logo

[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]

NIF(TE)LUNGEN - NIJVEL - (N)EIFEL?

Productieve hypothese i.v.m. de Vroege Middeleeuwen

A.C. Maas (Leende)

Inleiding

Volgens conventionele interpretaties van het Nibelungenlied (circa 1200) kwamen de Nibelungen/Niflungen uit de regio van Worms. Nibelungen/Nif(te)lungen en Burgonden zouden eenzelfde volk zijn geweest. Deze interpretatie bevat echter enkele merkwaardige zaken. De plaatsnaam 'Mundiacum' (in de vijfde eeuw genoemd door de Griek Olympiodor) werd opgevat als 'Moguntiacum'(=Mainz), en op basis daarvan lag het voor de hand om het volgende aan te nemen:

Een andere belangrijke bron over (een deel van) dezelfde gebeurtenissen , namelijk de Thidrekssaga (de sage van Diederik) noemt de Burgonden echter in het geheel niet. Juist de tekst van de zogenaamde Thidrekssaga maakt duidelijk dat er een kans is dat het verhaal van de Burgunden op een gegeven moment ingevoegd is in het Nibelungenlied en dat juist door deze invoeging Worms in beeld kwam als de stad van de Niftelungen. Zo ontstond de mythe. Olympiodor die de naam Moudiakon (=Mundiacum) vermeldt, noemt de naam "Worms" in het geheel niet, ook niet op vervormde of indirecte wijze. De conventionele historici kwamen dus op Moguntiacum (maar dat staat er niet) en Germania I (en dat meldt Olympiodor juist niet), enkel en alleen omdat Burgunden ( een invoeging in de tekst van het Nibelungenlied) in verband met Worms werden gezien.

De tekst van de Thidrekssaga vermeldt een belangrijke tocht van de Niftelungen van hun woonplaats (laten we zeggen X) naar "Soest": de tocht van de Niftelungen. Deze ging van X met een boog om "Keulen" heen via "Dortmund" (Thorta) naar "Soest" (Susat). In de betreffende passage staat: "bis sie an den Rhein kamen, da wo Dhün und Rhein zusammenfallen". Dit gebied werd in de conventionele visie opgevat als een gebied tussen Donau en Rijn. Maar het ziet ernaar uit dat dat dus een onjuiste interpretatie is.

Nivelles

Reeds in 1836 uitte Emil Rückert zijn twijfel aan de conventionele uitleg in een boek met de titel Oberon von Mons und die Pippine von Nivelles, en bijna een eeuw later kwam de historicus Henri Grégoire in La Patrie des Nibelungen op dit thema terug. Grégoire ging uit van een samenhang tussen Nibelungen en de oude burcht Nivelles, beter gezegd: Nijvel (wellicht ooit ook uitgesproken als Nievel), eind twintigste eeuw vooral ook bekend om zijn bende, maar in historisch opzicht een toplocatie. De Pippiniden kozen volgens Grégoire als erenaam de naam Nivellungen (Nibelunc, in het Latijnse Waltharilied 'franci nebulones'). Pippijn van Landen (een plaats in Belgisch-Limburg) trouwde met Itta of Ida, die het klooster Nijvel stichtte en zich daar later ook in terugtrok. Haar tweede dochter werd er abdis en staat bekend als de Heilige Gertruda van Nijvel. Vlakbij Nivelles ligt de imposante ruïne van de mannenabdij van Villers, een bezoek meer dan waard, maar de stad zelf heeft dus ook een vrouwenabdij gehad. De oudste overblijfselen van een stenen kerk in de Lage Landen moeten we waarschijnlijk in Nijvel zoeken. Archeologisch zijn deze bouwwerken zoals gewoonlijk niet terug te brengen tot de periode vóór het jaar 1000, maar juist Nijvel lijkt een uitzondering op deze regel. De bezittingen van de Pippiniden lagen vooral in het diocees Tongeren. Grégoire lokaliseert de burcht van de Niflungen in de provincie Henegouwen, namelijk in Waremme. Waremme heet in het Vlaams 'Borg-Worm' (Woromia, later Worommes). Dit Worm lag aan de heerbaan Bavay-Maastricht-Keulen nabij het riviertje de Worm. Hiermee leek een belangrijke historische mythe weerlegd: het ging niet om de streek van Worms maar om de streek van Waremme (Worm). Leek weerlegd ... of toch niet?

Zülpich

Enkele decennia geleden wierp Heinz Ritter Schaumburg (1981) een belangrijk bezwaar op ten aanzien van de gedurfde theorie van Grégoire. Hij ontleende zijn gegevens aan de zogenaamde Thidrekssaga, die rond 1200 in het Hoogduits werd opgesteld maar die volgens Ritter teruggaat op gebeurtenissen die veel eerder plaatsgevonden hebben, naar zijn mening in de periode van de grote volksverhuizingen. De vertelstof is veel ouder dan de teksten die nu bewaard zijn. De overeenkomst met documenten als Beowulf is in dit opzicht treffend. Als de Niftelungen zich niet ophielden in het gebied van Donau en Rijn, maar trokken naar de plaats waar de Duna of Dhün in de Rijn uitmondde, dan is de afstand van Waremme naar de Rijn ruim 120 kilometer en dat is niet in overeenstemming met een bepaalde passage in de Thidrekssaga. Daar wordt gesproken van twee dagritten (van een grote groep) en dat kan hooguit samen 75 kilometer zijn. Ritter concentreerde nu alle plaatsnamen die in deze sage genoemd worden in een gebied dat dichter bij de Rijn lag en kwam zo uit op het gebied in en rond Zülpich (het Romeinse Tolbiacum). Twee gezichtspunten maken zijn hypothese productief:

Namen en vondsten

Zülpich (Tolbiacum) lag aan de Romeinse weg van Neuss naar Trier. Daar stroomt ook het riviertje de Neffel en op basis van dat hydroniem wordt de naam "Niftelung" (ook: Nöfflinge of Nafflinge) verklaard. Of de Neffel ook aan de basis ligt van de naam van de Eifel is tot nu toe taalkundig niet aannemelijk gemaakt. Er zijn ook onderzoekers die de naam Niflung en ook Eifel in verband zien met de plaatsnaam Neuss (= Nivi-linc, Nivu-linc, Novi-linc, Neulc, Neus). De Neffel stroomt bij Kerpen in de Erft (= Arnapea = Arnaf) en deze komt bij Neuss in de Rijn. Mundiacum (theoretisch om te zetten in Mundich) is geduid als Montzen (bij Aken), maar binnnen de "Jülpich"-hypothese passen beter de plaatsen Münts of Mündt (ten noorden van Jülich). In de nabijheid van Mündt heeft een locatie Munda (oud Mündt) gelegen die bekend is vanwege zijn steenakkers, een trefzekere aanduiding van een Romeinse plaats. Ook de kerk van Mündt blijkt een zeer oude bouwplaats. De naam Vernica is via enkele tussenstappen terug te voeren op het huidige Virnich dat niet ver van Zülpich en Enzen ligt. Het ligt tussen een aantal plaatsnamen die op -ich eindigen (zoals Nemmenich, Metternich, Bessenich, Ülpennich, Kessenich, Lessennich Verminich, Elvenich, zie kaartje) en die dus ook -ica-namen of -acum-namen geweest moeten zijn en uit een Keltisch-Romeinse periode kunnen stammen. Irnich, dat ook in deze streek ligt, wordt in verband gebracht met de persoon Irian. Of en in hoeverre de verwijzing naar een persoon ook aan de orde is bij de andere plaatsnamen op -ich kan ik niet beoordelen. De naam Juntersdorf wordt overtuigend in verband gebracht met het vroegere Guntirsdorp en dus met een belangrijke Frank. Opzienbarend is de toponymische duiding van de naam Verona die niets met Italië te maken heeft, ook niet met Zwitserland (Verona = Berona= Bern) maar alles met Bonn (Verona= Beron = Bern of Bonn). Een tekst uit 959 zegt: "cisalpinae Verone, quae usiatius Bunna vocantur", aldus de Rheinische Stadtatlas van Bonn (1972). In dit verband vestig ik ook nog even de aandacht op het feit dat de naam van Keulen in de na-Romeinse tijd (ook) "Babilonia" is geweest, een naam die in de Thidrekssaga wordt genoemd en die ook te vinden is in een Latijnse brief uit 1080 van bisschop Meinhardus van Bamberg. De regio Zülpich - Enzen- Euskrichen vertoont een grote hoeveelheid vondsten uit de Romeinse tijd, maar opvallend is het feit dat juist in dit gebied veel graven zijn gevonden die dateren uit de periode van de Vroege Middeleeuwen. Beroemd is het verhaal van het koningsgraf van Enzen. Rond het jaar 1700 is daar een stenen sarcofaag gevonden met -naar verteld wordt- een goudschat bevatte van 14 kilo. Het verhaal van deze schat interesseert ons hier in zoverre dat de vondst van de sarcofaag juist moet zijn, omdat naderhand vlakbij nog andere sarcofagen gevonden zijn. Enzen was een zeer belangrijke woonplaats. Op een sarcofaag die in Enzen gevonden werd, stond onder meer het woord Scaevola dat in verband gebracht wordt met het oude toponiem Scaevols Heide en met het huidige Schievelsberg. In de peridoe dat ik met dit artikel bezig was, las ik de roman De Opstandigen van Sandor Máray op bladzijde 153 het volgende: "Met de hoogmoedigheid van de plebejer Mucius Scaevola, die zijn arm opofferde voor zijn vaderland, dat hij diep in zijn hart verachtte, keek hij trots en gekrenkt om zich heen".

Mythologisering

Zowel de etymologisch-toponymische als de archeologische gegevens vormen tesamen geen bewijs, wel een hypothese die veel sterker is dan het verhaal van Worms. Wellicht kunnen we stellen dat "Worms" niet voldoet aan de minimumeis dat er een aantal aanwijzingen logisch met elkaar moet samenhangen. Worms valt dus af.. "Zülpich" is niet bewezen maar de historische, etymologische en archeologische gegeven vertonen hier wel een zekere samenhang. Of "Nivelles" (gebied van Tongeren) nu al per se moet afvallen, zou ik liever niet bevorderen. Als de Neffel de oorsprong is van de naam "Niftelungen" (zie hiervoor) dan kan de vraag geopperd worden of Nivelles daarvan afgeleid is. Nivelles zou dan een vestiging zijn van de machthebbers van de Neffel. Opmerkelijk is wel dat in beide gebieden (Zülpich en Nivelles) de Pippiniden de macht hadden. Het vroegere Guntirsdorp (nu: Jüntersdorf) lag aan de Neffel en had al heel vroeg een eigen kerk die gewijd was aan Gertruda (van Nijvel). Er is een verband, maar de vraag blijft: welk?

De conventionele interpretatie wordt vandaag de dag vooral nog instandgehouden door het werk van Peter Wackwitz Gab es ein Burgunderreich in Worms (1964) dat deze vraag in de slotzin als volgt beantwoordt: "Vielleicht! Wahrscheinlich". Duidelijke taal, kunnen we wel zeggen. Het werk van Wackwitz is diverse malen streng bekritiseerd, vooral ook door Franz Schweitzer (hoogleraar in de geschiedschrijving van de Middeleeuwen) maar dat heeft niet geleid tot het herzien van hypothesen en stellingnames. Het boek van Ritter Schaumburg is een aardige bestseller geworden in Duitsland en heeft in elk geval geleid tot een sterke studiegroep Der Berner die zich vooral concentreert op de Thidrekssaga en een tijdschrift en boeken uitgeeft en studiedagen en lezingen organiseert. Het werk van Ritter Schaumburg werd door een groep historici (de "Janotagroep") de grond in geboord, maar in 1991 leverde Hans den Besten niet alleen inhoudelijk commentaar bij de kritiek van Janota, maar hekelde hij vooral ook de ex cathedra-toonzetting van het commentaar. In 1992 publiceerde Helmut Tervooren mede op basis van het werk van Ritter Schaumburg een goed doordacht commentaar op de conventionele mythevorming met zijn artikel Spuren der Nibelungen am Niederrhein. Sinds vier jaren is Der Berner actief en wordt de discussie onder leiding van R. Schmoeckel (Bonn) vakbekwaam en degelijk gevoerd.

R. Schmoeckel geeft in zijn artikel Warum hiessen Verwandte Karl des Grossen Nibelung? nog een interessante verklaring voor de kennelijk Noor(d)se oorsprong van sagen. Karel de Grote liet zoveel mogelijk mondelinge overleveringen optekenen, Lodewijk de Vrome liet alles vernietigen wat niet christelijk was, en de Vikingen namen het heidense materiaal dat Lodewijk niet vernietigd kreeg mee naar huis en maakten er sterke verhalen van, die na het jaar 1000 weer geleidelijk aan terugkeerden naar de gebieden waar ze ontstonden. Zo gaat er wel een wereld voor je open.

Literatuur

  1. H. den Besten, Bemerkungen zu einer Kritik Johannes Janota u.a. zu Ritter Schaumburg, Die Nibelungen zogen nordwärts, Amsterdam 1991
  2. J.P. Dewert, Nivelles et sa Région, de la préhistoire à l'historie, Nivelles 1992
  3. H. Grégoire, La Patrie des Nibelungen, in Byzantion IX, Brussel 1934
  4. F. Reuter, Worms, Die Stadt der Nibelungen, Heidelberg 1995
  5. H. Ritter Schaumburg, Die Nibelungen zogen Nordwärts, München/Berlin 1981
  6. E. Rückert, Oberon von Mons und die Pippine von Nivelles. Untersuchungen über den Ursprung der Nibelungensage, Leipzig 1836
  7. R. Schmoeckel u.a., Ein Niflungenreich in der Voreifel?, Bonn 2002
  8. R. Schmoeckel, Warum hiessen Verwandte Karl des Grossen Nibelung?, in: Eind Niflungenreich in der Voreifel?, Bonn 2002, p. 156 e.v.
  9. H. Tervooren, Spuren der Nibelungen am Niederrhein, Xantener Vorträge zur Geschichte des Niederrheins 3, Duisburg 1992
  10. P. Wackwitz, Gab es ein Burgunderreich in Worms, in Der Wormsgau 20/21, Worms 1964/1965

Een greep in het internet

Daar lezen wij, dat Thidrek met zijne genooten, waaronder Vidhga en Vildifer (d.i. Wilde ever), koning Attila te hulp trekt tegen Osantrix van Vilkinaland. Deze Osantrix nu heeft reuzen in zijn dienst, zooals den met een stang gewapenden Vidholf en diens broeder Avontrodh, die steeds geboeid wordt meegevoerd en eerst losgelaten, als hij strijden moet. In den strijd nu wordt Vidhga door Vidholf neergeslagen en gevangen weggevoerd naar Osantrix' burcht. Wanneer nu Thidrek en Attila zijn weggetrokken, blijft Vildifer achter om zijn vriend Vidhga zoo mogelijk te bevrijden. Daartoe bedenkt hij een list. Hij laat zich namelijk door den zanger Isung innaaien in de huid van een beer, dien hij op de jacht in het Lurubosch heeft gedood; en Isung voert hem nu als berenleider naar het hof van Osantrix, waar hij, onder den naam Vizleo, bij Isung's harpspel allerlei dansen uitvoert. Om te onderzoeken, of de beer ook moedig is, laat de reuzenkoning in het veld zestig jachthonden op hem los, waarvan hij er twaalf doodt. Daarover vertoornd, geeft de koning den beer een zwaardslag in den rug, maar het pantser, dat deze onder de huid draagt, beschermt hem. Hij grijpt nu Isung's zwaard en slaat Osantrix het hoofd af. Daarop doodt hij ook Vidholf en Avontrodh, en alleen de derde van Osantrix' reuzen, Aspilian, blijft gespaard. Natuurlijk eindigt het avontuur met de bevrijding van Vidhga.

Zooals men ziet, is er bij eenig verschil toch te groote overeenkomst met den inhoud van ons gedicht (Van Bere Wisselau) om de verhalen te betwijfelen. Zelfs de naam Wisselau komt met Vizleo overeen, maar Karel is hier Thidrek, Gernout is er Isung en Osantrix schijnt hier als Espriaen op te treden, ofschoon ook Aspilian (d.i. blijkbaar Espriaen) hier vermeld wordt. Onze roman moet ouder zijn, dan de Thidrekssaga en heeft ook blijkbaar een ouderen vorm van het verhaal bewaard, zoodat het zelfs mogelijk is, dat de beer hier niet een in eene berenhuid ingenaaide held, maar een werkelijke beer is, die zelfs een in een beer omgetooverde man zou kunnen zijn, zooals er meer in de volksverhalen voorkomen. De naam Wisselau ziet er niet Germaansch uit en schijnt vervorming van den Slavischen naam Václov te zijn. Eene andere vervorming zie ik in 'Wizlân, künic von Beheim' in den Biterolf und Dietleib, vs. 5061, ook 6239, 6538, en in Wislân, die in het gedicht van Dieterichs Flucht vader heet van Berchtung.





Valid HTML 4.01!