[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
Kabouters in het eerste millennium
Een nieuw perspectief in het historisch onderzoek
Kabouters in de Kempen
Theorie van Gert Frens nader bekeken
Ad Maas, Leende
Kabouterverhalen zijn niet alleen van betekenis voor meer
inzicht in de geschiedenis van het eerste millennium, maar nadere
beschouwing leert dat ze ook een interessant probleem in verband met
de historie van deze periode naar voren brengen.
Inleiding
Rien Poortvliet ontpopt zich in zijn beroemde boek over de
Kabouters ook als historicus. Kabouters zijn volgens hem van
vroeg-Scandinavische oorsprong: het oudste beeldje van een kabouter
zou in Zweden gevonden zijn. Pas na de Grote Volksverhuizingen die
na 395 begonnen, duiken zij in de Lage Landen op, waarschijnlijk
toen Brittannia kort na 449 aan de Angelen, Saksen en Jutten ten
prooi viel.
Deze volkeren kwamen van de Elbe-monding en vielen het toenmalige
Engeland van uit zee, gedeeltelijk via de Nederlanden aan, meldt
Poortvliet in een soort inleiding. Hij citeert ook de gepensioneerde
Romeinse sergeant Publius Octavus die in Lugdunum een villa
exploiteerde en die beschreef dat hij diverse keren een kabouter
ontmoette die onder meer te kennen gaf dat hij van de Kuwalden
afstamde en het liefst melk dronk. Melk, dat is toch heel wat anders
dan het in Zuid-Nederland veel bezongen gerstebier van Kyrië. In de
vijfde en zesde eeuw, dus in de tijd van de ineenstorting van het
West-Romeinse rijk moet de kabouter zich, nog steeds volgens Rien
Poortvliet, verbreid, gestabiliseerd en ingeburgerd hebben. Ten
slotte deelt Rien het volgende mee: Volgens onze eigen (zij het
schaarse) gegevens moeten wij aannemen dat de kabouters geleidelijk
aan vaker contact kregen met de mensen om hen heen en 50 tot 100
jaar vóór Karel de Grote (768 - 814) in onze maatschappij waren
geïntegreerd.
De tekeningen, schilderingen en bijbehorende teksten van Poortvliet
hebben uiteraard wel een zekere kunstzinnige waarde, maar verder
geen betekenis voor verder historisch onderzoek. Zijn zojuist
geciteerde inleidende opmerkingen komen verderop nog aan de orde:
wat zou er van waar kunnen zijn? Er zijn echter vele verhalen over
kabouters – sprookjes en volksverhalen – die wel een historische
lading blijken te hebben. Ik noem enkele aspecten van deze verhalen
waarvan in de loop van dit artikel zal blijken dat ze een
historische achtergrond en strekking blijken te hebben:
* de kabouters verdwenen collectief bij het overlijden van koning
Kyrië
* de kabouters zijn vertrokken toen de Fransen kwamen
* kabouters blijken een hekel te hebben aan bellen en klokken
* kabouters zijn gedienstig: ze hebben genoegen in niet-commerciële
dienstverlening, maar ze laten zich niet als slaaf behandelen
* “Zeg als je thuiskomt tegen Adriaan dat Kyrië dood is” en “Arjaan,
zeg tegen Christiaan dat Kyrië dood is”.
De Eerselse emeritus hoogleraar fysische chemie (Delft), Gert Frens,
presenteerde onlangs een boek waarin tot uitdrukking komt hoe een
groep natuurwetenschappers in de jaren rond en na 1978 tot een
theorie kwam die stelde dat er in de Kempen echt kabouters geleefd
hebben. De weergave van de ontwikkeling van deze theorie is
interessant en leerzaam, want het is meteen een inleiding in het
empirisch-wetenschappelijke denken. Een historisch onderwerp dat
benaderd wordt door een natuurwetenschapper. Hier houdt SEM de adem
even in. Ik vermeld nu de stappen die Frens zet in zijn onderzoek.
Gallo-Romeinse urnenvelden
Kabouterverhalen blijken zich af te spelen nabij prehistorische
urnenvelden. De streekhistoricus A. Kakebeeke en de archeoloog Nico
Roymans hadden dat al eerder opgemerkt. Roymans c.s.(1995) plaatste
op de kaart van Zuid-Nederland en Noord-België meer dan 30
kabouterlocaties. Nader onderzoek van Frens naar een verband tussen
urnenvelden in het algemeen en urnenvelden met kabouterverhalen
leidde tot een duidelijke conclusie: het gaat om urnenvelden uit de
Gallo-Romeinse nederzettingen.
Deze bevinding hield voor Frens de vraag in hoe de volksoverlevering
van kabouterverhalen vanaf de betreffende urnenveldentijd tot
vandaag de dag plaatsgevonden kan hebben. De eerste vertellers van
kabouterhalen wisten de Gallo-Romeinse urnenvelden klaarblijkelijk
nog precies te liggen. De vraag naar de overlevering klemde nogal
omdat Frens ervan uitging dat er in de na-Romeinse tijd toch een
lege periode is geweest van enkele eeuwen: een periode van geen of
een uiterst geringe bevolking in de streek van de kabouterlocaties.
In elk geval blijkt uit de intekening op kaarten dat de plaats van
de nederzettingen uit de Gallo-Romeinse tijd radicaal verschilt van
nederzettingen uit de Merovingische (Frankische) tijd. Er is geen
continuïteit; er is een breuk. Nergens vinden we tekenen van een
geleidelijke overgang, zegt Frens. Maar de idee van een complete
ontvolking gedurende een drietal eeuwen is vanzelfsprekend strijdig
met de aanname van de volksoverlevering. Is er dan toch een dunne
bevolking, die geen sporen achterliet, aanwezig gebleven tot de tijd
dat het Frankische imperialisme op gang kwam? Dus een zekere
extensieve continue bewoning?
De Gallo-Romeinse nederzetting van Hoogeloon
In het Tilburgse Natuur-historisch Museum (vlak bij het station)
kunt u een Romeinse amfoor bewonderen die afkomstig is uit de
Kabouterberg van Hoogeloon, (waarschijnlijk) een tumulus die in 1926
geëgaliseerd werd. De laatste koning der kabouters woonde - volgens
de kabouterverhalen- nabij het Gallo-Romeinse urnenveld van
Hoogeloon. Het archeologisch onderzoek (circa 1980) ter plaatse
heeft duidelijk gemaakt dat op de Kerkakkers aldaar een enorm groot
gebouw heeft gestaan en een villa waarvan u de reconstructie kunt
bewonderen in museum Eicha in Bergeijk. Een indrukwekkende
residentie zonder enige twijfel: een machtscentrum, maar wat voor
een? Romeinse bouwwerken op het platteland interpreteren we bijna
automatisch als grootschalige agrarische bedrijven, en dat was de
villa van Hoogeloon ongetwijfeld ook, maar hier was heel wat meer
aan de hand. Er stond ook een gebouw dat meer dan 50 meter lang was
en 19 meter breed, gebouwd in drie fasen in de tweede eeuw n.Chr.
Onderzoek van de fundamenten van het gebouw leverde op dat deze
bestonden uit slak, dat wil zeggen een afvalproduct uit de
ijzerindustrie. Alleen al de in 1980 opgegraven fundamenten bevatten
meer dan 200 ton ijzerslak. Hier moest een ijzerproductiefabriek
gelegen hebben. Stromend water was er in de buurt evenals bossen
voor de kap van stookhout. Zonder twijfel ook een enorme
milieubelasting, die inmiddels ook aangetoond is voor de
ertsindustrie vanaf de bronstijd in Duitsland. J. Slofstra en zijn
medewerkers vonden ook een grote verharde smidsvloer terug en onder
meer op grond van dit feit moet geconcludeerd worden dat in de
fabriek van Hoogeloon eindproducten vervaardigd werden: messen,
bijlen, hamers, tangen, spijkers, wapens, bouwmaterialen en
huishoudelijke voorwerpen. De eigenaar en de aandeelhouders in dit
bedrijf moeten ontzaglijk veel geld verdiend hebben. De regionale
economie had een bijzondere motor middels de productie van ijzeren
artikelen. Het management zetelde bij en in het bedrijf. Men dacht
er niet aan om ergens ver weg, in een zogenaamd prestigieus
financieel centrum, kapitalistische transacties uit te denken. De
leiding toonde zich op de plaats waar gewerkt werd. Commercieel
ondernemen moest immers ook maatschappelijk verantwoord gebeuren. De
ijzerfabriek en de nederzetting(en) stonden onder leiding van een
heer en die wordt nu eenmaal Kyrios genoemd in het Grieks. Deze
duurzame onderneming (haast een aankondiging van Philips, DAF en VDL)
moet op basis van de theorie van Frens nog eeuwen bestaan hebben. Ze
ging waarschijnlijk ten onder toen de laatste Kyrië verongelukte of
omgebracht werd. En wanneer was dat het geval?
De dood van koning Kyrië
Allerlei kabouterverhalen vormen een soort sagenkring met de
kabouterkoning Kyrië als de centrale figuur. Kyrië wordt op een dag
aangeschoten door een jager en hij sterft in de nabijgelegen
Duivelsberg.. Dat was in de tijd dat de Fransen kwamen, zoals
Kempenaren elkaar doorvertelden, maar duidelijk is nu wel dat het
gaat om de tijd dat de Franken kwamen, dus ergens in de periode van
Willibrord, Bonifatius en Karel de Grote, volgens de conventionele
chronologie van het eerste millennium natuurlijk. Frens is van
mening dat in de Romeinse tijd en de vroegste middeleeuwen de
autochtone bevolking in het gebied van het latere Brabant, Friezen
en Saksen geweest kunnen zijn. Interessante waarneming. Hoe we deze
autochtone bevolking ook willen noemen, zij werd in de tijd van de
kerstening of van het Frankische imperialisme onder steeds zwaardere
druk gezet. Christianisatie en Frankisch imperialisme waren twee
kanten van dezelfde beweging. Op plaatsen waar Frankische kolonisten
zich vestigden werd gelijktijdig het christendom ingevoerd. Een
referendum was niet nodig: het gebeurde gewoon zo. Kerkjes en
kapellen werden gebouwd en die waren gezegend met een bel of klok,
om ook de autochtone bevolking het vreugdevolle nieuws van de nieuwe
tijd duidelijk te maken of anders gezegd: om te demonstreren wie
voortaan de baas was. De autochtone bevolking kon dat maar matig
waarderen: ze kreeg steeds meer een hekel aan dat machtsvertoon.
Frens gaat ervan uit - hij moet wel - dat er een bepaalde inheemse
bevolking bestond in de Romeinse tijd en aanwezig bleef tot in de
Karolingische tijd, volgens de conventionele chronologie, en dat
deze inheemse bevolking model stond voor de kabouters. Een
interessant detail hierbij is dat hij aannemelijk weet te maken – op
grond van bewaard gebleven afbeeldingen van mensen van dit volk
(beeldjes en mozaïekwerk) - dat ze altijd een puntmuts blijken te
dragen. Bekend is het beeldje van een laat-Romeinse plattelander (te
zien in het Rheinisches Landesmuseum in Trier). Het oudste
kabouterbeeldje van Rien Poortvliet droeg ook een puntmuts. Meer
fantasie - ik zeg het er maar bij - vergt de volgende interpretatie.
In de kabouterverhalen komen naar aanleiding van de dood van Kyrië
twee opvallende uitspraken voor. In Aalst zeiden de kabouters tegen
een boerenknecht: Zeg als je thuiskomt tegen Adriaan dat Kyrië dood
is, en elders lezen we het verzoek: Arjaan, zeg tegen Christiaan dat
Kyrië dood is. Ligt hier misschien een verborgen boodschap over de
voorkeur van de kabouters voor het arianisme? Dat de inheemse
bevolking in de vroege middeleeuwen heidens was in de zin van
‘onbekend met het christendom’ lijkt een historische dwanggedachte.
Op de ijzerwarenfabriek van Hoogeloon was men niet wereldvreemd.
De ontdekking is niet echt nieuw
Toch heeft de groep wetenschappers rondom Gert Frens (toen
verzameld in het natuurkundig laboratorium van Philips) niets nieuws
ontdekt. Een passage uit een artikel in Brabants Heem van 1969 van
de Leuvense hoogleraar C. Peeters (Volkskunde en archeologie) maakt
dat wel duidelijk. Hij meldt daarin bijvoorbeeld dat de archeoloog
Gerrit Beex onderkende dat kabouterverhalen samen kunnen vallen met
urnenvelden, maar ook dat je via kabouterverhalen niet gemakkelijk
urnenvelden terugvindt. Al veel eerder, bijvoorbeeld in het in 1905
verschenen eerste deel van Turnhout in het Verleden en het Heden
waarin het verhaal van de Kempische kabouters beschreven is. In het
Noordelijke gedeelte der provincie Antwerpen, in eene rustige en
gezonde landstreek, ligt de hoofdplaats der Kempen, de stad
Turnhout, zegt de geschiedschrijver J.E. Jansen. Ten tijde van de
Romeinen waren de Kempen nog vervuld met menigvuldige slechte
bosschen, vuyle en stinkende moerassen, zuere vroenten, zandige en
dorre heyden en meer andere verlaete en woeste plaatsen. De streek
is er dus in een kleine 2000 jaren goed op vooruitgegaan. Plotsklaps
stelt Jansen een vraag die onze aandacht op scherp zet: Heeft de
mensch in dat middelpunt zijn verblijf gehad? Dat is voor de
allereerste tijden twijfelachtig. Jansen citeert enkele historici
die beweren dat voor de komst van de Kelten en de Germanen in de
Kempen al de kaboutermannekes verbleven. Een van die
geschiedkundigen, de leeraar Van der Kinderen, steunt in zijn boek
Recherches sur l'etnologie de la Belgique (1888) op het werk van
Wolff Niederlandische Sagen, dat melding maakt van zulk een volk te
Hersselt in de Kempen, Geldrode, Turnhout, Aarschot, Brugge, Leuven,
Ghyseghem en Geldenaken. De legenden in en rond Turnhout wijzen op
hun bestaan, alsook de benaming van de Alvenberg, zeer gemeen aan
vele zandbergen der Kempen, zooals te Rethy, Moll, Baelen, Casterlee,
Westerloo, waar de zoo genoemde Kaboutermannekens zouden gewoond
hebben. Wie het boekje van Johan Biemans Spokerijen in de Kempen
erbij pakt ziet dat ook de regio van de Brabantse Kempen erbij
betrokken moeten worden, want de door hem (via Norbertus Panken)
opgetekende kabouterverhalen spelen zich af in Hoogeloon (de
Kabouterberg lag daar richting Vessem), Riethoven, Bergeijk,
Westerhoven
(richting het gehucht Keersop waar de Alvenberg en de Norenberg
lagen), Luyksgestel, Leende, Oerle, Meerveldhoven, Aalst en Duizel.
Ook in deze regio hebben de kabouters gewoond, sterker nog: hier lag
het oude kabouterland, volgens Frens.
Er rijzen nu toch wel enkele vragen. Waren de kabouters producten
van de fantasie of waren het misschien wel degelijk kleine en klein
gehouden mensen? Als het louter fantasiefiguren waren dan is het
best begrijpelijk dat deze verbeeldingen gekoppeld werden aan
bijzondere plaatsen in de omgeving. Stel nu eens dat het werkelijk
een bevolking van de Kempen is geweest, zoals Frens stelt. Wat zien
we dan voor ons? Ik persoonlijk zie dan wat gedrongen, bescheiden
maar toch handige en slimme mensen voor me, ze geloofden wel
degelijk maar ze geloofden het ook ergens wel (pientere gelovigen
zou ik willen zeggen, en die arianen waren natuurlijk best
onafhankelijke denkers); ze wisten dat werk van anderen overnemen
(dus echt iets overpakken) het beste in de mens tevoorschijn tovert.
De kabouters waren er, maar dan weten we nog niet wie ze waren?
Waren het Kelten of Germanen, Friezen, Saksen of Bataven? Is dit een
zinloze discussie? Vooral de Menapiërs hebben hier gewoond, denken
de deskundigen, die Jansen citeert. De Menapiërs, de eerste bewoners
der Antwerpse Kempen, waren krijgshaftige lieden; zij hielden het
langst vol tegen Caesars overweldiging, doch hun kloeke moed
vermocht niets tegen de romeinsche overmacht en na een heldhaftig
strijden moesten zij het onderspit delven en werden der romeinschen
heerszucht onderworpen. Maar dit klopt niet met de psychologie van
de kabouter: kabouters bemoeien zich nergens mee en laten anderen
zich te pletter vechten. Van de Romeinen wordt bovendien aangenomen
dat ze onder de autochtone bevolking liever geen terreur uitoefenden
zolang de belastingen maar netjes betaald werden. Dat deden die
kabouters wel - vooral in natura - en voor de militaire dienst waren
ze toch te klein. De Romeinen hebben die kabouters natuurlijk gezien
als een grappig en amusant maar wel handig en slim soort "mensen".
Ik meen me te herinneren dat Tacitus zich in zijn Germania ook zo
uitdrukt. In de loop van het eerste millennium is het toch fout
gegaan met de kabouters. Ze hadden zo hun levensovertuiging, die
kabouters, al vele eeuwen, en ze waren er dik tevreden mee. Wat zie
je ze vaak gul en tevreden lachen op tekeningen. Daar kwam
verandering in. Na de Romeinse tijd kwam het regiem van de Franken
opzetten, gecombineerd en gesteund door een felle bekeringspolitiek.
Je mocht geheel vrij kiezen tussen gedoopt worden of het zwaard. Het
goede oude leven van voorheen, dus van zelf je eigen baas zijn en
zelf de dienst(en) uitmaken, dat was voorbij. Het Frankische
imperialisme, gesteund door de godsdienst en van daaruit gesteund
door de klokken en bellen van de kapellen die gesticht werden,
ontheemde de oorspronkelijke bevolking. De kerkklokken werkten
disciplinerend. Toen de Franken kwamen zijn de kabouters vertrokken.
In stilte, zonder klokgelui. Waarschijnlijk verdwenen ze in de nevel
van de tijd toen kabouter Kyrië stierf. Dat gebeurde in de nabijheid
van Riethoven, zoals de overlevering zegt. Maar ze verdwenen niet
uit het geheugen van de vertellende generaties.
De verspreidingskwestie
Volgens Ton van Reen is De Peelrand het epicentrum van de
kabouters. Kabouters waren volgens hem verstoten kinderen: mongolen,
zwakzinnigen, lichamelijk gehandicapten, duivelskinderen.
sociaal-democratisch denken van de bovenste plank. Hoe sympathiek
deze visie ook is, ze is niet alleen psychologisch onjuist maar ook
de lokalisering is er echt een van een turfsteker die zich op de
been houdt met jenever. Blijft over dat het verhaal van Ton wel
uitermate boeiend is, ondanks het feit dat het in historisch opzicht
genegeerd moet worden. Rien Poortvliet meent dat kabouters van
vroeg-Scandinavische oorsprong zijn en dat ze na de Grote
Volksverhuizingen in de Lage Landen opdoken, een vroeg soort
Vikingen dus of voor wie het vaag wil houden: Danen. Onmogelijk is
deze visie niet. De Scandinaviërs arriveren in de Kempen, vestigen
zich daar, zien met kennersoog waar je het beste kunt gaan zitten,
en komen natuurlijk terecht op de plaats van of nabij Romeinse
nederzettingen. Dan ontstaan de verhalen over vroeger (maar
wanneer?) en ze worden via mondelinge overlevering doorverteld tot
nu toe. Logisch dat Frens ze vele eeuwen later dan op de juiste
plekken kan intekenen. Ons conventioneel historisch beeld biedt een
andere visie, en die vinden we bij Frens. Hij meldt in zijn boek
aanvankelijk dat echte kabouters typisch Nederlands zijn, maar
poneert een stuk verderop in zijn boek dat de gelokaliseerde
kabouterverhalen te vinden zijn in de Brabantse Kempen, de
Achterhoek, Vlaanderen en Westfalen, zeg maar een strook aan de
noordgrens van her Romeinse rijk vanaf Noordwest-Frankrijk en
Zuid-België, Brabant en Limburg en Westfalen. Toch blijft overeind
dat het oorspronkelijke kabouterland in Brabant lag en dat de
kabouters door het Frankische machtsvertoon vertrokken zijn,
oostwaarts maar zeker ook noordwaarts. Het merkwaardige is nu dat
het onderzoek van sagen, zoals naar de Thidrek-sage, deze beweging
steeds meer bepleit wordt. De gebeurtenis lokaliseert men in onze
regio (Lage Landen, Duitsland, Frankrijk), veel vertelstof wordt -
naar men beweert - onder Lodewijk de Vrome vernietigd en/of door
Vikingen meegenomen, en deze verhalen komen na het jaar 1000 terug
als Scandinavische vertellingen. Wat een schitterend thema! Zou het
zo gegaan kunnen zijn?
De disciplinering via de klok
In het boek Knielen op een bed violen van Jan Siebelink staat op
bladzijde 146: In het dorp begonnen de klokken te luiden van de
hervormde, de gereformeerde, de katholieke kerk. Hij ademde diep,
luisterde naar het klokgelui, grillig op de lauwe ochtendwind, dat
langzaam wegstierf. Precies honderd bladzijden verder staat er heel
wat anders over de kerkklokken: Steffen ging nu te keer tegen het
instituut Kerk. De Kerk was het kwaad in de wereld. De Kerk was
verstandswerk. De akker was vervloekt. Ze moest gesloopt worden. De
klokken dienden uit de torens verwijderd. De reactie van de
ouderling Steffen is na meer dan twaalf eeuwen nog een gevecht tegen
de Frankische overheersing. Beter laat dan nooit, kennelijk.
Bellen en klokken als muziekinstrumenten of als informatiemiddelen
(bijvoorbeeld bij gevaar en onheil) waren er in de oude culturen van
China, het Midden-Oosten, de Kelten en de Romeinen. De betekenis van
klokken en bellen op muzikaal terrein blijkt onder meer uit de
ontwikkeling van klokkenspellen en carillons, ook vandaag de dag nog
steeds een dynamische ontwikkeling. Maar de luidklok is van jongere
datum en waarschijnlijk een product van het westerse christendom.
Kerkklokken berichtten oorspronkelijk over liturgische activiteiten
die tegelijk ook tijdmeldingen waren. Geleidelijk aan kregen
kerkklokken ook een meer profane functie: ze kondigden onheil aan en
probeerden het kwaad te weren. In een later stadium kregen
luidklokken meer specifieke informatiefuncties: de tiendklok gaf aan
wanneer de belastingen overgedragen moesten worden, de banklok
wanneer een vonnis uitgesproken of voltrokken werd, de poortklok gaf
aan wanneer de stadspoorten open en dicht gingen. Het aangeven van
de tijd werd sterk verbeterd toen het uurwerk uitgevonden werd en zo
ver ontwikkeld was dat het in torens ingebouwd kon worden. Het
"slaan" van het juiste uur (1 tot en met 12 slagen) werd in de
middeleeuwen een tijdlang ervaren als een verder "wereldlijk"
gebruik van "kerkelijke" klokken. Met het nauwkeurig en voor ieder
hoorbaar aangeven van tijd en uur werd het mogelijk om de bevolking
nog meer aan te passen (te socialiseren) aan arbeidsprocessen. De
kerk werkte daar meestal niet zo makkelijk aan mee. Ze verzette zich
tegen "handel in tijd", tegen het economiseren van de tijd. "Tijd is
God" in plaats van "tijd is geld". De installatie van werkklokken
riep tot in de veertiende eeuw ook bij de bevolking veel verzet op.
Vooral ook bij de vrouwen die moesten werken in de bedrijven: ze
hadden immers thuis al genoeg te doen en daar was het ook best
gezellig. De mensen verkochten met hun werkkracht niet graag hun
vrijheid. Over dit onderwerp heeft de beroemde Franse historicus
Jacques Le Goff buitengewoon interessante dingen opgemerkt. Voor de
"gedigitaliseerde" 2000-mens ingrijpende denkstof. Maar hier kunnen
we er niet verder op ingaan.
Toch weer de chronologie
André Lehr bespreekt in zijn prachtige boek Beiaardkunst in de
lage landen de christelijke symboliek van de luidklok. Hij vertelt
onder meer hoe het ritueel van het wijden van kerkklokken ingang
vond en dat met name Karel de Grote verbood om klokken te dopen met
de bedoeling hagel en bliksem te verdrijven. Het is niet duidelijk
of Karel nu het dopen verbood (mensen worden gedoopt en klokken
gewijd) of dat hij de functie van "weerklok" bestreed. Uit het boek
van Lehr blijkt dat een controleerbare geschiedenis van de luidklok
eigenlijk pas in de dertiende eeuw begint. Er is echter een
zware historische traditie om op grond van weinig documenten
(meestal ook nog van twijfelachtige aard) ontzagwekkend veel aan
Karel de Grote toe te schrijven. Wat is er bijvoorbeeld waar van de
beroemde Karel-biografie van Einhard, enige jaren geleden opnieuw
vertaald door Patrick De Rynck, een biografie die sterk doet denken
aan de Augustus-biografie van Suetonius. Wie naar archeologische
bewijzen of aanwijzingen vraagt, komt bedrogen uit. Van door Karel
gebouwde paleizen is nog nooit iets teruggevonden. Hij zou
universiteiten gesticht hebben, maar de oudste universiteit van
Europa is die van Bologna en die werd in 1119 gesticht. Geschriften,
uitvindingen en kunstwerken die Karolingisch genoemd worden moet men
bij nauwkeurig onderzoek vaak een stuk later dateren. Vrijwel alles
wat u bijvoorbeeld in Aken ziet in verband met Karel de Grote
dateert van na het jaar 1000. En de grote vraag is natuurlijk of een
bepaalde periode achteraf "gekarolingiseerd" kan zijn, door de
keizers van het Heilige Roomse Rijk in samenwerking met de
Oost-Romeinse machthebbers, daarin bijgestaan door de
schriftgeleerden en historici van die dagen, de monniken van de
kloosters.
In zijn boek over de kabouters toont Gert Frens zich een nogal
kritiekloos aanhanger van de conventionele geschiedschrijving met
betrekking tot de vroege middeleeuwen en vooral wat betreft de
periode van Willibrord tot en met Karel de Grote. Hij blijkt
originele bronnen ‘geraadpleegd’ te hebben, maar deze raadpleging
heeft een erg hoog Wikipedia-gehalte. Frens noemt onder meer de Lex
Salica (de wetgeving van de Salische Franken die in de zesde eeuw
tot stand zou zijn gekomen), de Capitulare de Villis vel curtis
imperialibus en de Capitulatio de partibus Saxoniae (vaak gedateerd
eind achtste eeuw, een heel wat strengere wetgeving - voor de Saksen
- dan de Lex Salica), en daarnaast meer secundair het Utrechts
Psalterium (voorheen Reims, daarna Canterbury en nu Utrecht, vaak
gedateerd midden negende eeuw), de Civitate Dei, het Roelantslied en
Karel ende Elegast. Kern van de zaak is dat de datering van het
historische gebeuren vaak gelijkgesteld wordt met de tijd dat de
gebeurtenis opgetekend werd, ook al gaat het om geschriften of
(veronderstelde) kopieën van eeuwen later. In dit opzicht hangt er
een permanente smog boven het onderzoeksgebied: de datering van de
oudste bron(nen) komt niet aan de orde. Door op deze manier met
bronnen om te gaan versterkt men de idee van de conventionele
chronologie. Twijfel kan eigenlijk niet ontstaan. Als men een bron
kan dateren op een ouderdom van bijvoorbeeld 1200 jaar, dan zegt men
conventioneel dat ze rond 800 vervaardigd is, maar de bewering in
een andere opvatting van de jarentelling dat ze bijvoorbeeld uit 500
dateert, is van gelijke logische orde. Frens komt dus niet op de
gedachte om zijn probleem in verband met de continuïteit van de
kabouterverhalen in verband te brengen met de mogelijkheid dat er
een vraagteken geplaatst mag worden bij de traditionele chronologie.
Zijn feitelijke kaboutertijd omvat nu ongeveer 700 jaren (100 - 800
n.Chr). Kabouterverhalen zijn pas ontstaan na het verdwijnen van de
kabouters, dus in zijn visie laten we zeggen in de tiende eeuw
(conventioneel). Toch moeten de vertellers van toen geweten hebben
waar de Gallo-Romeinse urnenvelden te vinden waren, na laten we
zeggen zeven eeuwen. Zou de visie van Frens niet aannemelijker
kunnen worden als we de hypothese accepteren dat er in het eerste
millennium enige eeuwen achteraf berekend en ingevuld zijn? Volgens
de theorie van Heribert Illig zouden dan drie eeuwen minder (in onze
gedachten) overbrugd moeten worden. De tijd na de instorting van het
West-Romeinse rijk tot en met de tijd dat de kabouters verdwenen, is
dan veel korter en ziet er voor ons waarschijnlijker uit. De
kaboutertijd van Frens duurt dan een jaar of vierhonderd. Er is
gewoon continuïteit. Allerlei gebeurtenissen van de zogenaamde
(voor-)Karolingische tijd (grofweg 600 - 900 volgens de
conventionele telling) zijn te vinden in de periode van 300 tot 600.
Geschriften en archeologische vondsten zijn van voor 600 of van na
900. Het perspectief van de historische betekenis van de
kaboutertijd wordt nog interessanter als er het
chronologie-onderzoek bij betrokken wordt.
Literatuur
M. Deicke e.a., Smog in Mittelalter, Archäologie in
Deutschland juli-augustus 2007
Gert Frens, De dood van Koning Kyrië. Kabouters hebben echt bestaan,
Eersel 2007
J. Jansen, Turnhout in het verleden en het heden, 1e deel, Turnhout
1905
K. van Kemenade, Geheimzinnige Kempen. Je kunt de kabouters maar
beter te vriend houden, Trompetter Kempen 170801
K. van Kemenade, Kabouters hebben echt bestaan, Trompetter Kempen
290601
S. Leeckx, Beschrijving der Provincie Antwerpen, Antwerpen 1852
Ton Lemaire, Godenspijs of duivelsbrood. Paddestoelen in het
algemeen….En de vliegenzwam in het bijzonder, Brabants Landschap
herfst 2004, p. 18- 43
Elly van Loon – Van de Moosdijk, Goet ende wael gheraect.
Versieringsmotieven op luid- en speelklokken uit de Middeleeuwen en
Renaissance in het hertogdom Brabant (1300-1559), Nijmegen 2004 (met
CD Klokslag)
Doris Muliar, Ik geef je een Tuinkabouter, Warnsveld 1995
P.N. Panken, Spokerijen in de Kempen, Zaltbommel 1977 (bewerking
Johan Biemans)
C. Peeters, Volkskunde en archeologie, Brabants Heem, Oisterwijk
1969
G. van Udenhout, Kabouters in de Kempen, Trompetter Kempen 160299
Rien Poortvliet, Leven en werken van de kabouter, Bussum z.j.
Ton van Reen, Klein volk, leven en werken van de kabouter, Breda (De
Geus; ISBN 90 445 0222 0))
J. Slofstra en J. Bazelmans, De inheems-Romeinse nederzetting op de
Kerkakkers bij Hoogeloon, Het Kempenprojekt 2, Waalre 1985
(Opmerking: veel materiaal is opgeslagen in de depots van de Vrije
Universiteit van Amsterdam)
J. Timmers, Spiegel van Twintig Eeuwen, Amsterdam-Brussel 1963
J. de Wit, Romeinse muurschilderingen uit Hoogeloon. Het
Kempenprojekt 2, Waalre 1985
WNT, deel KA, Kaboutermannetje, p. 823-827.
Heinzelmännchen in Holland –
ein verschwundenes Volk ?
von Reinhard Schmoeckel Bonn
Der Informationsaustausch mit unserem niederländischen Partnerverein,
dem STUDIEKRING EERSTE MILLENNIUM (SEM), ist immer ein Vergnügen.
Die vierteljährliche Mitteilungsschrift „SEMafoor“, die ich
regelmäßig erhalte, wird von mir stets sorgfältig durchgesehen.
Glücklicherweise ist die holländische Sprache unserem Hochdeutsch
noch recht ähnlich, so dass ich nur selten ein Wörterbuch zu Rate
ziehen muss. Dabei beeindruckt mich, wie auch im Kreis unserer
holländischen Forscherkollegen gerne und ziemlich hart um die
richtige Auslegung bestimmter Dinge gestritten wird – offenbar nicht
viel anders als bei uns. Das zeigt, dass es auch dort nicht um die
Propagierung bestimmten Ideologien oder um die „Verbreitung
abstruser Ideen blutiger Laien“ geht, sondern um die ernsthafte
Diskussion zwischen Wissenschaftlern oder wissenschaftlich
interessierten „Normalbürgern“.
In der Nummer 3 des Jahrgangs 2007 des „SEMafoor“ fiel mir besonders
ein Aufsatz des Vorsitzenden des SEM, Ad Maas, auf. „Kabouters in
het eerste millennium“. „Kabouters“ – das Lexikon übersetzt das mit
„Heinzelmännchen“ oder „Zwerge“. Diese seltsamen Wesen sind also
auch bei unseren Nachbarn bekannt, dachte ich, und beim näheren
Studium des Aufsatzes stellte ich interessante Übereinstimmungen mit
den ja auch in Deutschland verbreiteten Erzählungen über Zwerge oder
Heinzelmännchen fest. Verblüffend war allerdings, wie Ad Maas recht
konkret auf eine Bevölkerungsgruppe im ersten nachchristlichen
Jahrtausend schloss.
Doch zunächst einmal einige Fakten, die Ad Maas aus einer für mich
überraschenden Fülle zum Teil noch sehr neuer Bücher anderer
niederländischer Forscher über „Kabouters“ zusammengetragen hat, und
die ich hier kurz zusammenfasse. Einige der von ihm herangezogenen
Werke sind Sammlungen von Volkserzählungen über diese „Wichtel“ -
ein bezeichnender Titel davon ist: „Kabouters hat es tatsächlich
gegeben“ -, andere sind Berichte über archäologische Untersuchungen.
Die von ihm zitierten holländischen Autoren nenne ich hier nicht mit
den üblichen bibliographischen Angaben, da sie bei uns in
Deutschland doch schwer beschafft oder nachgeprüft werden können.
* „Kabouters“ (bleiben wir einfach bei dem holländischen Wort) sind
nach Meinung eines der zitierten Autoren „früh-skandinavischen
Ursprungs, sie seien bald nach der (germanischen) Völkerwanderung in
den Niederen Landen aufgetaucht, wahrscheinlich im Zusammenhang mit
dem Einfall von Angeln, Sachsen und Jüten nach England.
* In der Zeit des Zusammenbruchs der römischen Herrschaft an der
Nordsee hätten sich – immer noch nach dem gleichen zitierten Autoren
– diese Kabouters verbreitet und in den Niederen Landen „eingebürgert“.
* Einige weitere Angaben über die Kabouters: Sie seien verschwunden,
als die Franken kamen; sie seien allesamt fortgezogen nach dem Tod
ihres „Königs Kyrië“; sie sollen eine Abneigung gegen Glocken und
Klingeln gehabt haben; sie seien hilfsbereit gegenüber den Menschen
in ihrer Umgebung gewesen, aber sie hätten sich nicht als Sklaven
behandeln lassen, sie hätten gerne Milch getrunken, aber auch von
einer Sorte Gerstenbier ist in den Volkserzählungen die Rede; und
sie hätten Zipfelmützen getragen.
* Einer der von Ad Maas zitierten Volkskundler behauptet, „Kabouter-Erzählungen“
seien verbreitet entlang der Nordgrenze des einstigen römischen
Reiches, von Flandern über das holländische Kempenland, Limburg und
Westfalen; aber das Zentrum sei Brabant (südl. Niederlande, nordöstl.
Belgien) gewesen.
* Nach anderen von Ad Maas zitierten Quellen, und zwar
archäologischen Untersuchungen, tauchen „Kabouter-Erzählungen“ vor
allem dort auf, wo man Urnenfriedhöfe aus gallorömischer Zeit
gefunden hat. Zwischen den Orten solcher gallorömischer
Urnenfriedhöfe und späteren Ansiedlungen in der Merowingerzeit habe
es keine Kontinuität gegeben, sondern einen Bruch mit äußerst
geringer oder gar keiner Besiedlung dieser Gegenden.
* Ganz gehäuft findet man Volksüberlieferungen über Kabouter im
sogenannten Kempenland, einer Region in den südlichen Niederlanden (Nord-Brabant,
südwestlich von Eindhoven, an der Grenze zu Belgien), wo in einem
kleinen Areal von etwa 20 mal 15 Kilometer zahlreiche Orte sehr
konkrete „Kabouter-Erinnerungen“ aufweisen.
* In Hoogeloon, einem dieser Orte im Kempenland, wurde eine römische
Villa aus dem 2. Jh. n. Ch. ausgegraben, die auf einem riesigen
Fundament von Eisenerzschlacke stand. Dort müsse eine umfangreiche
Eisenerzproduktion über lange Zeit betrieben worden sein. In einer
Schmiedewerkstatt seien zahlreiche Hämmer, Zangen, Messer, Beile und
andere eiserne Haushaltsgeräte gefunden worden. Nach Meinung der
bearbeitenden Archäologen müsse diese Produktion mehrere
Jahrhunderte bestanden haben.
Nicht ganz klar ist mir, ob die weiteren Schlussfolgerungen, die ich
gleich näher behandeln möchte, allein von Ad Maas stammen oder
bereits von den in seiner Arbeit zitierten anderen niederländischen
Forschern.
Doch vorweg kann ich eine von Ad Maas gestellte Frage klar
beantworten, der zweifelnd gemeint hatte, die mündlichen
Überlieferungen über die Kabouters seien vielleicht in Form
skandinavischer Erzählungen wieder zurückgekommen, nachdem unter
Ludwig dem Frommen und durch die Wikinger viel von dem
entsprechenden Wissen verloren gegangen sei. Maas meinte wohl die
Thidrekssaga, deren Inhalte ihm durch unsere Jahrestagung von 2006
in Arnheim näher gebracht worden sind.
Doch hier ist eine klare Auskunft möglich: meines Wissens enthält
die Thidrekssaga keinerlei Andeutung von einem „Kabouter-Volk“ in
den Niederen Landen. Wenn die Kabouters tatsächlich vor allem (oder
ausschließlich ?) aus einem kleinen Teil des Kempenlandes
überliefert sind, dann lebten in der von Forschern des
Thidrekssaga-Forums untersuchten Zeit, der späten Römerzeit und dem
frühen Mittelalter, gerade dort k e i n e Volksgruppen germanischer
Abstammung, weder nach Zusammenstellungen archäologischer Funde
durch Wilhelm Bleicher noch nach der Ausdeutung der Thidrekssaga und
von Ortsnamen durch mich (siehe den Band 3 „Forschungen zur
Thidrekssaga – Die Wilkinensage“). Wenn man also davon ausgeht, dass
die Urbilder der „Kabouter-Sagen“ Menschen aus Fleisch und Blut
waren – und diese Überzeugung teile ich ausdrücklich – dann scheint
festzustehen, dass es weder „Römer“ noch „Germanen“ waren, und sehr
wahrscheinlich auch keine „Kelten“. Wer oder was waren sie aber dann
?
Genau diese Frage stellt auch Ad Maas. Vielleicht kann der folgende
Teil meines Aufsatzes ein wenig helfen, etwas mehr Licht in das
Dunkel im Wissen über jene Zeit „zwischen Römern und Franken“ zu
bringen, das auch in unserem Nachbarland herrscht.
In unserem BERNER wurde bereits vor einigen Jahren ein Aufsatz eines
Forschers veröffentlicht, der „Veneter“ als eine eigene frühe
Bevölkerungsgruppe in einem Teil des westfälischen Sauerlandes
identifiziert hatte (Gerd Meier, Eine Besiedlungsinsel der Véneter
zwischen Bigge und Lenne imn Hochsauerland ?, DER BERNER 11, 2003,
S. 41 – 46). Der Autor beschreibt die Veneter als eine
früh-indoeuropäische Bevölkerungsgruppe (in der Bronzezeit ?), die
zwar nicht flächendeckend riesige Regionen unterworfen hat, aber in
den verschiedensten Gegenden Europas ihre Spuren hinterlassen hat,
vom Dnjepr bis Venedig, von der Ostsee bis in die spätere Bretagne.
Eine ihrer noch zu „germanischen“ Zeiten nachweisbare
Besiedlungsinseln lag, wie Meier darlegte, eben im Hochsauerland.
Das Bemerkenswerte daran ist, dass diese Veneter sich auf den Abbau
und die Verarbeitung des dort reichlich vorhandenen E i s e n e r z
e s spezialisiert hatten.
Eine ernstzunehmende wissenschaftliche Untersuchung des
Zusammenhanges von „Zwergen“ mit den frühen technischen Fertigkeiten
des Erzabbaus und der Eisengewinnung und –verarbeitung in der
sogenannten Vorgeschichte steht meines Wissens noch aus. Doch nicht
nur in den Niederlanden, sondern erst recht in Deutschland sind die
Sagen oder Volkserzählungen über „Zwerge“ als Bergleute und Schmiede
so zahlreich, dass sie gewiss nicht alle das Erzeugnis purer
Phantasie gewesen sein können. Ob nun die Veneter allein diese „Zwerge“
waren, oder ob es neben ihnen noch andere kleinwüchsige
Menschengruppen in der Kupfer-, Bronze- und Eisenzeit gab, die sich
damals den für ihre Zeitgenossen „zauberhaften“ Künsten des
Erzabbaus und der Eisenerzeugung und -verarbeitung widmeten, muss
hier offen bleiben. Fest steht, dass der frühe B e r g b a u wohl
tatsächlich vielfach von sehr klein gewachsenen Menschen betrieben
worden ist; man kennt in der Bergbau-Geschichte sogenannte „Venetier-Stollen“
von nur etwa 70 oder 80 Zentimeter Höhe. (In einem Bildband über
deutsche Bergbaugeschichte wird ein solcher Stollen zwar auf dem
Titelbild gezeigt, aber im Text nicht mit einem Wort dessen
Bedeutung behandelt !)
Nehmen wir einmal an, eine Gruppe bergbaukundiger Veneter sei in die
Region des damals offenbar viel Eisenerz enthaltenden Kempenlandes
in den heutigen Niederlanden eingewandert und habe dort lange ihr
für die Wirtschaft so wichtiges Handwerk betrieben. Das kann
bestimmt nicht erst zur Zeit der (germanischen) Völkerwanderung (um
400 n. Chr.) begonnen haben, wie ein niederländischer Volkskundler
vermutet hatte. Sondern möglicherweise lag die Zeit ihrer
Niederlassung dort schon viele Jahrhunderte davor. Während der
Römerherrschaft war diese Arbeit den Verwaltern des Reichs sehr
willkommen, die Bergleute und Schmiede konnten unbehelligt ihre
Tätigkeit ausüben, solange sie nur ihre Steuern bezahlten. Und
nebenbei werden die Betreiber dieser „fabricae“ auch sehr gut
verdient haben. Der jeweilige Chef dieses sehr wahrscheinlich
genossenschaftlich organisierten „Industriekomplexes“ war der „Herr“:
Auf Griechisch hieß das „Kyrios“ (oder im späteren Niederländisch
„Kyrie“). Ad Maas hat das in seiner Ausdeutung der von ihm
herangezogenen Forschungen sehr überzeugend erklärt. Das passt mit
den Volkserzählungen vom „König Kyrie“ bei den Kabouters zusammen.
Aber auch für das mögliche Ende der „Kabouter-Zeit“ in den
Niederlanden hat Ad Maas (oder die von ihm zitierten Autoren) eine
sehr überzeugende Erklärung gefunden. Als nach dem Ende der
Römerherrschaft an der Nordsee die Frankenkönige in den Niederen
Landen ihre Herrschaft errichteten – nach meiner persönlichen
Überzeugung lagen mindestens 250 Jahre dazwischen ! - bedeutete das
nicht nur die Unterwerfung unter die Herrschaft eines fränkischen
Königs, sondern auch die Anerkennung des Christengottes. „Christianisierung
und fränkischer Imperialismus waren zwei Seiten derselben Medaille“,
schreibt Ad Maas völlig richtig. Und die Menschen dort wurden „durch
die Glocken der Kirchen diszipliniert“, schreibt Ad Maas weiter, zu
bestimmten Tagen in die Kirche gerufen, zu bestimmten Stunden zum
Gebet angehalten usw. Die strikte Einteilung des Tages durch die
Kirchenglocken bläute den Menschen ein: „Zeit ist Gott“ (später
wurde daraus der Slogan „Zeit ist Geld“).
Das war etwas, was von den fleißigen, aber freiheitsbewussten
Bergleuten und Schmieden im Kempenland nicht akzeptiert wurde; man
denke an die in den „Kabouter-Erzählungen“ immer wieder
angesprochene Abneigung dieser Menschen gegen „Glocken und Klingeln“.
Ad Mass hält es sogar für möglich, dass sie arianische Christen
waren, nach gewissen mehrfach vorkommenden Ausdrücken in den „Kabouter-Erzählungen“.
Irgendwann zu Beginn der fränkischen Herrschaft, also wohl im frühen
8. Jahrhundert n. Chr., kam – wenn man die Volkserzählungen über „König
Kyrie“ ernst nimmt – der letzte der „Herren“ des kempenländischen „Industriekomplexes“,
der letzte „König Kyrie“, durch einen Jagdunfall um oder er wurde
umgebracht. Das veranlasste die kundigen Bergleute und Schmiede und
ihre Familien zur geschlossenen Auswanderung. Viele tausend Menschen
werden es nicht gewesen sein, eher wenige hundert. Wohin die zogen –
ja, das weiß kein Mensch zu sagen. Ein paar Bewohner müssen im
Kempenland geblieben sein, sonst hätte es keine Überlieferung der
Volkserzählungen bis heute gegeben. Es gab neben den Venetern sicher
auch ehemalige „Römer“ dort, die übliche Mischung von Menschen aus
allen möglichen Gebieten des einstigen Reiches.
So könnte es gewesen sein. B e w e i s e dafür in Form geschriebener
Urkunden gibt es natürlich nicht. Aber man sollte die so
vielfältigen Zeugnisse einer lebendigen Volksüberlieferung ernster
nehmen als man das bisher getan hat. Vielleicht ist es auch bei uns
in Deutschland an der Zeit, diesem kleinen, aber vielleicht gar
nicht so unwichtigen Teil unserer Vergangenheit mehr Aufmerksamkeit
zu schenken.
Der „Klabautermann“, den wir im Deutschen kennen, scheint ein „Ableger“
der holländischen „Kabouters“ zu sein, ein auf Segelschiffe
gewanderter freundlicher Geist, der aber manchmal auch Ärger stiften
kann. Ein sprachlicher Zusammenhang wird da wohl bestehen, wenn ich
ihn auch nicht näher begründen kann. Aber der eindeutig in den
Bereich der Mythen und Spukgeschichten gehörende „Klabautermann“
dürfte erst aufgekommen sein, als die Menschen von der Existenz
echter menschlicher „Kabouters“ in ihrem Land keine direkte
Erinnerung mehr hatten.
Kabouters en de Staalindustrie in het
Roergebied
A.C. Maas te Leende
Gert Frens heeft zijn zoektocht naar de kabouters na vele lezingen
beschreven in een boek¹ dat midden 2007 op de markt is gekomen. Ik
kocht het meteen en las het dezelfde avond en nacht. Het thema van
zijn boek spreekt mij namelijk al meer dan 60 jaar aan. Toen ik een
stevige kleuter was, groef ik vlak langs een fietspad op het
Moleneind in Prinsenbeek (toen nog Beek) een kuil zo diep dat mijn
vader die op verzoek van de veldwachter ’s avonds laat dicht gooide.
Een oom van mij had me verteld dat de kabouters absoluut bestonden
maar wel diep in de grond. Hier keek hij bedenkelijk bij. Ik zag
daar echter geen probleem in. Je spit gewoon door tot je er bent.
Wat zat ik toch dicht bij de waarheid, zoals verderop in dit verslag
zal blijken.
Over het boek van Frens schreef ik een paar maanden geleden een wat
uitdagend artikel in het tijdschrift SEMafoor, dat gericht is op de
geschiedenis van het eerste millennium, en een populaire
samenvatting daarvan in Trompetter Kempenland. In deze artikelen
meldde ik de bevindingen van Gert Frens met betrekking tot de
Gallo-Romeinse nederzetting van Hoogeloon en de nabij gelegen
Kabouterberg. Op de Kerkakkers in Hoogeloon heeft een villa gestaan,
een indrukwekkende residentie, zonder enige twijfel een
machtscentrum, een enorm groot bouwwerk dat meer dan 50 meter lang
was en 19 meter breed was, gebouwd in drie fasen in de tweede eeuw
n.Chr. Onderzoek van de fundamenten van de villa leverde op dat deze
grotendeels bestonden uit slak, dat wil zeggen een afvalproduct uit
de ijzerindustrie. Archeoloog J. Slofstra en zijn medewerkers vonden
daar een ook grote verharde smidsvloer terug en onder meer op grond
van dit feit moet geconcludeerd worden dat in de fabriek van
Hoogeloon eindproducten vervaardigd werden: messen, bijlen, hamers,
tangen, spijkers, wapens, bouwmaterialen en huishoudelijke
voorwerpen. De hypothese luidde: kabouters hebben echt bestaan, ze
vormden een inheemse bevolking en ze waren ondernemers en experts in
de ijzerindustrie. En ze droegen inderdaad puntmutsen.
Reinhard Schmoeckel
Interessant, dat was het dan, volgend onderwerp, dacht ik maar
zo ging het niet. SEMafoor was nog maar net uit toen er een reactie
kwam van de Duitse historicus Reinhard Schmoeckel (Bonn):
Heinzelmänchen in Holland – ein verschwundenes Volk? Schmoeckel is
de auteur van klassiekers als Die Indoeuropäer. Aufbruch aus der
Vorgeschichte (2004 derde druk) en Bevor es Deutschland gab.
Expedition in unsere Frühgeschichte – von den Römern bis zu den
Sachsenkaisern (2002) en vooral ook auteur van enkele boeken die
dringend in de Lage Landen bestudeerd moeten worden omdat ze nieuwe
inzichten bieden. Ik noem met voorrang: Die Merowinger vor ihrem
Reich. Die sarmatischen und sigambrischen Würzeln der Dynastie
(2006). Schmoeckel vatte mijn artikel niet alleen knap samen maar
kwam ook met aanvullingen voor de dag. Kabouters waren inderdaad
mensen van vlees en bloed maar ze waren noch Romeinen noch Germanen
en waarschijnlijk ook geen Kelten (?). Kabouters vormmden een aparte
vroeg-Indo-Europese bevolkingsgroep – Veneter – genaamd, die vooral
ook in Sauerland gevestigd was en op tal van andere plaatsen sporen
nagelaten heeft. Wat voor sporen? Overal blijkt dat deze bevolking
zich gespecialiseerd had in het delven en bewerken van ijzererts.
Verhalen over dwergen zijn juist in omloop op plaatsen waar metaal
gewonnen en bewerkt werd. Kabouters waren allereerst mijnwerkers die
in de lage gangen, beschermd door mutsen met stro erin, metalen
wonnen, maar ook deskundigen die wisten hoe je metalen moest
scheiden en diverse soorten metalen moest bewerken. De Veneter waren
dus dwergen met bijzondere deskundigheden. Wie deze deskundigheden
bezat werd door de machthebbers uiteraard met ‘respekt’ behandeld.
Kabouters verrichtten wel slavenarbeid maar werden rijkelijk betaald
(zie verderop). Hun opdrachtgevers, bestuurders en managers (Kyrios)
keken wel uit om de kabouters voor het hoofd te stoten.
Mijnbouw in Sauerland
Toen ik dit las, vielen er plotseling enkele herinneringen op
een bepaalde plaats. Tijdens vakanties of studiereizen bezoeken mijn
vrouw en ik altijd ook dingen op ‘waar toch niemand naar toe gaat’,
dus situaties die op het eerste gezicht niets voor stellen. Dit
heeft al een flink aantal grote verrassingen opgeleverd. Enkele
jaren geleden zagen we op doorreis naar Kassel in de buurt van
Olsberg een bord staan dat een Mijnbouw-museum vermeldde. Er volgde
een fascinerend bezoek. Niet alleen een schitterend museum over vele
eeuwen ijzererst-mijnbouw in Sauerland (met veel beelden van de
Nazi-periode) maar ook een tocht met een treintje 1,5 kilometer de
bergen in en daarna een wandeling van een uur door de laatste
delvingsplaatsen. De mijnbouw is pas enkele tientallen jaren geleden
beëindigd. Vorig jaar, deze keer op weg naar de grote
Cannossa-tentoonstelling in Paderborn, besloten we Balve aan te
doen. Ik had ergens gelezen dat daar een museum was in verband met
de Neanderthaler die daar gewonden is (niet ver van Dortmund). Het
museum bleek niet in Balve zelf te liggen maar in het heuvelachtige
buitengebied. Na een mooie wandeling kwamen we bij een prachtig
gerestaureerde ijzererstfabriek, een smelterij die volledig orgineel
in takt was, dus nog kon werken. Je kon precies zien hoe steen en
erts binnengereden werd, hoe het stoken verliep, en hoe gesmolten
metalen gescheiden en bewerkbaar gemaakt werden. Zo interessant, dat
we het laatste kwartier nog gauw in een ander gebouw naar de
Neanderthaler moesten gaan kijken. Sauerland was eeuwenlang een
belangrijk mijnbouwgebied, en daar moesten die kabouters of Nerveter
wel mee in verband staan.
Onderaardste werklieden
Half oktober jongstleden nam ik deel aan een congres van het
Thidrek-Saga-Forum, deze keer in Grevenbroich. Deze groep is vooral
bezig met het achterhalen van de historische werkelijkheid achter
het Nibelungenlied en de Diederik-sage, en heeft daarover tot nu toe
vier boeken gepubliceerd. De hypothese is dat de tocht van de
Nibelungen niet plaats vond in het gebied van Worms, maar in de
regio de Eifel en Sauerland (Jülich, Keulen en Soest). Op een van de
boekentafels zag ik een boek Sagenhafte Irrtümer (2006) van Harry
Böseke, een bekend schrijver, stichter van enkele musea en ook
initiatiefnemer van bijvoorbeeld een museumroute Strasse der Arbeit.
In dat boek niet alleen een uitgebreide beschouwing over de tocht
van de Nibelungen maar ook een hoofdstuk over Die Heinzelmenschen.
Geschichte von ganz unten, over de kabouters dus. Hij bespreekt de
Keulse kabouterverhalen en -gedichten en licht toe dat dwergen en
kabouters in de Romeinse tijd en later in dienst waren van de rijke
Keulse patriciërsfamilies en vooral het onderaardse werk verrichten
(waterleidingen, riolering, verwarmingskanalen) en dat deze
activiteiten overeenkomst vertonen met de erts-bergbouw in een groot
gebied in midden-Duitsland. De kabouters brachten de schat van de
bergen voort (zilver, koper, zink, mangaan, lood, ijzer). De
zilverproduktie leverde geld op waarmee onder meer de bouw van de
dom van Keulen betaald werd. Frederik Barbarossa zou in 1167 een
zeer rijke zilvermijn geschonken hebben aan de bisschop van Keulen.
Böseke voegt enkele bijzonderheden toe aan de theorie van de
kabouters met hun ijzerindustrie. De expertise van de kabouters moet
zover gegaan zijn dat ze ontdekt hebben dat je met behulp van
mangaan van ijzer staal kunt maken. Wie staal kon maken speelde een
hoofdrol in de toenmalige machtsverhoudingen. Economie was immers
altijd al afhankelijk van kennis van vitale zaken. Böseke oppert ook
dat staal de ware schat van de Nibelungen was, maar dan duikt
natuurlijk de vraag op: wie waren de Nibelungen? De Duitse
staalindustrie is kennelijk niet voor niets in het Ruhrgebied
gevestigd. Denk aan het gereedschap uit Solingen. Elastisch hard
ijzer, wat een uitkomst. De kabouters hadden ongetwijfeld hun
bedrijfsgeheimen. Ze waren slim genoeg om zich niet te onderwerpen
aan welk systeem dan ook. Vrij logisch dat ze in de tijd van de
kerstening als heidenen gezien werden. Mensen met een niet
geaccepteerde religie: Arianen bijvoorbeeld. Mensen die zich bij
voorkeur onafhankelijk opstelden. Opmerkelijk is wel dat er een
zogenaamde Heidenstrasse is die vanuit Engeland (Stonehenge) via
Calais, Gent en Brussel, via Jülich naar Keulen liep en van daaruit
naar het gebied van de erst-mijnen, de weg van de het
handelsverkeer. In Bösekes boek staan allerlei historische
afbeeldingen van bergmijnbouwarbeiders, steevast met puntmutsen.
Kabouters als zoutdelvers
Maar dit alles is nog niet alles: nog meer puntenmutsen en al
eerder in de geschiedenis. In Maaseik deed onlangs ook een
internationale tentoonstelling aan: Het witte goud van de Kelten,
een Franse produktie van grote klasse. Op die tentoonstelling ziet u
een puntmuts die gevonden is in de zoutmijnen van Hallstatt, gelegen
in het land van Salzburg (Zout-burg). Sinds 1846 vinden daar met
tussenpozen omvangrijke archeologische opgravingen en onderzoeken
plaats, in en bij de zoutmijnen waarvan de exploitatie circa 3500
geleden (of misschien wel eerder) begon. De vondsten in dit gebied
worden gezien als Keltisch erfgoed. Grafvelden worden bloot gelegd,
dus geraamten en (vaak schittererende) bijgaven gevonden, en in de
oude mijnen werkmaterialen en resten van kleding. Een
hoogontwikkelde kultuur, dat staat wel vast. Mannen, vrouwen en
kinderen werkten in deze mijnen. Er zaten veel kleine mensen bij.
Zelfs hun ziekten (veel buikpijn en gewrichtpijnen) zijn
achterhaald. De zware en langdurige arbeid kunnen we zien als
slavenarbeid maar de aanwijzingen dat het om een welgestelde
bevolking ging, dus goed betaald werk, zijn overtuigend. De
tentoongestelde puntmuts is gemaakt van een dierenvel en dateert uit
de periode van 800 tot 300 voor Christus. Op diverse voorwerpen
staan versieringen en ook daar is de puntmuts te zien. De kabouters
kunnen we dus ook in verband brengen met het zout der aard.
Kabouters kunnen gezien worden als mensen die klein van lichaam,
moedig en volhardend van karakter en groot van geest waren. Ze
werkten ondergronds aan zaken van levensbelang, dat is wel
duidelijk, vooral ook ondergronds in de bergen. Mijn graafpartij als
kleuter nabij de Molenberg in Prinsenbeek was zo gek nog niet. Meer
dan 60 jaar moest ik erover doen om dat door te krijgen. De kuil die
ik gegraven had was voor mijn leeftijd een nogal stevige prestatie.
Dat vonden de veldwachter en mijn vader ook. Op een puntmuts was ik
niet gestoten. Zou dat wel gebeurd zijn dan was er nog geen kabouter
over boord. Want een goede prop stro had alle onheil voor komen. Op
de kabouterberg in Hoogeloon had ik meer kans gemaakt.
Mogelijkerwijs was ik daar de jongste archeoloog ter wereld geworden
die een belangrijke vondst deed. Deze mogelijkheid was echter niet
voorzien. Misschien maar goed ook, want op tal van andere terreinen
kan een mens ook diep graven. Ik groef en graaf heel wat af, maar:
op de goede plaatsen en diep genoeg en op zoek naar de goede dingen?
Dat vraag ik me ook met Kerstmis 2007 voor de zoveelste keer af en
dan neem ik me in elk geval voor dat er in 2008 iets moois staat te
gebeuren.
¹ Gert Frens, Kabouters hebben echt bestaan! De dood
van Koning Kyrië, Uitgave van Kabeljauws te Eersel: info@kabeljauws.nl
Literatuur
H. den Besten, Bemerkungen zu einer Kritik Johannes
Janota u.a. zu Ritter Schaumburg, Die Nibelungen zogen nordwärts,
Amsterdam 1991
H. Böseke, Sagenhafte Irrtümer, Mönchengladbach 2006
J.P. Dewert, Nivelles et sa Région, de la préhistoire à l’historie,
Nivelles 1992
H. Grégoire, La Patrie des Nibelungen, in Byzantion IX, Brussel 1934
N. Lönnendonker, Als die Götter noch jung waren. Namenkundliche
Untersuchungen zur Nibelungensage, Berlin 2003
W. Rass, Dietrich von Bern und Karl der Grosse. Untersuchung über
die Zeitstruktuur der nordischen Dietrich-sage und die
karolingischen Sagen-Manipulation, Buchen 2000
F. Reuter, Worms, Die Stadt der Nibelungen, Heidelberg 1995
H. Ritter Schaumburg, Die Nibelungen zogen Nordwärts, München/Berlin
1981
E. Rückert, Oberon von Mons und die Pippine von Nivelles.
Untersuchungen über den Ursprung der Nibelungensage, Leipzig 1836
R. Schmoeckel u.a., Ein Niflungenreich in der Voreifel?. Heinz
Rritter rund zahlreiche Forscher geben Antworten, Bonn 2002
R. Schmoeckel u.a., Thidrekssaga und Nibelungenlied. Vergleichende
Studien, Bonn 2004
R Schmoeckel u.a., Die Wilkinensage. Schlüssel zur unbekannten
Frühgeschichte der Niederlandee und Belgiens, Bonn 2006
R. Schmoeckel u.a. , Das Rätsel von Mündt / Mundiacum und St.
Irmundus. Burgunder und Nibelungen in der Julicher Börde?, Bonn 2007
R. Schmoeckel, Die Indoeuropäer. Uafbruch aus der Vorgeschichte,
Bergisch Gladbach 2004 (3)
R. Schmoeckel, Bevor es Deutschland gab. Expedition in unsere
Frühgeschichte – von den Römern bis zu den Sachsenkaisern, Bergisch
Gladbach 2002
R. Schmoeckel, Warum hiessen Verwandte Karl des Grossen Nibelung?,
in: Ein Niflungenreich in der Voreifel?, Bonn 2002, p. 156 e.v.
R. Schmoeckel, Die Merowinger vor ihrem reich. Die sarmatischen und
sigambrischen Würzeln der Dynastie, Bonne 2006
H. Tervooren, Spuren der Nibelungen am Niederrhein, Xantener
Vorträge zur Geschichte des Niederrheins 3, Duisburg 1992
P. Wackwitz, Gab es ein Burgunderreich in Worms, in Der Wormsgau
20/21, Worms 1964/1965