[Terug naar hoofdpagina] [Contactgegevens]
VASTE GROND ONDER DE VOETEN?
‘Die Tatsachen bleiben, de Interpretation schwankt’
Ad Maas (Leende)
Het eerste hoofdstuk van de Geschiedenis van het Hertogdom Brabant is van de hoogleraar archeologie Frans Theuws. De titel van het hoofdstuk luidt: Proloog van Brabant, verleden landschappen van Romeinen en Franken. Dit hoofdstuk is niet alleen interessant omdat de inrichting van het landschap in de loop der eeuwen bekeken wordt via de wisselende machtsverhoudingen, maar vooral ook omdat de archeologie hier een veel belovende kant uitgedacht wordt. Theuws geeft een nieuwe koers aan en zet daarmee zijn manier van denken vanuit zijn dissertatie voort. Theuws is ook wetenschapstheoretisch bezig, denkt dus na over de verhouding van archivalia en archeologica, toont zich ook een vakbekwaam historicus en komt daardoor tot grensverleggende gezichtpunten. Bij hem is minder te merken van de kramp van de conventionele geschiedkunde. In dit artikel zal ik enkele keren visies van hem naar voren laten komen in het kader van een bespreking van een andere publicatie. Onder de uitdagende titel Vaste grond onder de voeten. Acheologische vondsten ca 500 v. Chr – 1200 n. Chr. heeft Ton Spamer uit Deurne (bij Eindhoven) namelijk een overzicht gepubliceerd van de omvangrijkere structureel samenhangende opgravingen, verricht door of onder toezicht van professionele archeologen en bewijsbaar gedateerd met zo absoluut mogelijke dateringstechnieken als C-14 (radiocarbonmethode), dendrologie (jaarringenonderzoek van bomen) of reeds gedateerd vergelijkingsmateriaal. Het gaat dus om de nieuwste vondsten m.b.t. het eerste millennium, gedaan in de periode van 2000 tot heden, dus een zeer actuele inventarisatie. Per groep of periode heeft Spamer ook nog een duidelijke kaart gemaakt van de vindplaatsen. Spamer heeft voorbeeldig werk geleverd, maar toch zal ik enige kanttekeningen plaatsen bij de veronderstelde vaste grond. De kans op schijnzekerheden acht ik namelijk nogal groot. We vatten eerst de inventarisatie samen in een overzicht:
| Periode/groep | Aantal vondsten | Opmerkingen kaart |
|---|---|---|
| P= Prehistorie | 2 | Nabij Utrecht en Duisburg |
| IJ= IJzertijd | 8 | Voornamelijk Rivierengebied |
| K=Kelten | 7 | Nabij Nijmegen, Antwerpen, Brussel |
| R=Romeinen | 76 | Zuiden van Nederland |
| L=Limes | 25 | Rivierengebied |
| G=Germanen | 8 | Oosten van Nederland |
| B=Bataven | 9 | Betuwe |
| F=Franken | 8 | Oosten van Nederland en Limburg |
| FR=Friezen | 3 | West-Nederland en nabij Gent |
| S=Saksen | 1 | Nabij Deventer |
| M=Merovingers (450-750) | 10 | Verspreid onder lijn Utrecht-Arnhem |
| Ka=Karolingers (750-900) | 9 | Op een lijn van Antwerpen naar Deventer |
| VM=Vroege Middeleeuwen | 9 | Op een lijn van Brussel naar Zwolle |
| 175 |
De inventarisatie zelf
Het is in een aantal gevallen minstens een discussiepunt of de vermelde vondsten voldoen aan de door Spamer geformuleerde criteria. Diverse losse vondsten, ook al vinden die plaats binnen een project, blijven los in het licht van een bepaalde probleemstelling. Ze worden niet structureel omdat er ergens een bepaalde oppervlakte uitgegraven wordt. Een voorbeeld is een potscherf uit een opgraving in Markelo die door de archeoloog spectaculair wordt genoemd en door Spamer getypeerd wordt als een ‘onomstotelijk bewijs’. Andere voorbeelden zijn er genoeg. Onomstotelijk bewijs waarvoor en waarom? Verder worden soms verschillende vondsten genoemd die in feite identiek zijn. Zo treffen we de oudste Antwerpenaar (een skelet gevonden op de Koraalberg in Antwerpen) bij de Merovingen en bij de Karolingen aan. Onduidelijk is met wie en waarover Spamer in discussie is. Ik opper enkele mogelijkheden.
De Romeinse tijd (50 v.Chr. tot 350 n.Chr.) telt 76 + 25 + 8 + 9 = 118 vondsten. De Merovingische en Karolingische tijd en de Vroege Middeleeuwen (450 – 1000 n.Chr.): 30. De periode van 450 tot 900 slechts 19. Is dat niet erg boeiend? Dat de Lage Landen in de Romeinse tijd zeer druk bevolkt waren is een algemeen aanvaarde optie. Ook in de Betuwe lagen veel nederzettingen. Voor Spamer, net als voor veel archeologen, mogelijk een feit waaraan ze afmeten dat het er vol Bataven zat. Interessant in deze periode is niet de vraag of er veel bewoning was, maar wel of de veronderstelde geografische situatie (namen van rivieren, streken en plaatsen) klopt. Maar na 350 n.Chr. zijn zowel vragen naar bevolkingsdichtheid in het door Spamer geïnventariseerde gebied als de geografische duidingen interessant. Als Spamer alleen het doel heeft om aan te tonen dat er in een tijdsbestek van vijf jaar heel wat is gevonden in Nederland en Vlaanderen uit de periode van 800 v.Chr tot 1200 n.Chr, dus 2000 jaar, dan is dat wel erg vaag. Er zijn scherpere doelstellingen aan te geven, maar die brengt Spamer niet in beeld. Kennelijk bestrijdt hij mensen die van mening zouden zijn dat er in het door hem onderzochte gebied in de betreffende periode niets of weinig is gevonden. Ik ken zulke visies niet. Ik ken wel de opvatting dat de Lage Landen tussen circa 300 n.Chr. tot circa 900 n.Chr. zo nat waren dat alleen op hogere delen gewoond kon worden. Welnu, een blik op de kaarten van Spamer leert dat je die hypothese niet meteen naar de prullenmand kunt verwijzen. Germaanse vondsten zijn er alleen in Oost-Nederland. Raar? Zou deze bevinding iets te maken kunnen hebben met de gehanteerde definitie van Germaan? Waarschijnlijk ontleend aan historische intepretaties. De Bataven, die meestal ook aangezien worden voor Germanen, zitten keurig in de Betuwe, zoals bedoelde interpretaties melden. Je weet al dat ze er gewoond hebben, ook al heb je nog niets gevonden, maar als je wel van alles vindt, dan is er kennelijk een onomstotelijk bewijs geleverd. De vraag is niet of er vondsten zijn; de vraag is of de vondsten (onomstotelijk) aantonen dat er sprake is van Bataven. Wat zijn in dat opzicht de beslissingscriteria? Van Franken, ook Germanen, werden zaken teruggevonden, ten oosten van de lijn Luik – Utrecht. Van Friezen, toch ook Germanen?, is er in de noordelijke provincies niets gevonden, maar in de buurt van Gent wel: dat is toch een opmerkelijk ‘feit’. Van Saksen, eveneens Germanen, werd alleen iets ten oosten van Deventer gevonden. En wat te denken van het bericht dat kerkhistoricus Régis de la Haye en stadsarcheoloog Titus Panhuysen betwijfelen of Servaas wel de eerste bisschop van Maastricht was, of iets beter gezegd: ze achten het onbewezen dat Servaas daar bisschop was. Wat is dit voor een archeologsisch bericht?
Als Spamer zich ten doel stelt dit soort thema’s aan te voeren en duidelijk te maken, dan komt zijn overzicht in een bepaald perspectief te staan. Nu is dat onduidelijk. Toch blijft het zo dat deze inventarisatie veel waardering verdient. Archeologie dient immers gevangen te worden in inventariseringen, overzichten en doorsnedes, dan komen we wat verder in het begrijpen van de historie. Maar daar zit niet alleen veel werk aan vast, maar ook meteen de nodige inhoudelijke problematiek. Want inventariseren doe je nu eenmaal vanuit aannames, en die moeten zo verantwoord mogelijk gekozen worden. Zie verderop.
Opmerkelijk is ook dat Spamer nogal gemakkelijk omgaat met de nieuwsbronnen. Veel persberichten worden door de archeologen zelf gemaakt, en die hebben er begrijpelijkerwijze allerlei belang bij om hun vondsten te gebruiken als promotie van hun werk. Ook al heeft een professionele archeoloog iets beweerd dan is dat nog geen garantie voor de juistheid van het bericht. Ook in dat vlak is het goed om een kritischer kijk te hebben op het verschijnsel ‘feit’.
Feiten?
De Inleiding van zijn boekwerk geeft Spamer de volgende titel mee: De feiten achter de theorieën. Achter de theorieën? Achter wat? De titel blijkt in het geval van dit boek te kloppen. Een van de terugkerende uitspraken van Spamer is dat hij niet aan theorieën doet, maar enkel uit is op feiten. Deze opstelling toont waarschijnlijk een bepaalde
wetenschapsvisie aan. Het gaat om feiten, en die kunnen we kennen, en als we die kennen kunnen we eens beginnen aan een theorie. Het gaat dan eigenlijk om feiten die vóór een theorie liggen. Er lijkt sprake van een empiristische opvatting van wetenschap. Er wordt namelijk voorbijgegaan aan de vraag wanneer we een zaak een feit vinden. Zaken worden feiten in een bepaalde visie op de werkelijkheid. Anders gezegd: feiten zijn feiten omdat er een ‘theorie’ is die zegt dat dit wel een feit is en dat niet. Feiten vergen een zekere theoretisch referentiekader en vormen zo een soort theorie, laten we zeggen: een impliciete theorie. Ook al neemt Spamer afstand van theorie (hij bedoelt misschien gespeculeer en gefantaseer) toch is ook hij theoretisch beladen. Hij werkt immers met een referentiekader waarin klaarblijkelijk welgedefinieerde groepen (Bataven, Franken, Friezen, Germanen, Kelten, Romeinen en Saksen) en perioden (Prehistorie, IJzertijd, Romeinse tijd met Limes, Merovingen, Karolingen en Vroege Middeleeuwen) aan de orde zijn. (Zijn indeling op zichzelf is overigens al winst, omdat de Middeleeuwen onderverdeeld worden, en daaraan blijkt in tal van boeken weinig behoefte en kiest men liever voor een ‘container-periode’). De archeologische vondsten zijn al bij voorbaat ingekaderd in een theoretisch frame. Allemaal kader vooraf. Interpretatie van meet af aan. Theuws brengt echter het volgende gezichtspunt naar voren: In de archeologie meende men tot voor kort aan de hand van materiële cultuur de etnische herkomst te kunnen bepalen van groepen, zoals die in de werken van Ammianus Marcellinus en anderen vermeld staan. Er ontstaat evenwel een toenemende kritiek op deze simpele etnische interpretatie van materiële cultuur en daarmee wordt het lastiger de geschreven teksten te verbinden met de resultaten van archeologisch onderzoek. Niet minder belangrijk is zijn opmerking over de namen van streken: Het moet niet uitgesloten worden geacht dat de aristocratie de namen heeft gegeven, zoals voor de Friezen aannemelijk gemaakt kon worden en voor Texandrië ook is gesuggereerd, soms is teruggegrepen op de klassieke oudheid. Dit hergebruik van de klassieken moet als een belangrijk onderdeel van de identiteitsvormende strategie worden beschouwd.
In feite is een objectief overzicht van soorten vondsten, datering en locatie de harde empirische kern van de archeologie. Binnen dat geheel dient interpretatie plaats te vinden en conclusies te worden getrokken, zo los mogelijk van de traditionele voorgegeven historische referentiekaders. En daarin is de dateringskwestie uiteraard de moeilijkste. Want als we zo te werk gaan kunnen we niet meer van ons ‘kader vooraf’ gebruik maken om te dateren. We zijn dan aangewezen op geologische werkwijzen en op meetmethodes zoals C-14 en dendrologie. Van fundamenteel belang. En juist hier kiest Spamer voor een te makkelijke weg: het zal wel waar zijn als de deskundigen het zeggen. Dat doen veel historici: in een overdreven bewondering voor natuurwetenschappen laten ze zich graag zekerheden toedienen.
Het is echter noodzakelijk dat historici die zaken onderzoeken waarbij de dateringsvraag van grote betekenis is en dat ze zich zo in deze materie verdiepen dat ze in elk geval inzien dat de getoonde stelligheid vaak misplaatst is. Over C-14 en dendrologie is er ook veel kritische literatuur. Deze meetmethoden hebben natuurlijk sterke en controleerbare kanten, maar bieden ook veel twijfel: de C-14- meting leidde in het onderzoek naar de grafvondsten van de Hollandse graven tot heel wat misvattingen en de dendrologie in verband met het eerste millennium toont veel onzekerheid. Maar dateren moet, en dus ook studie ervan. De historische wetenschap kan zich daarbij niet afstandelijk opstellen maar moet terzake inhoudelijk mee kunnen denken. Datering overlaten aan de archeologie is ook geen uitweg. Archeologen zijn wel nog meer gedwongen om zich rekenschap te geven van de ins en outs van het dateren, los van historische voorkennis. Er treedt sinds enige tijd een soort paradigma-wisseling in de archeologie op. Vanuit een geesteswetenschappelijke context ontwikkelde de archeologie zich in de twintigste eeuw tot een wetenschap met allerlei empirisch-wetenschappelijke kwaliteiten. Maar sinds enige decennia gaat die ontwikkeling verder en vindt juist een haast niet te overziene experimenteel-wetenschappelijke specialisatie plaats. Ik noem ter illustratie wat je tegenkomt: archeometallurgie, archeobotanie, paleo-ecologie, paleopathologie, archeo-meteorologie, moleculaire chemie, radio-isotopenchemie, polymerase-kettingreacties, DNA-onderzoek, magnetometrische methoden enzovoorts. Vooral ook via de universitaire opleidingen tot historicus en/of archeologie ligt hier een stevig programmeringsprobleem.
Uiteraard is het zo dat goed empirisch en experimenteel onderzoek kan leiden tot theorie op een steviger niveau. De mate van ‘reële fundering’ maakt de kracht van een theorie uit. De mate van toetsbaarheid is dan ook groter. De aangenomen werktheorie kan bevestigd worden, geheel, grotendeels of in bepaalde opzichten, maar ook idem dito weerlegd. Van theorie in dezen zijn we echter nog ver af als het gaat om tal van historische thema’s, zeker ook die uit het eerste millennium. Maar wat niet is dat kan altijd komen. Juist het werk van Theuws zet de deur open naar nieuwe oriëntaties. Allerlei opmerkingen van Theuws laten de legitimiteit zien van de discussies die SEM op de rol zet, zoals in het boek Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland? Wie meent te weten dat Traiectum-Antwerpen een zinloze hypothese is gelieve de opmerkingen van Theuws in dit hoofdstuk (p. 38) te lezen. De beschouwing van Theuws biedt een rijk kader om de discussie verder door te zetten dan hij nu (nog) doet. Laat ik besluiten met drie citaten die op een en dezelfde bladzijde (p. 36) te vinden zijn:
* Die nuancering is voor de Karolingische tijd niet meer mogelijk. Daar laat de archeologie het afweten door gebrek aan gegevens. Het beeld dat uit de teksten alleen te voorschijn komt, kan sterk gekleurd zijn. Het is het kerkelijk-aristocratische beeld waarin de visie van de machthebbers op de organisatie van de produktie en afhankelijkheidsrekaties centraal stond en waarin het bewonersbeeld ontbreekt.
* Een nader probleem bij het interpreteren van de indicaties van het christendom is dat veel gegevens uit later tijd dateren. De levensgeschiedenissen van de heiligen die als missionarissen het geloof verkondigden of als bisschoppen in hun diocees actief waren, dateren dikwijls uit latere eeuwen, en wanneer zij kort na het overlijden van de heilige op schrift zijn gesteld, kennen wij ze veelal als kopie uit later eeuwen.
* Zo moet niet worden uitgesloten dat nauwkeurige geografische aanduidingen van missieactiviteiten door missionarissen en bisschoppen in de Vroege Middeleeuwen latere toevoegingen zijn met het doel territoriale claims te legitimeren.
Literatuur
1. Vhr. Blöss/ H.U. Niemitz, C-14 -Crashkurs. Warum wir mit C-14 Methode und Dendrologie nicht absolutdatieren können, ZS augustus 2003, p., 430-459.
2. Frans Theuws, De vele lagen van de vroegmiddeleeuwse geschiedenis, MADOC oktober 1995, p. 131-149.
3. B. Dijkstra, Een stamboom in Been, Amsterdam 1991.
4. E. Gordfunke, Gravinnen van Holland, Zutphen 1987.
5. F. Theuws, Archeologie van de periferie, Amsterdam 1988
6. L. Theunissen en M. Meffert, Biografie van de Brabantse archeologie, Noordbrabants Historisch Jaarboek 2004, deel 21, p. 10- 77