorie van Gert Frens nader bekeken

Ad Maas, Leende

Kabouterverhalen zijn niet alleen van betekenis voor meer inzicht in de geschiedenis van het eerste millennium, maar nadere beschouwing leert dat ze ook een interessant probleem in verband met de historie van deze periode naar voren brengen.

Inleiding
Rien Poortvliet ontpopt zich in zijn beroemde boek over de Kabouters ook als historicus. Kabouters zijn volgens hem van vroeg-Scandinavische oorsprong: het oudste beeldje van een kabouter zou in Zweden gevonden zijn. Pas na de Grote Volksverhuizingen die na 395 begonnen, duiken zij in de Lage Landen op, waarschijnlijk toen Brittannia kort na 449 aan de Angelen, Saksen en Jutten ten prooi viel.
Deze volkeren kwamen van de Elbe-monding en vielen het toenmalige Engeland van uit zee, gedeeltelijk via de Nederlanden aan, meldt Poortvliet in een soort inleiding. Hij citeert ook de gepensioneerde Romeinse sergeant Publius Octavus die in Lugdunum een villa exploiteerde en die beschreef dat hij diverse keren een kabouter ontmoette die onder meer te kennen gaf dat hij van de Kuwalden afstamde en het liefst melk dronk. Melk, dat is toch heel wat anders dan het in Zuid-Nederland veel bezongen gerstebier van Kyrië. In de vijfde en zesde eeuw, dus in de tijd van de ineenstorting van het West-Romeinse rijk moet de kabouter zich, nog steeds volgens Rien Poortvliet, verbreid, gestabiliseerd en ingeburgerd hebben. Ten slotte deelt Rien het volgende mee: Volgens onze eigen (zij het schaarse) gegevens moeten wij aannemen dat de kabouters geleidelijk aan vaker contact kregen met de mensen om hen heen en 50 tot 100 jaar vóór Karel de Grote (768 - 814) in onze maatschappij waren geïntegreerd.
De tekeningen, schilderingen en bijbehorende teksten van Poortvliet hebben uiteraard wel een zekere kunstzinnige waarde, maar verder geen betekenis voor verder historisch onderzoek. Zijn zojuist geciteerde inleidende opmerkingen komen verderop nog aan de orde: wat zou er van waar kunnen zijn? Er zijn echter vele verhalen over kabouters – sprookjes en volksverhalen – die wel een historische lading blijken te hebben. Ik noem enkele aspecten van deze verhalen waarvan in de loop van dit artikel zal blijken dat ze een historische achtergrond en strekking blijken te hebben:
* de kabouters verdwenen collectief bij het overlijden van koning Kyrië
* de kabouters zijn vertrokken toen de Fransen kwamen
* kabouters blijken een hekel te hebben aan bellen en klokken
* kabouters zijn gedienstig: ze hebben genoegen in niet-commerciële dienstverlening, maar ze laten zich niet als slaaf behandelen
* “Zeg als je thuiskomt tegen Adriaan dat Kyrië dood is” en “Arjaan, zeg tegen Christiaan dat Kyrië dood is”.
De Eerselse emeritus hoogleraar fysische chemie (Delft), Gert Frens, presenteerde onlangs een boek waarin tot uitdrukking komt hoe een groep natuurwetenschappers in de jaren rond en na 1978 tot een theorie kwam die stelde dat er in de Kempen echt kabouters geleefd hebben. De weergave van de ontwikkeling van deze theorie is interessant en leerzaam, want het is meteen een inleiding in het empirisch-wetenschappelijke denken. Een historisch onderwerp dat benaderd wordt door een natuurwetenschapper. Hier houdt SEM de adem even in. Ik vermeld nu de stappen die Frens zet in zijn onderzoek.

Gallo-Romeinse urnenvelden
Kabouterverhalen blijken zich af te spelen nabij prehistorische urnenvelden. De streekhistoricus A. Kakebeeke en de archeoloog Nico Roymans hadden dat al eerder opgemerkt. Roymans c.s.(1995) plaatste op de kaart van Zuid-Nederland en Noord-België meer dan 30 kabouterlocaties. Nader onderzoek van Frens naar een verband tussen urnenvelden in het algemeen en urnenvelden met kabouterverhalen leidde tot een duidelijke conclusie: het gaat om urnenvelden uit de Gallo-Romeinse nederzettingen.
Deze bevinding hield voor Frens de vraag in hoe de volksoverlevering van kabouterverhalen vanaf de betreffende urnenveldentijd tot vandaag de dag plaatsgevonden kan hebben. De eerste vertellers van kabouterhalen wisten de Gallo-Romeinse urnenvelden klaarblijkelijk nog precies te liggen. De vraag naar de overlevering klemde nogal omdat Frens ervan uitging dat er in de na-Romeinse tijd toch een lege periode is geweest van enkele eeuwen: een periode van geen of een uiterst geringe bevolking in de streek van de kabouterlocaties. In elk geval blijkt uit de intekening op kaarten dat de plaats van de nederzettingen uit de Gallo-Romeinse tijd radicaal verschilt van nederzettingen uit de Merovingische (Frankische) tijd. Er is geen continuïteit; er is een breuk. Nergens vinden we tekenen van een geleidelijke overgang, zegt Frens. Maar de idee van een complete ontvolking gedurende een drietal eeuwen is vanzelfsprekend strijdig met de aanname van de volksoverlevering. Is er dan toch een dunne bevolking, die geen sporen achterliet, aanwezig gebleven tot de tijd dat het Frankische imperialisme op gang kwam? Dus een zekere extensieve continue bewoning?

De Gallo-Romeinse nederzetting van Hoogeloon
In het Tilburgse Natuur-historisch Museum (vlak bij het station) kunt u een Romeinse amfoor bewonderen die afkomstig is uit de Kabouterberg van Hoogeloon, (waarschijnlijk) een tumulus die in 1926 geëgaliseerd werd. De laatste koning der kabouters woonde - volgens de kabouterverhalen- nabij het Gallo-Romeinse urnenveld van Hoogeloon. Het archeologisch onderzoek (circa 1980) ter plaatse heeft duidelijk gemaakt dat op de Kerkakkers aldaar een enorm groot gebouw heeft gestaan en een villa waarvan u de reconstructie kunt bewonderen in museum Eicha in Bergeijk. Een indrukwekkende residentie zonder enige twijfel: een machtscentrum, maar wat voor een? Romeinse bouwwerken op het platteland interpreteren we bijna automatisch als grootschalige agrarische bedrijven, en dat was de villa van Hoogeloon ongetwijfeld ook, maar hier was heel wat meer aan de hand. Er stond ook een gebouw dat meer dan 50 meter lang was en 19 meter breed, gebouwd in drie fasen in de tweede eeuw n.Chr. Onderzoek van de fundamenten van het gebouw leverde op dat deze bestonden uit slak, dat wil zeggen een afvalproduct uit de ijzerindustrie. Alleen al de in 1980 opgegraven fundamenten bevatten meer dan 200 ton ijzerslak. Hier moest een ijzerproductiefabriek gelegen hebben. Stromend water was er in de buurt evenals bossen voor de kap van stookhout. Zonder twijfel ook een enorme milieubelasting, die inmiddels ook aangetoond is voor de ertsindustrie vanaf de bronstijd in Duitsland. J. Slofstra en zijn medewerkers vonden ook een grote verharde smidsvloer terug en onder meer op grond van dit feit moet geconcludeerd worden dat in de fabriek van Hoogeloon eindproducten vervaardigd werden: messen, bijlen, hamers, tangen, spijkers, wapens, bouwmaterialen en huishoudelijke voorwerpen. De eigenaar en de aandeelhouders in dit bedrijf moeten ontzaglijk veel geld verdiend hebben. De regionale economie had een bijzondere motor middels de productie van ijzeren artikelen. Het management zetelde bij en in het bedrijf. Men dacht er niet aan om ergens ver weg, in een zogenaamd prestigieus financieel centrum, kapitalistische transacties uit te denken. De leiding toonde zich op de plaats waar gewerkt werd. Commercieel ondernemen moest immers ook maatschappelijk verantwoord gebeuren. De ijzerfabriek en de nederzetting(en) stonden onder leiding van een heer en die wordt nu eenmaal Kyrios genoemd in het Grieks. Deze duurzame onderneming (haast een aankondiging van Philips, DAF en VDL) moet op basis van de theorie van Frens nog eeuwen bestaan hebben. Ze ging waarschijnlijk ten onder toen de laatste Kyrië verongelukte of omgebracht werd. En wanneer was dat het geval?

De dood van koning Kyrië
Allerlei kabouterverhalen vormen een soort sagenkring met de kabouterkoning Kyrië als de centrale figuur. Kyrië wordt op een dag aangeschoten door een jager en hij sterft in de nabijgelegen Duivelsberg.. Dat was in de tijd dat de Fransen kwamen, zoals Kempenaren elkaar doorvertelden, maar duidelijk is nu wel dat het gaat om de tijd dat de Franken kwamen, dus ergens in de periode van Willibrord, Bonifatius en Karel de Grote, volgens de conventionele chronologie van het eerste millennium natuurlijk. Frens is van mening dat in de Romeinse tijd en de vroegste middeleeuwen de autochtone bevolking in het gebied van het latere Brabant, Friezen en Saksen geweest kunnen zijn. Interessante waarneming. Hoe we deze autochtone bevolking ook willen noemen, zij werd in de tijd van de kerstening of van het Frankische imperialisme onder steeds zwaardere druk gezet. Christianisatie en Frankisch imperialisme waren twee kanten van dezelfde beweging. Op plaatsen waar Frankische kolonisten zich vestigden werd gelijktijdig het christendom ingevoerd. Een referendum was niet nodig: het gebeurde gewoon zo. Kerkjes en kapellen werden gebouwd en die waren gezegend met een bel of klok, om ook de autochtone bevolking het vreugdevolle nieuws van de nieuwe tijd duidelijk te maken of anders gezegd: om te demonstreren wie voortaan de baas was. De autochtone bevolking kon dat maar matig waarderen: ze kreeg steeds meer een hekel aan dat machtsvertoon. Frens gaat ervan uit - hij moet wel - dat er een bepaalde inheemse bevolking bestond in de Romeinse tijd en aanwezig bleef tot in de Karolingische tijd, volgens de conventionele chronologie, en dat deze inheemse bevolking model stond voor de kabouters. Een interessant detail hierbij is dat hij aannemelijk weet te maken – op grond van bewaard gebleven afbeeldingen van mensen van dit volk (beeldjes en mozaïekwerk) - dat ze altijd een puntmuts blijken te dragen. Bekend is het beeldje van een laat-Romeinse plattelander (te zien in het Rheinisches Landesmuseum in Trier). Het oudste kabouterbeeldje van Rien Poortvliet droeg ook een puntmuts. Meer fantasie - ik zeg het er maar bij - vergt de volgende interpretatie. In de kabouterverhalen komen naar aanleiding van de dood van Kyrië twee opvallende uitspraken voor. In Aalst zeiden de kabouters tegen een boerenknecht: Zeg als je thuiskomt tegen Adriaan dat Kyrië dood is, en elders lezen we het verzoek: Arjaan, zeg tegen Christiaan dat Kyrië dood is. Ligt hier misschien een verborgen boodschap over de voorkeur van de kabouters voor het arianisme? Dat de inheemse bevolking in de vroege middeleeuwen heidens was in de zin van ‘onbekend met het christendom’ lijkt een historische dwanggedachte. Op de ijzerwarenfabriek van Hoogeloon was men niet wereldvreemd.

De ontdekking is niet echt nieuw
Toch heeft de groep wetenschappers rondom Gert Frens (toen verzameld in het natuurkundig laboratorium van Philips) niets nieuws ontdekt. Een passage uit een artikel in Brabants Heem van 1969 van de Leuvense hoogleraar C. Peeters (Volkskunde en archeologie) maakt dat wel duidelijk. Hij meldt daarin bijvoorbeeld dat de archeoloog Gerrit Beex onderkende dat kabouterverhalen samen kunnen vallen met urnenvelden, maar ook dat je via kabouterverhalen niet gemakkelijk urnenvelden terugvindt. Al veel eerder, bijvoorbeeld in het in 1905 verschenen eerste deel van Turnhout in het Verleden en het Heden waarin het verhaal van de Kempische kabouters beschreven is. In het Noordelijke gedeelte der provincie Antwerpen, in eene rustige en gezonde landstreek, ligt de hoofdplaats der Kempen, de stad Turnhout, zegt de geschiedschrijver J.E. Jansen. Ten tijde van de Romeinen waren de Kempen nog vervuld met menigvuldige slechte bosschen, vuyle en stinkende moerassen, zuere vroenten, zandige en dorre heyden en meer andere verlaete en woeste plaatsen. De streek is er dus in een kleine 2000 jaren goed op vooruitgegaan. Plotsklaps stelt Jansen een vraag die onze aandacht op scherp zet: Heeft de mensch in dat middelpunt zijn verblijf gehad? Dat is voor de allereerste tijden twijfelachtig. Jansen citeert enkele historici die beweren dat voor de komst van de Kelten en de Germanen in de Kempen al de kaboutermannekes verbleven. Een van die geschiedkundigen, de leeraar Van der Kinderen, steunt in zijn boek Recherches sur l'etnologie de la Belgique (1888) op het werk van Wolff Niederlandische Sagen, dat melding maakt van zulk een volk te Hersselt in de Kempen, Geldrode, Turnhout, Aarschot, Brugge, Leuven, Ghyseghem en Geldenaken. De legenden in en rond Turnhout wijzen op hun bestaan, alsook de benaming van de Alvenberg, zeer gemeen aan vele zandbergen der Kempen, zooals te Rethy, Moll, Baelen, Casterlee, Westerloo, waar de zoo genoemde Kaboutermannekens zouden gewoond hebben. Wie het boekje van Johan Biemans Spokerijen in de Kempen erbij pakt ziet dat ook de regio van de Brabantse Kempen erbij betrokken moeten worden, want de door hem (via Norbertus Panken) opgetekende kabouterverhalen spelen zich af in Hoogeloon (de Kabouterberg lag daar richting Vessem), Riethoven, Bergeijk, Westerhoven
(richting het gehucht Keersop waar de Alvenberg en de Norenberg lagen), Luyksgestel, Leende, Oerle, Meerveldhoven, Aalst en Duizel. Ook in deze regio hebben de kabouters gewoond, sterker nog: hier lag het oude kabouterland, volgens Frens.
Er rijzen nu toch wel enkele vragen. Waren de kabouters producten van de fantasie of waren het misschien wel degelijk kleine en klein gehouden mensen? Als het louter fantasiefiguren waren dan is het best begrijpelijk dat deze verbeeldingen gekoppeld werden aan bijzondere plaatsen in de omgeving. Stel nu eens dat het werkelijk een bevolking van de Kempen is geweest, zoals Frens stelt. Wat zien we dan voor ons? Ik persoonlijk zie dan wat gedrongen, bescheiden maar toch handige en slimme mensen voor me, ze geloofden wel degelijk maar ze geloofden het ook ergens wel (pientere gelovigen zou ik willen zeggen, en die arianen waren natuurlijk best onafhankelijke denkers); ze wisten dat werk van anderen overnemen (dus echt iets overpakken) het beste in de mens tevoorschijn tovert. De kabouters waren er, maar dan weten we nog niet wie ze waren? Waren het Kelten of Germanen, Friezen, Saksen of Bataven? Is dit een zinloze discussie? Vooral de Menapiërs hebben hier gewoond, denken de deskundigen, die Jansen citeert. De Menapiërs, de eerste bewoners der Antwerpse Kempen, waren krijgshaftige lieden; zij hielden het langst vol tegen Caesars overweldiging, doch hun kloeke moed vermocht niets tegen de romeinsche overmacht en na een heldhaftig strijden moesten zij het onderspit delven en werden der romeinschen heerszucht onderworpen. Maar dit klopt niet met de psychologie van de kabouter: kabouters bemoeien zich nergens mee en laten anderen zich te pletter vechten. Van de Romeinen wordt bovendien aangenomen dat ze onder de autochtone bevolking liever geen terreur uitoefenden zolang de belastingen maar netjes betaald werden. Dat deden die kabouters wel - vooral in natura - en voor de militaire dienst waren ze toch te klein. De Romeinen hebben die kabouters natuurlijk gezien als een grappig en amusant maar wel handig en slim soort "mensen". Ik meen me te herinneren dat Tacitus zich in zijn Germania ook zo uitdrukt. In de loop van het eerste millennium is het toch fout gegaan met de kabouters. Ze hadden zo hun levensovertuiging, die kabouters, al vele eeuwen, en ze waren er dik tevreden mee. Wat zie je ze vaak gul en tevreden lachen op tekeningen. Daar kwam verandering in. Na de Romeinse tijd kwam het regiem van de Franken opzetten, gecombineerd en gesteund door een felle bekeringspolitiek. Je mocht geheel vrij kiezen tussen gedoopt worden of het zwaard. Het goede oude leven van voorheen, dus van zelf je eigen baas zijn en zelf de dienst(en) uitmaken, dat was voorbij. Het Frankische imperialisme, gesteund door de godsdienst en van daaruit gesteund door de klokken en bellen van de kapellen die gesticht werden, ontheemde de oorspronkelijke bevolking. De kerkklokken werkten disciplinerend. Toen de Franken kwamen zijn de kabouters vertrokken. In stilte, zonder klokgelui. Waarschijnlijk verdwenen ze in de nevel van de tijd toen kabouter Kyrië stierf. Dat gebeurde in de nabijheid van Riethoven, zoals de overlevering zegt. Maar ze verdwenen niet uit het geheugen van de vertellende generaties.

De verspreidingskwestie
Volgens Ton van Reen is De Peelrand het epicentrum van de kabouters. Kabouters waren volgens hem verstoten kinderen: mongolen, zwakzinnigen, lichamelijk gehandicapten, duivelskinderen. sociaal-democratisch denken van de bovenste plank. Hoe sympathiek deze visie ook is, ze is niet alleen psychologisch onjuist maar ook de lokalisering is er echt een van een turfsteker die zich op de been houdt met jenever. Blijft over dat het verhaal van Ton wel uitermate boeiend is, ondanks het feit dat het in historisch opzicht genegeerd moet worden. Rien Poortvliet meent dat kabouters van vroeg-Scandinavische oorsprong zijn en dat ze na de Grote Volksverhuizingen in de Lage Landen opdoken, een vroeg soort Vikingen dus of voor wie het vaag wil houden: Danen. Onmogelijk is deze visie niet. De Scandinaviërs arriveren in de Kempen, vestigen zich daar, zien met kennersoog waar je het beste kunt gaan zitten, en komen natuurlijk terecht op de plaats van of nabij Romeinse nederzettingen. Dan ontstaan de verhalen over vroeger (maar wanneer?) en ze worden via mondelinge overlevering doorverteld tot nu toe. Logisch dat Frens ze vele eeuwen later dan op de juiste plekken kan intekenen. Ons conventioneel historisch beeld biedt een andere visie, en die vinden we bij Frens. Hij meldt in zijn boek aanvankelijk dat echte kabouters typisch Nederlands zijn, maar poneert een stuk verderop in zijn boek dat de gelokaliseerde kabouterverhalen te vinden zijn in de Brabantse Kempen, de Achterhoek, Vlaanderen en Westfalen, zeg maar een strook aan de noordgrens van her Romeinse rijk vanaf Noordwest-Frankrijk en Zuid-België, Brabant en Limburg en Westfalen. Toch blijft overeind dat het oorspronkelijke kabouterland in Brabant lag en dat de kabouters door het Frankische machtsvertoon vertrokken zijn, oostwaarts maar zeker ook noordwaarts. Het merkwaardige is nu dat het onderzoek van sagen, zoals naar de Thidrek-sage, deze beweging steeds meer bepleit wordt. De gebeurtenis lokaliseert men in onze regio (Lage Landen, Duitsland, Frankrijk), veel vertelstof wordt - naar men beweert - onder Lodewijk de Vrome vernietigd en/of door Vikingen meegenomen, en deze verhalen komen na het jaar 1000 terug als Scandinavische vertellingen. Wat een schitterend thema! Zou het zo gegaan kunnen zijn?

De disciplinering via de klok
In het boek Knielen op een bed violen van Jan Siebelink staat op bladzijde 146: In het dorp begonnen de klokken te luiden van de hervormde, de gereformeerde, de katholieke kerk. Hij ademde diep, luisterde naar het klokgelui, grillig op de lauwe ochtendwind, dat langzaam wegstierf. Precies honderd bladzijden verder staat er heel wat anders over de kerkklokken: Steffen ging nu te keer tegen het instituut Kerk. De Kerk was het kwaad in de wereld. De Kerk was verstandswerk. De akker was vervloekt. Ze moest gesloopt worden. De klokken dienden uit de torens verwijderd. De reactie van de ouderling Steffen is na meer dan twaalf eeuwen nog een gevecht tegen de Frankische overheersing. Beter laat dan nooit, kennelijk.
Bellen en klokken als muziekinstrumenten of als informatiemiddelen (bijvoorbeeld bij gevaar en onheil) waren er in de oude culturen van China, het Midden-Oosten, de Kelten en de Romeinen. De betekenis van klokken en bellen op muzikaal terrein blijkt onder meer uit de ontwikkeling van klokkenspellen en carillons, ook vandaag de dag nog steeds een dynamische ontwikkeling. Maar de luidklok is van jongere datum en waarschijnlijk een product van het westerse christendom. Kerkklokken berichtten oorspronkelijk over liturgische activiteiten die tegelijk ook tijdmeldingen waren. Geleidelijk aan kregen kerkklokken ook een meer profane functie: ze kondigden onheil aan en probeerden het kwaad te weren. In een later stadium kregen luidklokken meer specifieke informatiefuncties: de tiendklok gaf aan wanneer de belastingen overgedragen moesten worden, de banklok wanneer een vonnis uitgesproken of voltrokken werd, de poortklok gaf aan wanneer de stadspoorten open en dicht gingen. Het aangeven van de tijd werd sterk verbeterd toen het uurwerk uitgevonden werd en zo ver ontwikkeld was dat het in torens ingebouwd kon worden. Het "slaan" van het juiste uur (1 tot en met 12 slagen) werd in de middeleeuwen een tijdlang ervaren als een verder "wereldlijk" gebruik van "kerkelijke" klokken. Met het nauwkeurig en voor ieder hoorbaar aangeven van tijd en uur werd het mogelijk om de bevolking nog meer aan te passen (te socialiseren) aan arbeidsprocessen. De kerk werkte daar meestal niet zo makkelijk aan mee. Ze verzette zich tegen "handel in tijd", tegen het economiseren van de tijd. "Tijd is God" in plaats van "tijd is geld". De installatie van werkklokken riep tot in de veertiende eeuw ook bij de bevolking veel verzet op. Vooral ook bij de vrouwen die moesten werken in de bedrijven: ze hadden immers thuis al genoeg te doen en daar was het ook best gezellig. De mensen verkochten met hun werkkracht niet graag hun vrijheid. Over dit onderwerp heeft de beroemde Franse historicus Jacques Le Goff buitengewoon interessante dingen opgemerkt. Voor de "gedigitaliseerde" 2000-mens ingrijpende denkstof. Maar hier kunnen we er niet verder op ingaan.

Toch weer de chronologie
André Lehr bespreekt in zijn prachtige boek Beiaardkunst in de lage landen de christelijke symboliek van de luidklok. Hij vertelt onder meer hoe het ritueel van het wijden van kerkklokken ingang vond en dat met name Karel de Grote verbood om klokken te dopen met de bedoeling hagel en bliksem te verdrijven. Het is niet duidelijk of Karel nu het dopen verbood (mensen worden gedoopt en klokken gewijd) of dat hij de functie van "weerklok" bestreed. Uit het boek van Lehr blijkt dat een controleerbare geschiedenis van de luidklok eigenlijk pas in de dertiende eeuw begint. Er is echter een
zware historische traditie om op grond van weinig documenten (meestal ook nog van twijfelachtige aard) ontzagwekkend veel aan Karel de Grote toe te schrijven. Wat is er bijvoorbeeld waar van de beroemde Karel-biografie van Einhard, enige jaren geleden opnieuw vertaald door Patrick De Rynck, een biografie die sterk doet denken aan de Augustus-biografie van Suetonius. Wie naar archeologische bewijzen of aanwijzingen vraagt, komt bedrogen uit. Van door Karel gebouwde paleizen is nog nooit iets teruggevonden. Hij zou universiteiten gesticht hebben, maar de oudste universiteit van Europa is die van Bologna en die werd in 1119 gesticht. Geschriften, uitvindingen en kunstwerken die Karolingisch genoemd worden moet men bij nauwkeurig onderzoek vaak een stuk later dateren. Vrijwel alles wat u bijvoorbeeld in Aken ziet in verband met Karel de Grote dateert van na het jaar 1000. En de grote vraag is natuurlijk of een bepaalde periode achteraf "gekarolingiseerd" kan zijn, door de keizers van het Heilige Roomse Rijk in samenwerking met de Oost-Romeinse machthebbers, daarin bijgestaan door de schriftgeleerden en historici van die dagen, de monniken van de kloosters.
In zijn boek over de kabouters toont Gert Frens zich een nogal kritiekloos aanhanger van de conventionele geschiedschrijving met betrekking tot de vroege middeleeuwen en vooral wat betreft de periode van Willibrord tot en met Karel de Grote. Hij blijkt originele bronnen ‘geraadpleegd’ te hebben, maar deze raadpleging heeft een erg hoog Wikipedia-gehalte. Frens noemt onder meer de Lex Salica (de wetgeving van de Salische Franken die in de zesde eeuw tot stand zou zijn gekomen), de Capitulare de Villis vel curtis imperialibus en de Capitulatio de partibus Saxoniae (vaak gedateerd eind achtste eeuw, een heel wat strengere wetgeving - voor de Saksen - dan de Lex Salica), en daarnaast meer secundair het Utrechts Psalterium (voorheen Reims, daarna Canterbury en nu Utrecht, vaak gedateerd midden negende eeuw), de Civitate Dei, het Roelantslied en Karel ende Elegast. Kern van de zaak is dat de datering van het historische gebeuren vaak gelijkgesteld wordt met de tijd dat de gebeurtenis opgetekend werd, ook al gaat het om geschriften of (veronderstelde) kopieën van eeuwen later. In dit opzicht hangt er een permanente smog boven het onderzoeksgebied: de datering van de oudste bron(nen) komt niet aan de orde. Door op deze manier met bronnen om te gaan versterkt men de idee van de conventionele chronologie. Twijfel kan eigenlijk niet ontstaan. Als men een bron kan dateren op een ouderdom van bijvoorbeeld 1200 jaar, dan zegt men conventioneel dat ze rond 800 vervaardigd is, maar de bewering in een andere opvatting van de jarentelling dat ze bijvoorbeeld uit 500 dateert, is van gelijke logische orde. Frens komt dus niet op de gedachte om zijn probleem in verband met de continuïteit van de kabouterverhalen in verband te brengen met de mogelijkheid dat er een vraagteken geplaatst mag worden bij de traditionele chronologie. Zijn feitelijke kaboutertijd omvat nu ongeveer 700 jaren (100 - 800 n.Chr). Kabouterverhalen zijn pas ontstaan na het verdwijnen van de kabouters, dus in zijn visie laten we zeggen in de tiende eeuw (conventioneel). Toch moeten de vertellers van toen geweten hebben waar de Gallo-Romeinse urnenvelden te vinden waren, na laten we zeggen zeven eeuwen. Zou de visie van Frens niet aannemelijker kunnen worden als we de hypothese accepteren dat er in het eerste millennium enige eeuwen achteraf berekend en ingevuld zijn? Volgens de theorie van Heribert Illig zouden dan drie eeuwen minder (in onze gedachten) overbrugd moeten worden. De tijd na de instorting van het West-Romeinse rijk tot en met de tijd dat de kabouters verdwenen, is dan veel korter en ziet er voor ons waarschijnlijker uit. De kaboutertijd van Frens duurt dan een jaar of vierhonderd. Er is gewoon continuïteit. Allerlei gebeurtenissen van de zogenaamde (voor-)Karolingische tijd (grofweg 600 - 900 volgens de conventionele telling) zijn te vinden in de periode van 300 tot 600. Geschriften en archeologische vondsten zijn van voor 600 of van na 900. Het perspectief van de historische betekenis van de kaboutertijd wordt nog interessanter als er het chronologie-onderzoek bij betrokken wordt.


Literatuur

M. Deicke e.a., Smog in Mittelalter, Archäologie in Deutschland juli-augustus 2007
Gert Frens, De dood van Koning Kyrië. Kabouters hebben echt bestaan, Eersel 2007
J. Jansen, Turnhout in het verleden en het heden, 1e deel, Turnhout 1905
K. van Kemenade, Geheimzinnige Kempen. Je kunt de kabouters maar beter te vriend houden, Trompetter Kempen 170801
K. van Kemenade, Kabouters hebben echt bestaan, Trompetter Kempen 290601
S. Leeckx, Beschrijving der Provincie Antwerpen, Antwerpen 1852
Ton Lemaire, Godenspijs of duivelsbrood. Paddestoelen in het algemeen….En de vliegenzwam in het bijzonder, Brabants Landschap herfst 2004, p. 18- 43
Elly van Loon – Van de Moosdijk, Goet ende wael gheraect. Versieringsmotieven op luid- en speelklokken uit de Middeleeuwen en Renaissance in het hertogdom Brabant (1300-1559), Nijmegen 2004 (met CD Klokslag)
Doris Muliar, Ik geef je een Tuinkabouter, Warnsveld 1995
P.N. Panken, Spokerijen in de Kempen, Zaltbommel 1977 (bewerking Johan Biemans)
C. Peeters, Volkskunde en archeologie, Brabants Heem, Oisterwijk 1969
G. van Udenhout, Kabouters in de Kempen, Trompetter Kempen 160299
Rien Poortvliet, Leven en werken van de kabouter, Bussum z.j.
Ton van Reen, Klein volk, leven en werken van de kabouter, Breda (De Geus; ISBN 90 445 0222 0))
J. Slofstra en J. Bazelmans, De inheems-Romeinse nederzetting op de Kerkakkers bij Hoogeloon, Het Kempenprojekt 2, Waalre 1985 (Opmerking: veel materiaal is opgeslagen in de depots van de Vrije Universiteit van Amsterdam)
J. Timmers, Spiegel van Twintig Eeuwen, Amsterdam-Brussel 1963
J. de Wit, Romeinse muurschilderingen uit Hoogeloon. Het Kempenprojekt 2, Waalre 1985
WNT, deel KA, Kaboutermannetje, p. 823-827.

Heinzelmännchen in Holland –

ein verschwundenes Volk ?

von Reinhard Schmoeckel  Bonn

Der Informationsaustausch mit unserem niederländischen Partnerverein, dem STUDIEKRING EERSTE MILLENNIUM (SEM), ist immer ein Vergnügen. Die vierteljährliche Mitteilungsschrift „SEMafoor“, die ich regelmäßig erhalte, wird von mir stets sorgfältig durchgesehen. Glücklicherweise ist die holländische Sprache unserem Hochdeutsch noch recht ähnlich, so dass ich nur selten ein Wörterbuch zu Rate ziehen muss. Dabei beeindruckt mich, wie auch im Kreis unserer holländischen Forscherkollegen gerne und ziemlich hart um die richtige Auslegung bestimmter Dinge gestritten wird – offenbar nicht viel anders als bei uns. Das zeigt, dass es auch dort nicht um die Propagierung bestimmten Ideologien oder um die „Verbreitung abstruser Ideen blutiger Laien“ geht, sondern um die ernsthafte Diskussion zwischen Wissenschaftlern oder wissenschaftlich interessierten „Normalbürgern“.

In der Nummer 3 des Jahrgangs 2007 des „SEMafoor“ fiel mir besonders ein Aufsatz des Vorsitzenden des SEM, Ad Maas, auf. „Kabouters in het eerste millennium“. „Kabouters“ – das Lexikon übersetzt das mit „Heinzelmännchen“ oder „Zwerge“. Diese seltsamen Wesen sind also auch bei unseren Nachbarn bekannt, dachte ich, und beim näheren Studium des Aufsatzes stellte ich interessante Übereinstimmungen mit den ja auch in Deutschland verbreiteten Erzählungen über Zwerge oder Heinzelmännchen fest. Verblüffend war allerdings, wie Ad Maas recht konkret auf eine Bevölkerungsgruppe im ersten nachchristlichen Jahrtausend schloss.

Doch zunächst einmal einige Fakten, die Ad Maas aus einer für mich überraschenden Fülle zum Teil noch sehr neuer Bücher anderer niederländischer Forscher über „Kabouters“ zusammengetragen hat, und die ich hier kurz zusammenfasse. Einige der von ihm herangezogenen Werke sind Sammlungen von Volkserzählungen über diese „Wichtel“ - ein bezeichnender Titel davon ist: „Kabouters hat es tatsächlich gegeben“ -, andere sind Berichte über archäologische Untersuchungen. Die von ihm zitierten holländischen Autoren nenne ich hier nicht mit den üblichen bibliographischen Angaben, da sie bei uns in Deutschland doch schwer beschafft oder nachgeprüft werden können.

* „Kabouters“ (bleiben wir einfach bei dem holländischen Wort) sind nach Meinung eines der zitierten Autoren „früh-skandinavischen Ursprungs, sie seien bald nach der (germanischen) Völkerwanderung in den Niederen Landen aufgetaucht, wahrscheinlich im Zusammenhang mit dem Einfall von Angeln, Sachsen und Jüten nach England.

* In der Zeit des Zusammenbruchs der römischen Herrschaft an der Nordsee hätten sich – immer noch nach dem gleichen zitierten Autoren – diese Kabouters verbreitet und in den Niederen Landen „eingebürgert“.

* Einige weitere Angaben über die Kabouters: Sie seien verschwunden, als die Franken kamen; sie seien allesamt fortgezogen nach dem Tod ihres „Königs Kyrië“; sie sollen eine Abneigung gegen Glocken und Klingeln gehabt haben; sie seien hilfsbereit gegenüber den Menschen in ihrer Umgebung gewesen, aber sie hätten sich nicht als Sklaven behandeln lassen, sie hätten gerne Milch getrunken, aber auch von einer Sorte Gerstenbier ist in den Volkserzählungen die Rede; und sie hätten Zipfelmützen getragen.

* Einer der von Ad Maas zitierten Volkskundler behauptet, „Kabouter-Erzählungen“ seien verbreitet entlang der Nordgrenze des einstigen römischen Reiches, von Flandern über das holländische Kempenland, Limburg und Westfalen; aber das Zentrum sei Brabant (südl. Niederlande, nordöstl. Belgien) gewesen.

* Nach anderen von Ad Maas zitierten Quellen, und zwar archäologischen Untersuchungen, tauchen „Kabouter-Erzählungen“ vor allem dort auf, wo man Urnenfriedhöfe aus gallorömischer Zeit gefunden hat. Zwischen den Orten solcher gallorömischer Urnenfriedhöfe und späteren Ansiedlungen in der Merowingerzeit habe es keine Kontinuität gegeben, sondern einen Bruch mit äußerst geringer oder gar keiner Besiedlung dieser Gegenden.

* Ganz gehäuft findet man Volksüberlieferungen über Kabouter im sogenannten Kempenland, einer Region in den südlichen Niederlanden (Nord-Brabant, südwestlich von Eindhoven, an der Grenze zu Belgien), wo in einem kleinen Areal von etwa 20 mal 15 Kilometer zahlreiche Orte sehr konkrete „Kabouter-Erinnerungen“ aufweisen.

* In Hoogeloon, einem dieser Orte im Kempenland, wurde eine römische Villa aus dem 2. Jh. n. Ch. ausgegraben, die auf einem riesigen Fundament von Eisenerzschlacke stand. Dort müsse eine umfangreiche Eisenerzproduktion über lange Zeit betrieben worden sein. In einer Schmiedewerkstatt seien zahlreiche Hämmer, Zangen, Messer, Beile und andere eiserne Haushaltsgeräte gefunden worden. Nach Meinung der bearbeitenden Archäologen müsse diese Produktion mehrere Jahrhunderte bestanden haben.
Nicht ganz klar ist mir, ob die weiteren Schlussfolgerungen, die ich gleich näher behandeln möchte, allein von Ad Maas stammen oder bereits von den in seiner Arbeit zitierten anderen niederländischen Forschern.

Doch vorweg kann ich eine von Ad Maas gestellte Frage klar beantworten, der zweifelnd gemeint hatte, die mündlichen Überlieferungen über die Kabouters seien vielleicht in Form skandinavischer Erzählungen wieder zurückgekommen, nachdem unter Ludwig dem Frommen und durch die Wikinger viel von dem entsprechenden Wissen verloren gegangen sei. Maas meinte wohl die Thidrekssaga, deren Inhalte ihm durch unsere Jahrestagung von 2006 in Arnheim näher gebracht worden sind.

Doch hier ist eine klare Auskunft möglich: meines Wissens enthält die Thidrekssaga keinerlei Andeutung von einem „Kabouter-Volk“ in den Niederen Landen. Wenn die Kabouters tatsächlich vor allem (oder ausschließlich ?) aus einem kleinen Teil des Kempenlandes überliefert sind, dann lebten in der von Forschern des Thidrekssaga-Forums untersuchten Zeit, der späten Römerzeit und dem frühen Mittelalter, gerade dort k e i n e Volksgruppen germanischer Abstammung, weder nach Zusammenstellungen archäologischer Funde durch Wilhelm Bleicher noch nach der Ausdeutung der Thidrekssaga und von Ortsnamen durch mich (siehe den Band 3 „Forschungen zur Thidrekssaga – Die Wilkinensage“). Wenn man also davon ausgeht, dass die Urbilder der „Kabouter-Sagen“ Menschen aus Fleisch und Blut waren – und diese Überzeugung teile ich ausdrücklich – dann scheint festzustehen, dass es weder „Römer“ noch „Germanen“ waren, und sehr wahrscheinlich auch keine „Kelten“. Wer oder was waren sie aber dann ?

Genau diese Frage stellt auch Ad Maas. Vielleicht kann der folgende Teil meines Aufsatzes ein wenig helfen, etwas mehr Licht in das Dunkel im Wissen über jene Zeit „zwischen Römern und Franken“ zu bringen, das auch in unserem Nachbarland herrscht.

In unserem BERNER wurde bereits vor einigen Jahren ein Aufsatz eines Forschers veröffentlicht, der „Veneter“ als eine eigene frühe Bevölkerungsgruppe in einem Teil des westfälischen Sauerlandes identifiziert hatte (Gerd Meier, Eine Besiedlungsinsel der Véneter zwischen Bigge und Lenne imn Hochsauerland ?, DER BERNER 11, 2003, S. 41 – 46). Der Autor beschreibt die Veneter als eine früh-indoeuropäische Bevölkerungsgruppe (in der Bronzezeit ?), die zwar nicht flächendeckend riesige Regionen unterworfen hat, aber in den verschiedensten Gegenden Europas ihre Spuren hinterlassen hat, vom Dnjepr bis Venedig, von der Ostsee bis in die spätere Bretagne. Eine ihrer noch zu „germanischen“ Zeiten nachweisbare Besiedlungsinseln lag, wie Meier darlegte, eben im Hochsauerland. Das Bemerkenswerte daran ist, dass diese Veneter sich auf den Abbau und die Verarbeitung des dort reichlich vorhandenen E i s e n e r z e s spezialisiert hatten.

Eine ernstzunehmende wissenschaftliche Untersuchung des Zusammenhanges von „Zwergen“ mit den frühen technischen Fertigkeiten des Erzabbaus und der Eisengewinnung und –verarbeitung in der sogenannten Vorgeschichte steht meines Wissens noch aus. Doch nicht nur in den Niederlanden, sondern erst recht in Deutschland sind die Sagen oder Volkserzählungen über „Zwerge“ als Bergleute und Schmiede so zahlreich, dass sie gewiss nicht alle das Erzeugnis purer Phantasie gewesen sein können. Ob nun die Veneter allein diese „Zwerge“ waren, oder ob es neben ihnen noch andere kleinwüchsige Menschengruppen in der Kupfer-, Bronze- und Eisenzeit gab, die sich damals den für ihre Zeitgenossen „zauberhaften“ Künsten des Erzabbaus und der Eisenerzeugung und -verarbeitung widmeten, muss hier offen bleiben. Fest steht, dass der frühe B e r g b a u wohl tatsächlich vielfach von sehr klein gewachsenen Menschen betrieben worden ist; man kennt in der Bergbau-Geschichte sogenannte „Venetier-Stollen“ von nur etwa 70 oder 80 Zentimeter Höhe. (In einem Bildband über deutsche Bergbaugeschichte wird ein solcher Stollen zwar auf dem Titelbild gezeigt, aber im Text nicht mit einem Wort dessen Bedeutung behandelt !)

Nehmen wir einmal an, eine Gruppe bergbaukundiger Veneter sei in die Region des damals offenbar viel Eisenerz enthaltenden Kempenlandes in den heutigen Niederlanden eingewandert und habe dort lange ihr für die Wirtschaft so wichtiges Handwerk betrieben. Das kann bestimmt nicht erst zur Zeit der (germanischen) Völkerwanderung (um 400 n. Chr.) begonnen haben, wie ein niederländischer Volkskundler vermutet hatte. Sondern möglicherweise lag die Zeit ihrer Niederlassung dort schon viele Jahrhunderte davor. Während der Römerherrschaft war diese Arbeit den Verwaltern des Reichs sehr willkommen, die Bergleute und Schmiede konnten unbehelligt ihre Tätigkeit ausüben, solange sie nur ihre Steuern bezahlten. Und nebenbei werden die Betreiber dieser „fabricae“ auch sehr gut verdient haben. Der jeweilige Chef dieses sehr wahrscheinlich genossenschaftlich organisierten „Industriekomplexes“ war der „Herr“: Auf Griechisch hieß das „Kyrios“ (oder im späteren Niederländisch „Kyrie“). Ad Maas hat das in seiner Ausdeutung der von ihm herangezogenen Forschungen sehr überzeugend erklärt. Das passt mit den Volkserzählungen vom „König Kyrie“ bei den Kabouters zusammen.

Aber auch für das mögliche Ende der „Kabouter-Zeit“ in den Niederlanden hat Ad Maas (oder die von ihm zitierten Autoren) eine sehr überzeugende Erklärung gefunden. Als nach dem Ende der Römerherrschaft an der Nordsee die Frankenkönige in den Niederen Landen ihre Herrschaft errichteten – nach meiner persönlichen Überzeugung lagen mindestens 250 Jahre dazwischen ! - bedeutete das nicht nur die Unterwerfung unter die Herrschaft eines fränkischen Königs, sondern auch die Anerkennung des Christengottes. „Christianisierung und fränkischer Imperialismus waren zwei Seiten derselben Medaille“, schreibt Ad Maas völlig richtig. Und die Menschen dort wurden „durch die Glocken der Kirchen diszipliniert“, schreibt Ad Maas weiter, zu bestimmten Tagen in die Kirche gerufen, zu bestimmten Stunden zum Gebet angehalten usw. Die strikte Einteilung des Tages durch die Kirchenglocken bläute den Menschen ein: „Zeit ist Gott“ (später wurde daraus der Slogan „Zeit ist Geld“).

Das war etwas, was von den fleißigen, aber freiheitsbewussten Bergleuten und Schmieden im Kempenland nicht akzeptiert wurde; man denke an die in den „Kabouter-Erzählungen“ immer wieder angesprochene Abneigung dieser Menschen gegen „Glocken und Klingeln“. Ad Mass hält es sogar für möglich, dass sie arianische Christen waren, nach gewissen mehrfach vorkommenden Ausdrücken in den „Kabouter-Erzählungen“. Irgendwann zu Beginn der fränkischen Herrschaft, also wohl im frühen 8. Jahrhundert n. Chr., kam – wenn man die Volkserzählungen über „König Kyrie“ ernst nimmt – der letzte der „Herren“ des kempenländischen „Industriekomplexes“, der letzte „König Kyrie“, durch einen Jagdunfall um oder er wurde umgebracht. Das veranlasste die kundigen Bergleute und Schmiede und ihre Familien zur geschlossenen Auswanderung. Viele tausend Menschen werden es nicht gewesen sein, eher wenige hundert. Wohin die zogen – ja, das weiß kein Mensch zu sagen. Ein paar Bewohner müssen im Kempenland geblieben sein, sonst hätte es keine Überlieferung der Volkserzählungen bis heute gegeben. Es gab neben den Venetern sicher auch ehemalige „Römer“ dort, die übliche Mischung von Menschen aus allen möglichen Gebieten des einstigen Reiches.

So könnte es gewesen sein. B e w e i s e dafür in Form geschriebener Urkunden gibt es natürlich nicht. Aber man sollte die so vielfältigen Zeugnisse einer lebendigen Volksüberlieferung ernster nehmen als man das bisher getan hat. Vielleicht ist es auch bei uns in Deutschland an der Zeit, diesem kleinen, aber vielleicht gar nicht so unwichtigen Teil unserer Vergangenheit mehr Aufmerksamkeit zu schenken.

Der „Klabautermann“, den wir im Deutschen kennen, scheint ein „Ableger“ der holländischen „Kabouters“ zu sein, ein auf Segelschiffe gewanderter freundlicher Geist, der aber manchmal auch Ärger stiften kann. Ein sprachlicher Zusammenhang wird da wohl bestehen, wenn ich ihn auch nicht näher begründen kann. Aber der eindeutig in den Bereich der Mythen und Spukgeschichten gehörende „Klabautermann“ dürfte erst aufgekommen sein, als die Menschen von der Existenz echter menschlicher „Kabouters“ in ihrem Land keine direkte Erinnerung mehr hatten.


Kabouters en de Staalindustrie in het

Roergebied

A.C. Maas te Leende

Gert Frens heeft zijn zoektocht naar de kabouters na vele lezingen beschreven in een boek¹ dat midden 2007 op de markt is gekomen. Ik kocht het meteen en las het dezelfde avond en nacht. Het thema van zijn boek spreekt mij namelijk al meer dan 60 jaar aan. Toen ik een stevige kleuter was, groef ik vlak langs een fietspad op het Moleneind in Prinsenbeek (toen nog Beek) een kuil zo diep dat mijn vader die op verzoek van de veldwachter ’s avonds laat dicht gooide. Een oom van mij had me verteld dat de kabouters absoluut bestonden maar wel diep in de grond. Hier keek hij bedenkelijk bij. Ik zag daar echter geen probleem in. Je spit gewoon door tot je er bent. Wat zat ik toch dicht bij de waarheid, zoals verderop in dit verslag zal blijken.
Over het boek van Frens schreef ik een paar maanden geleden een wat uitdagend artikel in het tijdschrift SEMafoor, dat gericht is op de geschiedenis van het eerste millennium, en een populaire samenvatting daarvan in Trompetter Kempenland. In deze artikelen meldde ik de bevindingen van Gert Frens met betrekking tot de Gallo-Romeinse nederzetting van Hoogeloon en de nabij gelegen Kabouterberg. Op de Kerkakkers in Hoogeloon heeft een villa gestaan, een indrukwekkende residentie, zonder enige twijfel een machtscentrum, een enorm groot bouwwerk dat meer dan 50 meter lang was en 19 meter breed was, gebouwd in drie fasen in de tweede eeuw n.Chr. Onderzoek van de fundamenten van de villa leverde op dat deze grotendeels bestonden uit slak, dat wil zeggen een afvalproduct uit de ijzerindustrie. Archeoloog J. Slofstra en zijn medewerkers vonden daar een ook grote verharde smidsvloer terug en onder meer op grond van dit feit moet geconcludeerd worden dat in de fabriek van Hoogeloon eindproducten vervaardigd werden: messen, bijlen, hamers, tangen, spijkers, wapens, bouwmaterialen en huishoudelijke voorwerpen. De hypothese luidde: kabouters hebben echt bestaan, ze vormden een inheemse bevolking en ze waren ondernemers en experts in de ijzerindustrie. En ze droegen inderdaad puntmutsen.

Reinhard Schmoeckel
Interessant, dat was het dan, volgend onderwerp, dacht ik maar zo ging het niet. SEMafoor was nog maar net uit toen er een reactie kwam van de Duitse historicus Reinhard Schmoeckel (Bonn): Heinzelmänchen in Holland – ein verschwundenes Volk? Schmoeckel is de auteur van klassiekers als Die Indoeuropäer. Aufbruch aus der Vorgeschichte (2004 derde druk) en Bevor es Deutschland gab. Expedition in unsere Frühgeschichte – von den Römern bis zu den Sachsenkaisern (2002) en vooral ook auteur van enkele boeken die dringend in de Lage Landen bestudeerd moeten worden omdat ze nieuwe inzichten bieden. Ik noem met voorrang: Die Merowinger vor ihrem Reich. Die sarmatischen und sigambrischen Würzeln der Dynastie (2006). Schmoeckel vatte mijn artikel niet alleen knap samen maar kwam ook met aanvullingen voor de dag. Kabouters waren inderdaad mensen van vlees en bloed maar ze waren noch Romeinen noch Germanen en waarschijnlijk ook geen Kelten (?). Kabouters vormmden een aparte vroeg-Indo-Europese bevolkingsgroep – Veneter – genaamd, die vooral ook in Sauerland gevestigd was en op tal van andere plaatsen sporen nagelaten heeft. Wat voor sporen? Overal blijkt dat deze bevolking zich gespecialiseerd had in het delven en bewerken van ijzererts. Verhalen over dwergen zijn juist in omloop op plaatsen waar metaal gewonnen en bewerkt werd. Kabouters waren allereerst mijnwerkers die in de lage gangen, beschermd door mutsen met stro erin, metalen wonnen, maar ook deskundigen die wisten hoe je metalen moest scheiden en diverse soorten metalen moest bewerken. De Veneter waren dus dwergen met bijzondere deskundigheden. Wie deze deskundigheden bezat werd door de machthebbers uiteraard met ‘respekt’ behandeld. Kabouters verrichtten wel slavenarbeid maar werden rijkelijk betaald (zie verderop). Hun opdrachtgevers, bestuurders en managers (Kyrios) keken wel uit om de kabouters voor het hoofd te stoten.

Mijnbouw in Sauerland
Toen ik dit las, vielen er plotseling enkele herinneringen op een bepaalde plaats. Tijdens vakanties of studiereizen bezoeken mijn vrouw en ik altijd ook dingen op ‘waar toch niemand naar toe gaat’, dus situaties die op het eerste gezicht niets voor stellen. Dit heeft al een flink aantal grote verrassingen opgeleverd. Enkele jaren geleden zagen we op doorreis naar Kassel in de buurt van Olsberg een bord staan dat een Mijnbouw-museum vermeldde. Er volgde een fascinerend bezoek. Niet alleen een schitterend museum over vele eeuwen ijzererst-mijnbouw in Sauerland (met veel beelden van de Nazi-periode) maar ook een tocht met een treintje 1,5 kilometer de bergen in en daarna een wandeling van een uur door de laatste delvingsplaatsen. De mijnbouw is pas enkele tientallen jaren geleden beëindigd. Vorig jaar, deze keer op weg naar de grote Cannossa-tentoonstelling in Paderborn, besloten we Balve aan te doen. Ik had ergens gelezen dat daar een museum was in verband met de Neanderthaler die daar gewonden is (niet ver van Dortmund). Het museum bleek niet in Balve zelf te liggen maar in het heuvelachtige buitengebied. Na een mooie wandeling kwamen we bij een prachtig gerestaureerde ijzererstfabriek, een smelterij die volledig orgineel in takt was, dus nog kon werken. Je kon precies zien hoe steen en erts binnengereden werd, hoe het stoken verliep, en hoe gesmolten metalen gescheiden en bewerkbaar gemaakt werden. Zo interessant, dat we het laatste kwartier nog gauw in een ander gebouw naar de Neanderthaler moesten gaan kijken. Sauerland was eeuwenlang een belangrijk mijnbouwgebied, en daar moesten die kabouters of Nerveter wel mee in verband staan.

Onderaardste werklieden
Half oktober jongstleden nam ik deel aan een congres van het Thidrek-Saga-Forum, deze keer in Grevenbroich. Deze groep is vooral bezig met het achterhalen van de historische werkelijkheid achter het Nibelungenlied en de Diederik-sage, en heeft daarover tot nu toe vier boeken gepubliceerd. De hypothese is dat de tocht van de Nibelungen niet plaats vond in het gebied van Worms, maar in de regio de Eifel en Sauerland (Jülich, Keulen en Soest). Op een van de boekentafels zag ik een boek Sagenhafte Irrtümer (2006) van Harry Böseke, een bekend schrijver, stichter van enkele musea en ook initiatiefnemer van bijvoorbeeld een museumroute Strasse der Arbeit. In dat boek niet alleen een uitgebreide beschouwing over de tocht van de Nibelungen maar ook een hoofdstuk over Die Heinzelmenschen. Geschichte von ganz unten, over de kabouters dus. Hij bespreekt de Keulse kabouterverhalen en -gedichten en licht toe dat dwergen en kabouters in de Romeinse tijd en later in dienst waren van de rijke Keulse patriciërsfamilies en vooral het onderaardse werk verrichten (waterleidingen, riolering, verwarmingskanalen) en dat deze activiteiten overeenkomst vertonen met de erts-bergbouw in een groot gebied in midden-Duitsland. De kabouters brachten de schat van de bergen voort (zilver, koper, zink, mangaan, lood, ijzer). De zilverproduktie leverde geld op waarmee onder meer de bouw van de dom van Keulen betaald werd. Frederik Barbarossa zou in 1167 een zeer rijke zilvermijn geschonken hebben aan de bisschop van Keulen. Böseke voegt enkele bijzonderheden toe aan de theorie van de kabouters met hun ijzerindustrie. De expertise van de kabouters moet zover gegaan zijn dat ze ontdekt hebben dat je met behulp van mangaan van ijzer staal kunt maken. Wie staal kon maken speelde een hoofdrol in de toenmalige machtsverhoudingen. Economie was immers altijd al afhankelijk van kennis van vitale zaken. Böseke oppert ook dat staal de ware schat van de Nibelungen was, maar dan duikt natuurlijk de vraag op: wie waren de Nibelungen? De Duitse staalindustrie is kennelijk niet voor niets in het Ruhrgebied gevestigd. Denk aan het gereedschap uit Solingen. Elastisch hard ijzer, wat een uitkomst. De kabouters hadden ongetwijfeld hun bedrijfsgeheimen. Ze waren slim genoeg om zich niet te onderwerpen aan welk systeem dan ook. Vrij logisch dat ze in de tijd van de kerstening als heidenen gezien werden. Mensen met een niet geaccepteerde religie: Arianen bijvoorbeeld. Mensen die zich bij voorkeur onafhankelijk opstelden. Opmerkelijk is wel dat er een zogenaamde Heidenstrasse is die vanuit Engeland (Stonehenge) via Calais, Gent en Brussel, via Jülich naar Keulen liep en van daaruit naar het gebied van de erst-mijnen, de weg van de het handelsverkeer. In Bösekes boek staan allerlei historische afbeeldingen van bergmijnbouwarbeiders, steevast met puntmutsen.

Kabouters als zoutdelvers
Maar dit alles is nog niet alles: nog meer puntenmutsen en al eerder in de geschiedenis. In Maaseik deed onlangs ook een internationale tentoonstelling aan: Het witte goud van de Kelten, een Franse produktie van grote klasse. Op die tentoonstelling ziet u een puntmuts die gevonden is in de zoutmijnen van Hallstatt, gelegen in het land van Salzburg (Zout-burg). Sinds 1846 vinden daar met tussenpozen omvangrijke archeologische opgravingen en onderzoeken plaats, in en bij de zoutmijnen waarvan de exploitatie circa 3500 geleden (of misschien wel eerder) begon. De vondsten in dit gebied worden gezien als Keltisch erfgoed. Grafvelden worden bloot gelegd, dus geraamten en (vaak schittererende) bijgaven gevonden, en in de oude mijnen werkmaterialen en resten van kleding. Een hoogontwikkelde kultuur, dat staat wel vast. Mannen, vrouwen en kinderen werkten in deze mijnen. Er zaten veel kleine mensen bij. Zelfs hun ziekten (veel buikpijn en gewrichtpijnen) zijn achterhaald. De zware en langdurige arbeid kunnen we zien als slavenarbeid maar de aanwijzingen dat het om een welgestelde bevolking ging, dus goed betaald werk, zijn overtuigend. De tentoongestelde puntmuts is gemaakt van een dierenvel en dateert uit de periode van 800 tot 300 voor Christus. Op diverse voorwerpen staan versieringen en ook daar is de puntmuts te zien. De kabouters kunnen we dus ook in verband brengen met het zout der aard.

Kabouters kunnen gezien worden als mensen die klein van lichaam, moedig en volhardend van karakter en groot van geest waren. Ze werkten ondergronds aan zaken van levensbelang, dat is wel duidelijk, vooral ook ondergronds in de bergen. Mijn graafpartij als kleuter nabij de Molenberg in Prinsenbeek was zo gek nog niet. Meer dan 60 jaar moest ik erover doen om dat door te krijgen. De kuil die ik gegraven had was voor mijn leeftijd een nogal stevige prestatie. Dat vonden de veldwachter en mijn vader ook. Op een puntmuts was ik niet gestoten. Zou dat wel gebeurd zijn dan was er nog geen kabouter over boord. Want een goede prop stro had alle onheil voor komen. Op de kabouterberg in Hoogeloon had ik meer kans gemaakt. Mogelijkerwijs was ik daar de jongste archeoloog ter wereld geworden die een belangrijke vondst deed. Deze mogelijkheid was echter niet voorzien. Misschien maar goed ook, want op tal van andere terreinen kan een mens ook diep graven. Ik groef en graaf heel wat af, maar: op de goede plaatsen en diep genoeg en op zoek naar de goede dingen? Dat vraag ik me ook met Kerstmis 2007 voor de zoveelste keer af en dan neem ik me in elk geval voor dat er in 2008 iets moois staat te gebeuren.


¹ Gert Frens, Kabouters hebben echt bestaan! De dood van Koning Kyrië, Uitgave van Kabeljauws te Eersel: info@kabeljauws.nl

Literatuur

H. den Besten, Bemerkungen zu einer Kritik Johannes Janota u.a. zu Ritter Schaumburg, Die Nibelungen zogen nordwärts, Amsterdam 1991
H. Böseke, Sagenhafte Irrtümer, Mönchengladbach 2006
J.P. Dewert, Nivelles et sa Région, de la préhistoire à l’historie, Nivelles 1992
H. Grégoire, La Patrie des Nibelungen, in Byzantion IX, Brussel 1934
N. Lönnendonker, Als die Götter noch jung waren. Namenkundliche Untersuchungen zur Nibelungensage, Berlin 2003
W. Rass, Dietrich von Bern und Karl der Grosse. Untersuchung über die Zeitstruktuur der nordischen Dietrich-sage und die karolingischen Sagen-Manipulation, Buchen 2000
F. Reuter, Worms, Die Stadt der Nibelungen, Heidelberg 1995
H. Ritter Schaumburg, Die Nibelungen zogen Nordwärts, München/Berlin 1981
E. Rückert, Oberon von Mons und die Pippine von Nivelles. Untersuchungen über den Ursprung der Nibelungensage, Leipzig 1836
R. Schmoeckel u.a., Ein Niflungenreich in der Voreifel?. Heinz Rritter rund zahlreiche Forscher geben Antworten, Bonn 2002
R. Schmoeckel u.a., Thidrekssaga und Nibelungenlied. Vergleichende Studien, Bonn 2004
R Schmoeckel u.a., Die Wilkinensage. Schlüssel zur unbekannten Frühgeschichte der Niederlandee und Belgiens, Bonn 2006
R. Schmoeckel u.a. , Das Rätsel von Mündt / Mundiacum und St. Irmundus. Burgunder und Nibelungen in der Julicher Börde?, Bonn 2007
R. Schmoeckel, Die Indoeuropäer. Uafbruch aus der Vorgeschichte, Bergisch Gladbach 2004 (3)
R. Schmoeckel, Bevor es Deutschland gab. Expedition in unsere Frühgeschichte – von den Römern bis zu den Sachsenkaisern, Bergisch Gladbach 2002
R. Schmoeckel, Warum hiessen Verwandte Karl des Grossen Nibelung?, in: Ein Niflungenreich in der Voreifel?, Bonn 2002, p. 156 e.v.
R. Schmoeckel, Die Merowinger vor ihrem reich. Die sarmatischen und sigambrischen Würzeln der Dynastie, Bonne 2006
H. Tervooren, Spuren der Nibelungen am Niederrhein, Xantener Vorträge zur Geschichte des Niederrheins 3, Duisburg 1992
P. Wackwitz, Gab es ein Burgunderreich in Worms, in Der Wormsgau 20/21, Worms 1964/1965





 

Valid HTML 4.01!